Met Jan Feith aan zee (1933)

Deze zomer neemt Jan Feith je mee op reis door onze provincie. Zijn historische teksten uit het album ‘Zwerftochten door ons land: Noord-Holland’ (1933) geven een beeld van zonnige duinen, drukke pleinen en pittoreske polders. Deze week: ‘In den zeewind langs onze Noordzee-kust’.

‘Hollands noordelijkste punt, aan het Marsdiep en de Waddenzee, beschermd door een geweldigen zeedijk, zooals er haast geen tweede bestaat: ziedaar Den Helder, dat we niet kunnen overslaan, wanneer men Nederland leert kennen. Al was ’t alleen maar om het belang, dat deze gemeente, met de oorlogshaven het Nieuwe Diep, voor onze Nederlandsche zeemacht heeft.

Het bezoek aan Den Helder behoeft niet lang te duren, in één dag kun je er al een heeleboel zien. Maar natuurlijk… wanneer je de Rijksmarinewerf en de oorlogshaven goed wilt bekijken, en ook een tocht maken naar het marine-vliegveld De Kooy, en ook nog naar Texel overvaren, om het moderne badplaatsje de Koog aldaar te bezoeken – ja! dan gaan er ’n paar dagen mee heen.

Intusschen, – dit zijn daarom nog geen vermorste dagen in ons heerlijk zwervers-program! Want tenslotte is ’t overal zoo: men kan iets vlug en vluchtig, maar ook rustig-aan en wat uitgebreid doen.

Om een vluchtig bezoek aan Den Helder te brengen, komen wij aan per spoor, en wandelen of fietsen door de Konings- of de Keizersstraat en langs de Westgracht, om de Marinewerf en de dokken heen, en komen zoo aan de Hoofdgracht, Den Helders fraaiste buurt. En meteen sta je aan het Nieuwe Diep, aan de haven: een machtig gezicht, die breede strook water, waarin de oorlogsschepen hun ankerplaats hebben, en daarachter de zware dam met de forten, en op den achtergrond de zilverige, wijde zee, de Zuiderzee. Hier zien jullie dus het “diep”, de door getij-stroomen uitgediepte geul, die nu anderhalve eeuw oud is. In 1785 waren de twee voor dit doel in zee gelegde groote dammen voltooid. Den Helder heeft daaraan zijn bloei, of eigenlijk een nieuwen bloei, te danken gehad.

Bouw van de Koopvaardersschutsluis in Den Helder, 1861. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Want in het Nieuwe Diep konden de koopvaarders rustig overwinteren, iets dat zij vroeger op de reede van Wieringen hadden gedaan. Deze nieuwe ligplaats was beter, veiliger; en tevens heeft men een oorlogshaven ervan gemaakt, na een bezoek dat prins Willem V in 1781 had gebracht. Napoleon heeft er wat dit betreft, als bolwerk tegen Engeland, nog iets meer van gemaakt!

Zoo begon dus Den Helders tweede bloei; zijn eersten had het, na zijn opkomst omstreeks 1500 (het aan de Noordzee gelegen Huisduinen, een deel van de gemeente Den Helder, is heel wat ouder) aan visscherij en walvischvaart, ook leveranties aan de op Texel’s reede liggende vloten te danken gehad – maar met zware tegenslagen en vernietiging door springvloeden er tusschen door, ja het plaatsje is letterlijk landinwaarts gedrongen, totdat de groote dijk ten slotte voltooid was, omstreeks tien jaar vóór het Nieuwe Diep. En de derde bloeiperiode, na die van omstreeks 1800, is door de stichting van het Noordhollandsch kanaal in 1825 gekomen, want toen werd Den Helder een ware voorhaven van Amsterdam… Maar niets is bestendig, die functie heeft het in 1876 aan IJmuiden moeten afstaan, en sindsdien is het als marine-haven nog van belang.

Maar de dag nadert, waarop je per trein van Den Helder over Leeuwarden en Groningen naar Bremen en Hamburg en verder gaat, en wie weet, wat er dan voor dit puntje van ons land nog weggelegd is!

En nu het stadje bezichtigd, het Instituut “Willemsoord” waar de adelborsten hun opleiding krijgen, met den mast van Van Speyk’s schip er voor geplant: het Marine-Paleis of Commandantshuis, en verder de werf, de haven, het vliegkamp en al wat er verder in deze buurt is te zien.

En vergeet Huisduinen niet! Want wie nu nog eens een mooi en ongerept duinlandschap wil zien en betreden, die kan hier terecht. En van Den Helder langs de zee, een schitterende tocht bij mooi weer, naar “de Donkere Duinen” en fort Kijkduin en heel deze fraaie omgeving; de natuur vertoont zich hier in een heerlijk kleed!

Daarna, bij Den Helder aangevangen, onzen gezamenlijken zwerftocht langs de Noordzee begonnen!

Pantserschip “de Ruiter”, Den Helder, 1904. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

In den loop der jaren hebben we zoowat alle stranden langs de Noordzee van ’t Osterendje op Rottumeroog tot het verzande Zwin bij Sluis afgewandeld, – sommige stukken maar een enkele maal, andere vaker, soms onder een brandende zon en een stralenden hemel, dan weer met een straffen, vochtigen wind in den rug, – ’s zomers, als er van Domburg tot Schiermonnikoog wordt gepootjebaaid, ’s winters, wanneer de stranden verlaten zijn en er juist zooveel bizonders te beleven valt; en ook wel ’s nachts, als ver-weg lichten knipoogen, als alleen een scholekster roept achter den zeereep en de golven lichtend omslaan op de banken.

Onze kust, onze breede zandige kust is een kostelijk bezit. Dat vindt Aaje ook, de jutter, dien we ergens aan den Helderschen dijk hadden opgescharreld, waar hij voor de verandering een netje zat te boeten. Aaje kan je vertellen, dat er heel wat meer dan kurken en flesschen, klompen en bamboetjes, koolstronken en baksteenen in de grillige lijn van ’t grauw-donkere aanspoelsel kan liggen. Bij paal acht heeft-ie eens een gouden ring gevonden, waarvoor de opkooper hem nog ’n tientje betaalde; op de Egmonder kermis verkocht hij een jaar of wat geleden aan jonge meiden en kinderen kleurige armbanden van celluloïd, tweehonderd en zestien stuks, allemaal op één dag gevonden en een kistje met nog eens eventjes vier en dertig stuks scharrelde hij wat later op. Hij laat een gekurkte flesch nooit liggen en kent de fijnste merken cognac en whisky en jenever naar den smaak en hij weet, dat sinaasappels vaak nog best te eten zijn, als ze niet te lang in zee gelegen hebben. Aaje mist drie vingers aan de linkerhand en als hij vertelt, hoe dat gekomen is: daar onder Onrust, bij ’t jutten van granaten – om al het koper, dat eraan zit of om de premie als er wat al te streng geloerd wordt – dan wordt het je groen en geel voor de oogen.

Aaje is nog een strandjutter van het oude type, zoo een, die altijd op ’t randje van de wet leeft en zich moe sjouwt voor een paar dubbeltjes en kwartjes. Maar jutter!… zijn we dat dan niet allemaal, als we langs de stranden gaan? Loopen we niet tòch telkens weer bij de hoogwaterlijn te peuteren in ’t zoo ziltig ruikende droge blaaswier; komen we, als na dagen van aanhoudenden Oostenwind het strand bezaaid ligt met schelpen en aanspoelsel niet soms met de zakken vol rommel thuis? En altijd werpt de zee weer wat nieuws op het strand, schelpen, mooi van vorm en kleur, snoeren roggen-eieren, een stuk “zeeschuim”, oftewel het broze ruggebeen van een inktvisch, de teere hulsels van zee-egels, slangsterretjes, wenteltrapjes, meterslange wierveters en wat niet al? En als je eens een groot slakkenhuis vindt, waarvan het gat links zit als je erin kijkt, terwijl je de punt naar boven houdt, dan kun je dat zeker goed te gelde maken. Want de prins van Monaco zond eens een expeditie-vaartuig naar den Atlantischen Oceaan, alleen om een paar van zulke schelpen te zoeken.

Wat is er niet nog meer belangwekkends en moois te zien aan het strand! Daar zijn de witte en grijze meeuwen op hun sterke, gespannen wieken, de vlugge sierlijke sterns en de rappe, als weggeblazen balletjes over ’t natte zand rutsjende bontbekjes. Daar zijn de duinen, – hier steil afgeslagen bij een stormvloed, dat de harde wortels van de helm er los bijhangen, ginder zacht opglooiend met kleine, jonge duintjes, die zich bij krachtigen wind telkens nog verplaatsen, aan hun voet. En wie goed toekijkt, kan heel best zien hoe achter een oneffenheid, een oude mand bijvoorbeeld, zoo’n duintje werd gevormd. Je weet dan meteen ook, hoe de blonde wachters langs de kust, de mooie, ruige duinen, zijn ontstaan, om heel het lage Holland te beschermen tegen de zee, die steeds maar weer zijn rollers aanstuurt, en eeuwig-door haar wondere lied zingt.

Pad lopend vanaf het eindpunt van de Zeeweg naar het strand te Overveen, 1919. Collectie Gemeente Bloemendaal, Noord-Hollands Archief.

Voor ditmaal beginnen we onzen tocht bij de Hondsbossche. Daar benoorden zijn de duinen maar smal en vreemden komen er weinig, al ligt er bij Callantsoog ook het Zwanewater, een groot duinmeer, dat over de heele wereld beroemd is als broedplaats van lepelaars en vele andere vogels – en daarom streng bewaakt wordt, en al heb je er ook verschillende ongerepte duinvalleitjes met een plantengroei, die aan de natuurmonumenten van de Wadden-eilanden doet denken.

Aan den eenen kant van de zware zeewering ligt een jaren geleden gestrande Engelsche kruiser te verroesten en loopen de golven tegen de met scherpe mosseltjes bezette hoofden op, aan de andere zij kijk je ver het groene polderland van de Zijpe in. Aan het eind van den dijk, – bravo, vroege vaderen, die hier het verfrisschende baden niet belastten en toch een steeds waakzaam toezienden badman aanstelden! – bij Camperduin, waar eens het, geheel door de zee verzwolgen, dorpje Camp lag, gaan we den weg in, die over den Droomer en den Slaper wipt, voorbij het prachtige kerkje van Groet voert, dat al zoovele schilders, vooral moderne, geïnspireerd heeft; dan met de zware ronding van de hooge duinen meebuigt naar Schoorl en nu verder slingerend den binnenduinrand zal blijven volgen. ’t Is de aloude Heerenweg, een der allermooiste wegen van heel Holland boven ’t IJ, al heeft hij ook een paar geduchte… concurrenten.

Anderhalve eeuw geleden beklaagde men zich erover dat het Schoorlsche duin bestond uit “geheel verwaarloosde bergen, in het midden een volstrekte zandwoestijn”. Thans is Schoorl het dorp van de groene duinen en de mannen van ons Staatsboschbeheer gaan steeds maar voort, elk jaar weer duizenden jonge dennetjes te poten tegen de steile hellingen en in de breede vlakten, hoewel toch ook groote stukken in hun woesten, natuurlijken staat van drassige, bloemenrijke duinvallei of nauw-begroeiden blinkert bewaard zullen blijven. Als je er klautert naar een der hooge toppen, langs een slingerenden weg tusschen dicht dennenbestand, kun je soms zien, hoe het dikke, groene kleed kilometers ver golft over helling en delling. Boven, op een klein plateautje, geniet je van een vergezicht, zoo prachtig als je ’t maar denken kunt.

Naar ’t Oosten en ’t Noorden ligt onder den hoogen vaderlandschen hemel vlak-uit het groene, welvarende land met koeien en slooten en draaiende molens, met stelphoeven hier en daar in de blauwe schaduw van donker geboomte, met bij ’t kanaal, waar een schip langzaam zeilt in ’t zomersch getij, de stralend-bonte velden Oost-Indische Kers. En naar waar de zee zich als een lichte band van blauw of grijd tegen den einder legt, is het kilometersbreede duin in al zijn pracht van starre golvingen en gedekte tinten, van donkere laagten en geblakerde koppen, van dof-bruine, later in den zomer purper-stralende heiden en mat-groene boschjes.

Camperduin/Kamperduin bij Schoorl. De weg naar zee. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Het kasteel-achtige Bio-vacantieoord op het Russenduin bij Bergen-aan-Zee wijst je den weg als je door de duinen zwerven wilt naar deze badplaats, die pas een goede vijf en twintig jaar geleden is gesticht als dépendance van het flinke dorp Bergen, dat onder de dennen en de beuken, de iepen en de linden zich genesteld heeft rond de oude, klimop-overwoekerde kerkruïne. Vroeger had het venijnig pingelende lokaaltje van Alkmaar naar Bergen-aan-Zee ’s zomers wagons met banken op het dak. Je zat er verschrikkelijk in de zwarte rook, maar dat spoelden de koele golven er later wel weer af en het is wel jammer, dat de mooie rit nu deze buitengewone attractie is kwijt geraakt.

Bergen-Binnen droomt in de luwte van den binnenduinrand, maar het dochterdorp zet zijn villa’s hoog op den zeereep in den frisschen wind en geniet ten volle van zee en strand en duinen, hier ook wel héél mooi, doch niet voor ieder vrij toegankelijk. Dat heeft uit een oogpunt van natuur-bescherming zijn goede zijde, want velen beseffen nog niet, dat je de bloemen moet laten staan, opdat zij, die na je komen, er ook van kunnen genieten, dat je de toch al zoo lastige konijntjes niet moet helpen bij het verbreken van het plantendek en dat je er niet de stilte moet verstoren door lawaai en de schoonheid door sinaasappelschillen of boterhampapier.

Je tippelt in een goed uurtje langs het strand van Bergen naar Egmond, het oude visschersdorp, dat zich flink ontwikkeld heeft tot badplaats, maar ondanks aardige buurtjes toch niet bogen kan op bouwkundig schoon, zooals Egmond aan den Hoef, waar verschillende mooie geveltjes de warme tinten toonen, die de eeuwen er slechts aan kunnen geven, geveltjes, die evenals het kerkje en het brokje ruïne herinneren aan het roemruchte verleden.

Nu langs den slingerenden, bloemen-gezoomden Heerenweg door ’t open veld op Castricum aan. Maar reeds vóór Bakkum trekt een lommerrijke laan tusschen vlakke landen naar de duinen toe, de Zeeweg, die pas een jaar of wat geleden geheel verhard is, al had men voordien ook door het rulle zand het pad naar zee en strand reeds weten te vinden. Dan door de duinen – al mag dat slechts met kaarten – of langs het bij eb zoo heerlijk harde strand naar Wijk aan Zee, dat zich tusschen de zandige weiden en de smalle, hooge zeeduinen heeft neegevlijd, dat van alle zijden ziet naar het zoo schoone en stemmige kerkje en de rijzige toren, die eens den visschers tot baken gediend moet hebben. Maar de laatste pinken en bommen zijn allang van het strand verdwenen, zooals ook in Egmond en Zandvoort. De visscherij heeft zich teruggetrokken naar de groote havens, die hun zware pieren vooruitsteken in zee en den strandwandelaar dwingen, een heelen omweg te maken eer hij de drukte en de bebouwing voorbij en weer in de stille verlatenheid van strand en duin verkeert.

Duinweg van Egmond aan Zee naar Egmond aan de Hoef, 1898. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

We gaan over het Noordzeekanaal en belanden zoo in het hart van het oude, luisterrijke Kinheim. Santpoort en Bloemendaal verstoppen er hun villa’s onder geurend naaldhout en de oude, statige buitenverblijven van de Amsterdamsche patriciërs van vroeger eeuwen liggen er droomend uit te kijken over ’t zonnige, wijde land van de polders, waar een dijkkruin of een als op den horizon gegroeide rechte boomenrij ’t verre zicht afsluit.

Je kunt, om naar Zandvoort te gaan, den breeden Bloemendaalschen Zeeweg nemen, maar hoeveel mooier is de tocht over de gladde kronkelwegen van Elswout en Bentveld, langs het riet-omruischte Brouwerskolkje en den ouden herberg Kraantje Lek met den wijd en zijd vermaarden hollen boom en den al even bekenden Blinkert, of langs ’t huis Elswout, dat nimmer is voltooid, al lijkt het ook zoo. Maar de gordijnen zijn op de ruiten geschilderd en tusschen de vier kale muren is alles nog zoo, als de werklui het achterlieten, toen op een triesten dag last werd gegeven, het werk te staken. En door de oude Zandvoortsche laan, waar op zomersche Zondagen ononderbroken ketens van fietsers en auto’s gaan, komen we Zandvoort binnen.

“Santfoort an de sei”, dè badplaats van de Amsterdammers en de Duitschers, van hen, die Scheveningen te “mondain” vinden en toch wel houden van wat meer vertier, dan de kleinere dorpen langs onze kust bieden. De badplaats óók van de duizenden, die een dagje naar zee gaan, die willen genieten van ’t languit luieren in ’t warme zand, van den koelen slag der golven, van zon en zee en zomer.

Heel Zandvoort leeft van de badgasten, men laat er zijn huis op bouwen, men slooft zich drie, vier zomermaanden af en leeft den langen winter stil in de aan de zeezij haast uitgestorven plaats, waar ’t felle zand over de straten waait en vele huizen dichtgespijkerd zitten. Maar tusschen alle hotels en pensions en huizen met “gemeub. kamers te huur” ligt daar een buurtje van wat smalle, doelloos bochtende straatjes, van huisjes, zoo laag, dat je aan de dakgoot kunt reiken, van zonnige binnenplaatsjes met ’n kippenhok en wat schrale plantjes en stapels gejut hout. Dat is het hart van Zandvoort, de oude kern. En je kunt er nog best een vriendelijk vrouwtje ontmoeten, dat de mooie oude kap nog niet heeft afgelegd. Maar de meeste vreemden kennen dit schilderachtige buurtje al evenmin als de duinen, die zich van achter het dorp tot bij Noordwijk uitstrekken en die toch tegen betaling van een luttel bedrag voor ieder open staan. De Schoorlsche en de Berger duinen zijn mooier, en de plantengroei heeft wel geleden van de wateronttrekking ten behoeve van Amsterdam. Maar je kunt er heerlijk dolen langs de smalle paden, die op en af gaan langs de breede hellingen, die duiken door een boschje van suizelende dennen, of een wildernis van hooge duindoorns. En je vindt er de weemoedige wulpenroep over de valleien en het gespeel van schuwe konijntjes in de schemering, den fijnen zang van een nachtegaal in de bosschen aan den binnenrand en de drukte van duizenden trekvogels, wanneer de grauwe herfstluchten komen aanschuiven van achter den zeelooper.

Het Zandvoortsestrand met visserscheepjes, 1880. Collectie Kennemerland, Noord-Hollands Archief.

Maar natuurlijk zwerf je hier in den tijd, dat de lente aan den voet der duinen heel het land tooit met den fellen, overdadigen bloesem van de crocussen en narcissen, de tulpen en hyacinthen. Dan liggen er de velden met hun sterke kleuren, het brandend rood en het droomerig paars, ’t teere geel en het sneeuwig wit en ’t lichte blauw. Dan is het er juichend-bont en zoo uitbundig feestelijk in het land langs de duinen. Dan viert Noord-Holland zijn voorjaarsfestijn onder den ijlen lentehemel.

Op “bollendag” slingeren de lange, lange rijen van met bloemenguirlandes behangen auto’s en fietsen over de wegen en komt er bij Hillegom een opstopping, als aan de Zandvoortsche Laan een verkeersagent zijn hand opsteekt. Dan staan kinderen en kooplui overal langs de wegen met hun bossen bonte bloemen. Maar mooier gezicht dan van een hoogen top van het binnenduin krijg je nergens op onze bloeiende bollenvelden.

Ook elders in ons land heeft men zich op de teelt van bloembollen toegelegd. Maar nergens is die zoo ontwikkeld, zoo hoog opgevoerd, van zoo groote beteekenis als hier op de geestgronden van Kennemerland. In normale jaren wordt voor om ende bij veertig millioen gulden aan bloembollen naar het buitenland gestuurd en duizenden menschen vinden werk in dit bedrijf, dat Nederland’s naam in de wereld een mooien klank heeft gegeven en vooral Haarlem beroemd gemaakt heeft.

Want Haarlem wordt steeds in één adem genoemd met de bloembollen. Het is het centrum, waar de groote veilingen worden gehouden en waar de Alg. Vereeniging voor Bloembollencultuur zetelt, die van groote beteekenis is; het is de oude veste, die zoo schoon zijn getorende silhouet zet boven de tulpenvelden langs de Brouwersvaart. Maar bovenal is Haarlem bloemenstad, door de fleur, die er is in alle seizoenen op de dagelijksche bloemenmarkt onder de hooge iepen van het Verwulft, door de pracht van zijn wel-onderhouden parken, ook door die groote bloemenmarkt langs de singels van de Eendjesbrug tot Wilsonplein in den lichten nacht van Vrijdag op Zaterdag voor Pinksteren, de “luilakmarkt,” waar elke “opregte” Haarlemmer een geranium of een maandroosje of een fuchsia koopt. En warme wafels of zure haring… maar dat behoort er eigenlijk niet bij.

C.G. van Tubergen’s bloembollen en zaadhandel “Zwanenburg” aan de Koninginneweg te Haarlem, ca. 1930. Collectie Kennemerland, Noord-Hollands Archief.

Het schoonst doet Haarlem zich voor aan den waterkant, het Spaarne, dat met groote bochten tusschen de iepen-berijde wallekanten gaat, dat eventjes fraai de toren van de Groote Kerk spiegelt, en dan wat rossige gevels uit den gouden eeuw, en benoorden de spoorbrug de donkere massa’s van de werkplaatsen van Figee en de fabrieken van Droste. En van het oude Haarlem, dat op zoovele plaatsen is verdrongen, leeft nog de sfeer voort aan de Nieuwe Gracht en in de hofjes, waarvan er net zooveel heeten te zijn als letters in het alfabet.

En dan niet te vergeten, het Frans Halsmuseum, ’t vroegere Oude-mannenhuis, dat zoo fraai is gerestaureerd en in de stille, lichte vertrekken rond de binnenplaats vele meesterwerken bergt. Gave brokken bouwkundig schoon vind je er telkens, maar ’t is jammer, dat behalve daar aan het Groot Heiligland nergens het oude stadsbeeld intact is gebleven, zoodat zelfs de Groote Markt, die zich strekt van den prachtigen grijzen Sint Bavo met de Vischmarkt en de Vleeschhal en de Hoofdwacht aan zijn voet tot den merkwaardig-samengestelden gevel van het stadhuis, niet meer aan alle zijden door oude gevels omgeven wordt. Maar ondanks nieuwe gebouwen in de binnenstad, ondanks ruime, moderne buitenwijken met bloemen en groen, heeft Haarlem toch weten te bewaren zijn karakter van aloude stad.’

Dit verhaal is onderdeel van het thema ‘Zwerftochten door ons land’: historische verhalen over Noord-Holland, vanuit het oogpunt van de toerist in eigen land. Bekijk hier alle verhalen binnen dit thema.