Met Jan Feith door het Gooi (1933)

Deze zomer neemt Jan Feith je mee op reis door onze provincie. Zijn historische teksten uit het album ‘Zwerftochten door ons land: Noord-Holland’ (1933) geven een beeld van zonnige duinen, drukke pleinen en pittoreske polders. Deze week: ‘Door Gooiland op stap!’

‘Zwitserland is de tuin van Europa, zoo zegt men… maar dan is ons Gooi de tuin van Amsterdam!

Sinds jaar en dag. Het was al zoo, toen er nog geen auto’s, maar wel een spoorlijn en fietsen bestonden, en onze oude Gooische Stoomtram, die destijds zooveel ongelukken op haar geweten had. Het is nòg zoo, hetgeen ik meteen bewijzen zal.

Straatweg met de Gooise Stoomtram te Laren, ca. 1900. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

In 1930 namelijk heeft Amsterdam samen met de provincie Noordholland en de zeven Gooische gemeenten een heel brok van het Gooi aangekocht: voor drie millioen gulden. Amsterdam alleen heeft de helft betaald. Om dat stuk te bewaren als “natuurreservaat”, het voor verdere bezetting met huizen te sparen. Zoo houdt men het erf om zijn huis vrij, zijn tuin.

Hoog tijd voor dezen maatregel was ’t intusschen. Want och, wat is er in een jaar of dertig niet veranderd aan dit gebied, dat nu over de honderdduizend inwoners bezit!

Uit den tijd van vóór de auto, omstreeks 1900, hebben wij zelf nog eenige herinnering. Bussum, klein deftig villa-plaatsje, en Laren en Blaricum, heelemaal stille dorpen ver weg op de heide, met oude boerenhoeven, en hooibergen overal: en er was geen dokter, geen slager en geen drogist in Blaricum, waar men soms ’s zomers logeerde – wie dit nog wel weet!

Anton Mauve, Ploegende boer op een akker buiten Blaricum, waarvan de kerktoren in de verte te zien is, 19de eeuw. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

En hoe moet nog vroeger, vóór 1874 toen de spoorlijn Amsterdam-Amersfoort gereed kwam, het eenzame Gooiland met zijn Saksische dorpen te midden van bosch en heide er uit hebben gezien? Toen de gemeenschappelijke weiden of “meenten”, waarop alle Erfgooiers, maar ook alleen zij, het gebruiksrecht hadden, nog nauwelijks door stedelingen werden gezien…

Alleen den kant uit van Hilversum, en vooral in het ’s Graveland, stonden toen al eenige statige buitens van rijke stads-bewoners. Maar de werkelijke “kolonisatie” is pas begonnen nadat de spoorweg geopend was. Aanvankelijk gingen nog alleen de zeer gegoede Amsterdammers hier buiten wonen; geleidelijk werd het forensen-wezen meer algemeen. En wat een verschil in stijl tusschen de oude, symmetrische, gesloten villa’s en de nieuwe, in alle klassen met hun vormen-rijkdom en grilligheid soms van onzen tijd!

Villa’s aan de Gooibergstraat bij de Brinklaan te Bussum, ca. 1900. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Nu van noord naar zuid het Gooiland door.

Bij Muiden, verschrompeld middeneeuwsch vesting-plaatsje, begint weer onze tocht. Een waardig begin is het Muiderslot, waar we reeds toefden. Het keurig gerestaureerde kasteel, waar Floris V nu bijna zes en een halve eeuw geleden gevangen zat, en waar in Hollands gouden tijd de Amsterdammer P. C. Hooft, tot drost en kastelein van Muiden benoemd, de fijnste geesten zijner eeuw, als Van Baerle, Vossius en Maria Tesselschade geregeld om zich heen verzamelde; ook Vondel verscheen nu en dan in dezen letterkundigen Muiderkring.

Het slot, Rijksbezit, is een model van moderne kasteel-restauratie en onderhoud. De spaarzaam geplaatste meubelen spreken juist genoeg tot onze verbeelding om den aanblik levend te houden; een rommelig of vol museum is het gelukkig niet. in verheven rust verheft zich het slot aan den rand van het water: nu nog de zee, in de toekomst maar een stuk van het IJ. Dat Muiden’s glorie de eeuwen door overeind blijve staan!

In het café-tje bij de Hakkelaarsbrug kun je kaarten koopen voor een bezoek, per bootje, aan het Naardermeer; men roeit ons er rond. De “Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten” bewaart kranig dit meertje als kostelijk heiligdom: watervogels en waterplanten zijn er, die natuurkenners in verrukking brengen. Wie tijd en lust heeft, verzuime dit niet!

Hendrik de Winter, de Amsterdamse poort te Naarden, entree tot de vesting, 1742. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Wij komen aan in Naarden. Er ligt iets weemoedigs over dit eivormige antieke stadje, dat levend verleden maar niet levendig is. Rechte straten en een gemakkelijk-overzienbare bouw; in het midden de kerk, waarbinnen in 1572 de geheele bevolking gruwzaam door de Spaansche heirbenden uitgemoord is. Licht dààrdoor dat floers van weemoed nog altijd over Naarden’s verstilde straten? Of komt het doordat dit vestingstadje, geklemd tusschen zijn wallen, zich nooit uitbreiden, nooit werkelijk leven kon?

De gemeente Naarden is wel gegroeid: buiten de wallen, naar Bussum toe waarmede zij practisch is samengegroeid. En de wallen zijn geen militaire bolwerken meer: de landsverdediging heeft al die vervaarlijke werken, ook de grachten, ophaalbruggen en kasematten, als waardeloos opgegeven, het is alles gemeente-bezit geworden. Wij mogen verwachten, dat het alles zoo blijven zal, die statige, afgeronde bolwerken in hun voorname rust: elke verandering zou hier een schending zijn.

Hendrik Spilman, Gezicht op Naarden, 18de eeuw. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Door de openingen in Naarden’s vestingwallen den weg naar Bussum op, tusschen villa’s en nog eens villa’s. Kruis bij Bussum de spoorlijn, en bezoek per fiets, per auto of te voet eerst Bussum’s oude villawijk, het statige Spiegel; daarna weer over de spoorbaan in oostelijke richting naar den Rijksstraatweg tusschen Naarden en Laren toe: via den ouden Huizerweg, die bij “de Gooische Boer”, de oude uitspanning, uitkomt, of via den breeden modernen Brediusweg. Die voert naar “Jan Tabak”, een oude herberg die nu tot modern hotel is geworden. Hier is de ingang van het Bosch van Bredius: statig en zwaar oud-domein, doch geen ongerepte natuur meer, waar de wandelaar vrij rondzwerven kan, maar een fraai boschpad, sieraad van ’t Gooi.

Ten zuiden van het Bosch van Bredius liggen de Craailoosche Bosschen, ook half-en-half villawijk nu; ten oosten, den weg op naar Huizen, het Bikbergerbosch met de hofstede Oud-Bussem en deel van het Gooische natuurreservaat. Over heide en heuvels (de Tafelberg!) langs allerlei paden en wegen, bereik je het visschersdorp Huizen, met zijn oude kleederdracht, de vrouwen met witte kappen en donkere jakken, een dracht die zich tamelijk wel nog gehandhaafd heeft. Van Huizen naar Blaricum langs den grooten weg, langs golvend terrein; Blaricum met zijn paarse heide, zijn hoeven en schaapstallen; hoevele schilders hebben, hier wonend werkend, de Gooische dreven op het doek gebracht en beroemd gemaakt?

Het “Kommetje” op de heide bij Hilversum, begin 20e eeuw. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Tusschen Blaricum en Laren de Torenlaan: Laren, het dorp aan den voet van de Laarder hoogte, de sombere beschaduwde brink met vijver in ’t midden; half en half mondain geworden sinds het hotel Hamdorff met zijn schilderijenverkoop en cabaretkunst en danszaal bezoekers uit verren omtrek te trekken weet. Van Laren naar Hilversum: langs villa’s en heide, die eenmaal… véél grooter was!

Hilversum, met reeds zestigduizend inwoners en steeds nog groeiend, is een heel merkwaardige verzameling: dorp, luxe-woonoord, fabrieksplaats, alles dooreen. Dorpsstraten met magazijnen van groote steden; arbeidersbuurtjes en oude statigheid van deftige buitenverblijven en moderne stedenbouwkundige uitbreidingen, een prachtig modern stadhuis, dat opeens de taak van het oude raadhuisje aan den Kerkbrink heeft overgenomen, zonder tusschenvorm – alles gevolg van den snellen groei sinds het einde der vorige eeuw…

Gezicht op Laren, ca. 1830-1850. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Hilversum is geen dorp en ook geen stad; je kunt wel zeggen, dat het “van alles” is in zijn uitgestrektheid. Maar mooi zijn stellig de omstreken nog: het prachtige Spaanderswoud, bezit der gemeente, ten noorden; de Baarnsche-bosschen ten oosten; het Loosdrechtsche water-eldorado en ’s Graveland ten zuiden en westen, het eerste met zijn heerlijke “plassen” en watersport, het tweede oud-achttiende-eeuwsch in zijn deftigheid – al die plaatsen liggen in een krans om het groote Hilversum heen.

Zoo zijn wij dus weer-eens door Gooiland gezworven: de oeroude heidestreek, die eens het domein van de Erfgooiers was. Het vraagstuk, hoe het middeneeuwsche instituut van het gemeenschappelijke grondbezit in moderne tijden gehandhaafd moest worden, raakt aan zijn eind: het zal door een wet ontbonden worden.

Gelukkig, dat de oude schoonheid van Gooiland althans ten deel gespaard blijven zal!’

Dit verhaal is onderdeel van het thema ‘Zwerftochten door ons land’: historische verhalen over Noord-Holland, vanuit het oogpunt van de toerist in eigen land. Bekijk hier alle verhalen binnen dit thema.

Publicatiedatum: 30/08/2019