Kraantje Lek

Veel Amsterdammers van boven de veertig zullen in het huidige restaurant Kraantje-Lek moeiteloos het pannenkoekenhuis uit hun schooltijd herkennen. Met zijn witgepleisterde gevels en roodgroene luiken lijkt het oude huis zó afkomstig uit een romantisch plaatjesboek van tekenaar Anton Pieck. Waar de wonderlijke naam van het etablissement vandaan komt is niet bekend (maar er zijn veel grapjes over gemaakt).

Gezicht op de Blinkert, bij Kraantje Lek

Gezicht op de Blinkert, bij Kraantje Lek. Beeld: Wikimedia

Gezicht op de Blinkert, bij Kraantje LekGezicht op de Blinkert, bij Kraantje Lek

De omgeving van Kraantje Lek

Voor generaties kinderen uit de wijde omgeving was Kraantje-Lek met zijn speeltuin, legendarische Holle Boom (ook wel kinderboom en wonderboom genoemd) en steile klimduin De Blinkert een populaire bestemming, vooral in schoolreisjesverband. Restaurant, speeltuin en klimduin zijn er nog steeds, maar de eeuwenoude Holle Boom, een iep, heeft in 1972 het lootje gelegd. Het onderste stuk van de stam (met zijn grote gaten waarin het fijn verstoppertje spelen was) is daarna met veel kunst- en vliegwerk overeind gehouden. In 2007 is dit natuurlijke restant door de Haarlemse beeldhouwer Kees Verkade vervangen door een 1:1 bronzen afgietsel. Daarmee is het beeld een duurzame en respectvolle herinnering aan een boom die geschiedenis heeft geschreven.

Kraantje-Lek en directe omgeving zijn vanouds door een waas van geheimzinnigheid omgeven, en dat kwam niet alleen door magische oude bomen. De plek lag ver van de bewoonde wereld en was omringd door woeste gronden. De duinen bij Haarlem werden in de zeventiende eeuw al beschreven als ‘steyle berghen’. Toen bestond Kraantje-Lek al als uitspanning, zij het in bescheidener vorm dan nu. Gelegen op de belangrijkste Noord-Zuid route langs de Kennemerse binnenduinrand was de locatie niet slecht gekozen. Deze doorgaande weg was belangrijk voor reizigers die vanuit zuidelijke richting via Haarlem op weg waren naar Amsterdam. Later werd het ook een halteplaats voor postkoetsen, een ideale plek om even wat te rusten, eten en drinken. We moeten ons bij dat alles geen overdreven voorstelling van zaken maken, de straat waar Kraantje-Lek aan ligt was tot ver in de negentiende eeuw niet meer dan een mul zandpad.

Vóór de dagjesmensen bezit namen van de plek waaraan zij een inspannend genoegen ontleenden, werd de uitspanning vooral bezocht door Zandvoortse vislopers, mannen en vrouwen die barrevoets en met de karakteristieke hoge mand (kriel genaamd) op hun rug hun handel naar Haarlem brachten en dan weer terugliepen. Zij hadden hun genoegen op de terugweg naar huis, vóórdat zij aan de ‘beklimming’ van De Blinkert begonnen. Daarbij zullen zij menig borreltje hebben genuttigd als we de gravure van Leendert Overbeek uit 1791 mogen geloven. Het pad van de vislopers liep Oost-West en stond daarmee haaks op de richting van de doorgaande straatweg. Op de plek van het pad dat zij gebruikten ligt nu ongeveer het voet- en fietspad dat door de duinen naar Zandvoort leidt.

Kraantje Lek: een bijzondere plek

Kraantje Lek: een bijzondere plekKraantje Lek: een bijzondere plek

Een holle boom

In de holle boom konden zich vroeger wel zes schoolkinderen tegelijk verbergen. Maar in een grijs verleden, zo wil het volksgeloof, moet de voorraad kinderen in de toverboom onuitputtelijk zijn geweest. Dáár haalden de Haarlemse moeders hun babies vandaan. Een van de volksvertellingen gaat als volgt: In de negentiende eeuw leefden in de omgeving twee kinderen, Ot en zijn zusje, die nog heilig geloofden in de wondere krachten van de boom. Toen hun moeder zich een keer ‘niet zo goed voelde’, gingen ze met de meid en twee tantes naar Kraantje-Lek. Bij de boom aangekomen wilden ze al die kindjes in boom wel eens zien. Otje stak als eerste zijn hoofd naar binnen, maar hij zag niets en vond het er alleen maar stinken naar vocht en rotte bladeren. Toen hij vol walging zijn hoofd uit de boom trok liep hij een schram op zijn wang op. Eenmaal thuis bleek er een nieuw kindje in de wieg te liggen. Iedereen was blij behalve Otje, die riep dat de baby hem had gekrabd. Veel later zou de bekende Haarlemse tekstschrijver Lennaert Nijgh schrijven : ‘Je komt gewoon, al vind je het gek, uit de Holle Boom bij Kraantje Lek‘.