Bijzondere (bij)namen: Kop van Noord-Holland

Noord-Holland kent veel plaatsen met bijzondere namen. Van sommige is de oorsprong snel vast te stellen, bij andere is het nodig om wat dieper te graven in het verleden. In deze serie verhalen onderzoeken we elke maand een andere regio van onze provincie, om achter de herkomst van de lokale plaatsnamen én bijnamen van de inwoners te komen. Deze maand: de Kop van Noord-Holland.

Texel

Texel stond in de vroege middeleeuwen bekend als ‘Thesla’ of ‘Texla’, wat met een ‘x’ werd uitgesproken. Het was toen nog geen eiland, dat werd het pas tijdens de Allerheiligenvloed van 1170. Hierbij ontstond het Marsdiep, de vaargeul die Texel scheidt van de rest van Noord-Holland. De naam van het eiland is echter al veel ouder en wordt vaak in verband gebracht met het Germaanse woord ‘teksla’ en het Latijnse ‘dexter’, dat beide ‘rechts’ betekent. Oftewel, land dat aan de rechterkant ligt voor binnenvarende zeelui. Dit in tegenstelling tot ‘Uxalia’, de oude benaming voor Terschelling, dat ‘land aan de linkerkant’ zou betekenen. De naam was dus simpelweg een vroeg navigatiemiddel voor zeelieden. Ook de bijnaam voor eilanders houdt verband met de zee, die op Texel nooit ver weg is. Door mensen van het vasteland worden ze namelijk ‘kwallen’ genoemd.

Maar natuurlijk hebben ook de inwoners van de verschillende plaatsen op het eiland bijnamen voor elkaar. Meer dan je in enig andere Noord-Hollandse plaats tegenkomt, mag wel gezegd worden. Zo worden mensen uit Den Burg ‘sketetrekkers’ of ‘stieketrekkers’ genoemd en kennen inwoners van Oudeschild zelfs drie verschillende bijnamen: ‘plompers’, ‘koekfreters’ en het eigenaardige ‘bokke’. Mensen uit Den Hoorn staan bekend als ‘stienêpikkers’ of ‘kruuskonte’ en inwoners van De Koog als ‘sondbüke’, ‘helmskijters’, ‘dünkniene’ en ‘skróóte’. Cocksdorpers hebben slechts één bijnaam: ‘fingerbieters’, maar inwoners van het centraal gelegen De Waal alweer twee: ‘stoepskijters’ en ‘krente’. Afsluitend staan eilanders uit Oosterend bekend als ‘gortbüke’ of ‘kwatters’. De herkomst van sommige bijnamen laat zich raden, andere zijn alleen bekend binnen de eilandgemeenschap.

Detail van zeekaart van ‘De Tesselstroom met de gaten van ’t Marsdiep’, 1623. Collectie Provinciale Atlas Noord-Holland, Noord-Hollands Archief.

Den Helder

Lang bestond het volksgeloof dat de plaatsnaam Den Helder afkomstig zou zijn van ‘Helsdeur’ (deur naar de hel), verwijzend naar het gevaarlijke zeegat tussen Den Helder en Texel. Dat is echter niet waar. Een oude kaart uit 1577 werpt licht op de zaak. Hier wordt de Noord-Hollandse plaats omschreven als ‘die Helderbuyert’, oftewel ‘buurtschap gelegen op een helde of helling’. De Germaanse woorden ‘hel’ en ‘hil’ werden vroeger namelijk gebruikt voor ‘heuvel’. Die betekenis is nog terug te zien in het Engelse woord ‘hill’. Heel tegenstrijdig betekende ‘helle’ in het Middelnederlands juist weer ‘laag gelegen land’. De inwoners van de marinestad kennen maar liefst vier verschillende bijnamen. Zo staan ze bekend als ‘jutters’, verwijzend naar het beroep van strandjutter en ‘nieuwdiepers’, afkomstig van het Nieuwediep, dat vroeger een diepe vaargeul was, maar tegenwoordig een afgesloten stuk water. Maar ook als ‘traanbokken’, waar wellicht een relatie met de verwerking van walvistraan te bespeuren valt, en ‘kraaien’, een bijnaam die ze grappig genoeg delen met de inwoners van de Gooise plaats Naarden.

Detail van oude kaart van Den Helder, met links het Nieuwediep en onder het Marsdiep, 1577. Collectie Provinciale Atlas Noord-Holland, Noord-Hollands Archief.

Schagen

Het is misschien moeilijk te geloven dat Schagen (uitspraak: ‘Ska-ge’), tegenwoordig omringd door weiland, ooit een wildernis van moeras, struiken en kreupelhout was. Maar dat is wel waar de herkomst van de plaatsnaam op lijkt te wijzen. In de middeleeuwen stond Schagen onder meer bekend als ‘Scagon’ en ‘Scagan’ en dat lijkt behoorlijk op het Germaanse ‘scaga’ of ‘scage’, dat ‘moerasbos’ betekent. Ook in het Oudnederlands kennen we dit woord: ‘scaga’ (‘bosje’). Het is dus aannemelijk dat de plaatsnaam afkomstig is van de ligging in een dergelijk wild gebied. Toch is er misschien ook een relatie met het Noorse ‘skagi’, dat terug te zien is in het Nederlandse woord ‘scheg’ of zelfs het Westfriese ‘skeg’. Dit betekent ‘spitse neus of kin’ en zou in deze context gebruikt worden om een vooruitstekende landtong aan te duiden. Wie zal het zeggen. De bijnaam van de inwoners van Schagen heeft in ieder geval niets te maken met de begroeiing. Schagenaars staan namelijk bekend als ‘roodjes’. Zou die bijnaam afkomstig zijn van het roodgouden gemeentewapen van Schagen of wellicht de politieke voorkeur van de Schagenaars?

Plattegrond van Schagen en omgeving met linksonder een tekening van het Schager Slot, 1632. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

Callantsoog

Het gebied van Callantsoog was vroeger een eiland, het middelste in een rij van drie eilanden tussen Petten en het Marsdiep. Op oude kaarten heet het eiland simpelweg ‘’t Oghe’ of ‘Oech’, wat ‘eiland’ betekent. Op het eiland lag het dorp ‘Callinghe’, de heem (woonstee) van een zekere Kalle. Kalle was een Friese naam en in de Friese uitspraak werd Callinghe tot ‘Callens’ vervormd. Hier is de huidige vorm ‘Callants’ van afgeleid. In 1552 werd het eiland voor het eerst met het vasteland verbonden door de Zijperzeedijk naar Petten. De tweede Allerheiligenvloed van 1570 slokte het dorp Callinghe echter in de golven op. De bouw van het huidige dorp volgde kort daarna, tezamen met allerlei bedijkingen om het gebied tegen het water te beschermen. De Zijpepolder (1597), het gebied tussen Schagen en Callantsoog, was de eerste grote droogmakerij van Noord-Holland.

Kaart van Callantsoog met de Zijpepolder, 1618. Bijzondere Collecties, Universiteitsbibliotheek Leiden.

Anna Paulowna

Anna Paulowna (uitspraak: ‘Anne Plo’na’) kent niet zo’n lange geschiedenis als veel andere plaatsen in de Kop van Noord-Holland. Het dorp bestaat pas sinds de negentiende eeuw en dat is aan de naam terug te zien. De plaats en omliggende polder zijn genoemd naar Anna Paulowna van Rusland (1795-1865), dochter van tsaar Paul I en echtgenote van koning Willem II. De Anna Paulownapolder viel in 1847 droog en werd in de begindagen alleen bewoond door Gelderse kolonisten. Het was voor hen ploeteren en pionieren op de zilte zandgrond. Van een plaats met zo’n koninklijke naam zou je toch anders verwachten.

Kaart van Noord-Holland met de nieuwe Anna Paulownapolder, 1847. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

Wieringen

Eeuwenlang stak Wieringen (uitspraak: ‘Wie’ring’) als eiland boven de golven van de Zuiderzee uit. Aan de oudste bekende vorm van de naam, ‘Wiron’ uit de vroege middeleeuwen, is terug te zien dat het om een hoogte of heuvel in het landschap gaat. De bewoners van deze hoogten werden de ‘Wiringia’ of ‘Wieringen’ genoemd, waar het voormalige eiland zijn naam aan ontleend. Pas in 1930 werd Wieringen met het vasteland verbonden door de enorme Wieringermeerpolder (1930), het sluitstuk van het landwinningsoffensief in de regio. De polder, die door de inwoners meestal kortweg ‘De Meer’ wordt genoemd, is ontstaan door drooglegging van het Wieringer Meer tussen Wieringen en de noordkust van West-Friesland. De grootste plaats op Wieringen is Hippolytushoef, dat waarschijnlijk genoemd is naar St. Hippolythus (gestorven in 258), beschermheilige van de kerk ter plaatse.

De Wieringers kennen verschillende bijnamen, waaronder ‘biggen’ en ‘kraaien’. Maar ook ‘skepe’ (schapen) en ‘tulen’ (broodjes) in plaatselijk dialect. Wieringer tulen zijn platte, blokvormige broodjes met ham, die vroeger door de kerk uitgedeeld werden tijdens de kermis. Het kwam vaker voor dat inwoners naar een lokale lekkernij genoemd werden (denk aan Alkmaarse kaaskoppen of Weesper moppen) en dat was op Wieringen blijkbaar niet anders.

Detail van kaart van Noord-Holland, vanaf de Noordzee gezien, 1565-1575. Centraal ligt het eiland ‘Wieringe’. Collectie Provinciale Atlas Noord-Holland, Noord-Hollands Archief.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

Publicatiedatum: 08/11/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

2 reacties
  • Marieke Roos schreef:

    Geachte mevrouw Sarah Remmerts de Vries,

    Uw stukje over Wieringen vraagt om een kleine uitbreiding.
    ‘kraaoien’ zijn de inwoners van Hippolytushoef. ‘Kokkers’ zijn de inwoners van Den Oever.
    Mensen uit Westerland woonden aan het ‘Skarele end’.
    Skepe en tulen zijn gewone Wieringer namen. Tulen at men éénmaal per jaar, nl. na de kerkdienst op de zondag van de kermis. Dit heeft een eigen historie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.