Gelderse kolonisten in de Anna Paulownapolder

De eerste inwoners van de Anna Paulownapolder waren boeren uit Gelderland. Ze kwamen af op de belofte van een eigen stukje vruchtbaar land om gewassen te verbouwen. Huis en haard lieten de landverhuizers achter voor een petieterig arbeiderswoninkje op zilte zandgrond, waar niets wilde groeien. Het was pionieren met een hoofdletter P.

Het is nu misschien moeilijk te geloven als je door het groene landschap boven Schagen wandelt, maar haast de gehele Kop van Noord-Holland was vroeger water. Een getijdengebied, waar de Zuiderzee vrij spel had. Huisduinen, Callantsoog en Wieringen waren aan het einde van de middeleeuwen eilanden omringd door een woeste zee. Daar kwam pas verandering in tijdens de grote inpolderingen van de zeventiende eeuw. De Zijpepolder (1597), het gebied tussen Schagen en Callantsoog, was de eerste grote droogmakerij van Noord-Holland. Enkele jaren later volgde de aangrenzende Wieringerwaard (1610). Daarmee was al een groot deel van de Noordkop op het water gewonnen.

Verdere inpolderingen van het gebied lieten tot de negentiende eeuw op zich wachten. De landaanwinning had zo’n twee eeuwen stilgelegen, totdat de snelle stijging in prijs van landbouw- en zuivelproducten het na 1840 weer lonend maakte om te investeren in droogmakerijen. De Wieringerwaard kreeg nieuwe buren in de Waard- en Groetpolder (1844) en onder het eiland Wieringen werd de polder Waard-Nieuwland (1846) aangelegd. Maar daarmee zag de Noordkop er nog niet zo uit als vandaag de dag. In dit plaatje misten nog twee polders: de Anna Paulownapolder (1846) en de enorme Wieringermeerpolder (1930), het sluitstuk van het landwinningsoffensief.

Kaart van Noord-Holland met de nieuwe Anna Paulownapolder, 1847. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

Pompen op stoomkracht

Tweemaal moest het Haarlemse bankiershuis Geerligs, Oudhoff en Co koning Willem II verzoeken om de natte kwelders van de huidige Anna Paulownapolder te mogen bedijken. Er werd een speciale Maatschappij tot Indijking van de Anna Paulownapolder opgericht, met de Amsterdamse waterbouwkundige J.C. de Leeuw aan het hoofd. De Leeuw nam zijn taak uiterst serieus en liet zelfs een modern stoomgemaal voor de grote klus bouwen, het eerste permanente stoomgemaal in Holland ten noorden van het IJ. Deze zou samen met windmolens de polder droogmalen.

Het nieuwe stoomgemaal viel echter vies tegen. De beloofde 100 kubieke meter waterverzet per minuut werd niet gehaald en er waren voortdurend allerlei technische mankementen. Hierdoor liep het project vertraging op. Pas begin mei 1846 liep alles gesmeerd en kwam het pompen goed op gang. In de zomer waren ook de dijken gereed, met de hand gebouwd door polderjongens. Het nieuwe land dat langzaam verrees uit de nattigheid werd genoemd naar Anna Paulowna van Rusland, de echtgenote van koning Willem II. En het stoomgemaal, dat in 1913 verbouwd is tot een motorgemaal, naar directeur de Leeuw. Het is nog altijd, in verkleinde vorm, te bewonderen bij het dorp Van Ewijcksluis, op de rand van de Waddenzee en het Amstelmeer.

De Anna Paulownapolder bij het Amstelmeer. Foto: Sarah Remmerts de Vries.

Pioniers uit de Betuwe

Aan de Molenvaart bij Breezand werden 34 arbeidershuisjes gebouwd, maar het bleek niet makkelijk om daar bewoners voor te vinden. Totdat Ottho Gerhard Heldring, predikant in de Betuwe, een oproep in de krant plaatste. De inwoners van zijn dorp Hemmen waren door een uitbraak van de aardappelziekte tot armoede vervallen en Heldring had de oplossing: armlastige gezinnen verhuizen naar een plek waar wel werkgelegenheid was. Jonkheer Van Foreest, een van de geldschieters van de Anna Paulownapolder, las zijn oproep en nam direct contact op met Heldring. Er werden 25 gezinnen geselecteerd en door Heldring persoonlijk naar de nieuwe polder begeleid.

Al snel volgden meer kolonisten, zodat er in 1847 maar liefst veertig Gelderse gezinnen in het noorden woonden. Elk gezin kreeg een kleine arbeiderswoning en ongeveer twee hectare grond. Daarvoor betaalden ze een pachtprijs van 39 gulden per jaar. De arbeidershuisjes langs de Molenvaart kregen de bijnaam ‘Geldersche buurt’. Dat klinkt heel gezellig, maar in realiteit was het een hard en onvoorspelbaar bestaan op de kale zandvlakte. Door de zilte bodem wilde er maar weinig groeien en nog voor het eind van het jaar vertrokken zeven gezinnen alweer teleurgesteld terug naar huis.

De andere kolonisten wilden hen achternagaan, maar hadden onvoldoende middelen om de terugreis te bekostigen. Hen stond een zware winter te wachten. De teelt van aardappelen, haver, gerst en rogge bracht zelfs te weinig op om de bescheiden huur te kunnen betalen. Het was dan ook een hele opluchting toen de pioniers ontdekten dat schapen goed te houden zijn op de zilte grond, omdat ze graag zeeplanten eten. Ook de komst van kunstmest rond 1890 bracht wat verlichting. Maar er braken pas echt betere tijden aan dankzij de bloembollenteelt, waar de boeren zich rond 1910-1915 op toelegden. Aangetrokken door de nieuwe werkgelegenheid vestigden zich in de jaren twintig en dertig zelfs nieuwe kolonisten in de Anna Paulownapolder.

Het Gelderse Huisje, de laatste overgebleven arbeiderswoning van de kolonisten uit de Betuwe, op Landgoed Hoenderdaell. Foto: Sarah Remmerts de Vries.

Het laatste Gelderse Huisje

Slechts één van de oorspronkelijke arbeiderswoningen van de Gelderse pioniers heeft de tand des tijds doorstaan. Tot behoud van dit huisje is in 2002 Stichting Ons Erfgoed Het Gelderse Huisje opgericht, die ervoor gezorgd heeft dat het huisje overgeplaatst werd naar Landgoed Hoenderdaell. Hier staat het nog steeds, als monument voor de eerste kolonisten van de Anna Paulownapolder. Op het erf naast het huisje staan een kleine schuur voor landbouwwerktuigen en een houten kakhuis. Wandelaars kunnen hier op mooie dagen even op een bankje uitrusten en mijmeren over vroeger – of juist genieten van het huidige uitzicht over het water van het Lage Oude Veer.

Landgoed Hoenderdaell bestaat uit een dierenpark en een uitgestrekt natuurgebied. Het Gelderse Huisje ligt op de rand tussen de twee parken. Achter het huisje strekt zich het polderland uit, waar de natuur vrijuit haar gang kan gaan. Het natuurgebied is een walhalla voor vogelspotters. Zo kun je, als je goed oplet, een bruine kiekendief of een ijsvogel zien overvliegen. Maar ook edelherten, emoes, nandoes en Schotse Hooglanders lopen er vrij rond. Enkele jaren geleden werd er zelfs een zeldzame muggenorchis (orchidee) aangetroffen in het stiltegebied, die elke zomer in bloei staat en vlinders aantrekt. En middenin de natuur kom je ook nog eens twee enorme kunstwerken van de plaatselijke kunstenares Ank van der Horst tegen. De Gelderse kolonisten zouden eens moeten weten hoe de dorre zandvlakte tot leven is gekomen.

Interieur van het Gelderse Huisje op Landgoed Hoenderdaell. Foto: Sarah Remmerts de Vries.

Tekst en foto’s: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

Publicatiedatum: 19/08/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

2 reacties

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.