Bijzondere (bij)namen: Kennemerland en IJmond

Noord-Holland kent veel plaatsen met bijzondere namen. Van sommige is de oorsprong snel vast te stellen, bij andere is het nodig om wat dieper te graven in het verleden. In deze serie verhalen onderzoeken we elke maand een andere regio van onze provincie, om achter de herkomst van de lokale plaatsnamen én bijnamen van de inwoners te komen. Deze maand: Kennemerland en IJmond.

Book 7 min

Haarlem

De naam Haarlem wordt voor het eerst genoemd in een goederenlijst van de Utrechtse Sint Maartenskerk uit de eerste helft van de tiende eeuw. Hierop wordt melding gemaakt van drie boerderijen die de kerk bezat in het gebied van het huidige Haarlem. De hierin gebruikte vorm ‘Haralem’ toont aan dat de plaatsnaam een samenstelling is van de woorden ‘haru’ (zandgrond of zandrug), ‘lo’ (bos) en ‘haima’ (heem, oftewel nederzetting). Haarlem betekent dus letterlijk een nederzetting op een zandrug in de buurt van het bos. Vanwege deze gunstige ligging op de strandwal bij het Spaarne ontwikkelde Haarlem zich in de twaalfde en dertiende eeuw tot een bloeiende nederzetting, die in 1245 stadsrechten ontving van graaf Willem II.

Aan haar ligging ontleend Haarlem ook de bijnaam ‘Spaarnestad’. En bij het water vind je insecten. Zo staan de inwoners van onze provinciehoofdstad niet voor niets al eeuwenlang bekend als ‘muggen’. Die waren immers veel in het moerassige gebied te vinden. De bijnaam werd aanvankelijk als scheldwoord gebruikt, maar inmiddels dragen de Haarlemmers hem als eretitel. Er bestaan echter ook allerlei boeiende volksverhalen over het ontstaan van deze bijnaam. Zo zouden drie Haarlemmers, die tijdens het Beleg van Haarlem (1572) in het vijandelijke kamp gesnapt werden, vergeleken zijn met muggen die een reus wilden steken. Een andere anekdote vertelt hoe de Haarlemmers op een zomeravond een grote wolk dansende muggen boven de Bavokerk voor rook aanzagen. Ze probeerden vlug de ‘brand’ te blussen, totdat een jongen ontdekte dat het om muggen ging. Uiteraard ging het verhaal over deze gênante blunder snel rond in de regio. Tot slot staat Haarlem ook wel bekend als ‘Hofjesstad’, vanwege de vele eeuwenoude woonhofjes.

Kaart van Haarlem door J. van Deventer, ca. 1550-1570. Collectie Provinciale Atlas Noord-Holland, Noord-Hollands Archief.

Zandvoort

De statige badplaats Zandvoort, waar onder meer keizerin Sissi van Oostenrijk-Hongarije graag kwam, was waarschijnlijk rond het jaar 1100 al een bekende plek. Maar pas in 1304 wordt de plaats voor het eerst in een historisch document genoemd. In dat jaar landde Witte van Haamstede, een bastaardzoon van graaf Floris V, bij Zandvoort. Hij was destijds verwikkeld in een oorlog met de Vlamingen, die Haarlem bedreigden. De oude naamsvormen ‘Santfort’ en ‘Sandevoerde’ bevatten allebei al de uitgang ‘-voort’ of ‘-voorde’, wat in het Oudnederlands zoveel betekent als een plek waar men ergens door of overheen kan gaan. Met ‘zand’ ervoor is dat dus een doorwaadbare plaats of weg door de duinen, waardoor men gemakkelijk het strand kan bereiken.

Zandvoort, dat wel eens liefkozend ‘Zandje’ genoemd wordt, is de afgelopen jaren door marketingbureaus steeds meer bekend komen te staan als ‘Amsterdam aan Zee’ of ‘Amsterdam Beach’. Een bijnaam waar de meeste inwoners van de badplaats een haat-liefdeverhouding mee hebben. Want Zandvoort hóórt niet bij de hoofdstad, die altijd maar alles om zich heen opslokt, maar de toeristen die via Amsterdam de badplaats bezoeken, brengen wél een aardige duit in het laatje.

Kaart van de grensscheidingen tussen de heerlijkheden Zandvoort, Overveen, Vogelenzang en Bloemendaal en de vrijheid van Haarlem, ca. 1723-1771. Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Bloemendaal

Bloemendaal is een samenvoeging van drie dorpen, die sinds de veertiende eeuw aan de heren van Brederode toe behoorden: Tetterode (Overveen), Aelbertsberg (Bloemendaal) en Vogelenzang. In de naam ‘Tetterode’ wijst de uitgang ‘rode’ op het rooien van het grote bos dat zich ooit uitstrekte tussen Den Haag en Santpoort. ‘Aelbertsberg’ en ‘Vogelenzang’ ontlenen hun naam aan twee kastelen die er ooit stonden. De Aelbertsberg was een jachtslot van graaf Floris II, die rond 1100 gebouwd werd. Hij en zijn vrouw waren grote vereerders van Adalbert, een van de metgezellen van de christelijke missionaris Willibrord, dus het is niet gek dat het slot naar hem vernoemd is. Het jachtslot Huis te Vogelenzang is in de dertiende eeuw gesticht door graaf Floris V van Holland. Pas toen na de Bataafse Revolutie (1795) alle bestuursvormen op de schop gingen, werd de naam ‘Aelbertsberg’ vervangen door het toentertijd modieuze ‘Bloemendaal’. Van de inwoners van deze nette plaats met haar vele buitenhuizen zijn geen bijnamen bekend.

Kaart van Velsen en Bloemendaal, hier nog Aelbertsberg genoemd, 1732. Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Heemstede en Heemskerk

De plaatsnamen Heemstede en Heemskerk (uitspraak: Heemscherk) mogen op het eerste gezicht dan op elkaar lijken, hun oorsprong is toch echt anders. ‘Hemstede’, zoals Heemstede rond het jaar 1000 bekend stond, is te vergelijken met het Oudengelse ‘ham(p)stead’ of het Nieuwengelse ‘homestead’, wat beide ‘hofstede’ (boerderij of landhuis) betekent. Oude vormen van Heemskerk, onder meer ‘Hemezenkyricha’ (1063) en ‘Hemecekyrike’ (ca. 1100), zijn haast onherkenbaar. Hoewel we niet zeker weten wat ‘Hemezen’ betekent, zou het wellicht een Germaanse plaatsnaam kunnen zijn, samengevoegd met het woord ‘kerk’. Archeologen hebben vastgesteld dat de strandwal waarop Heemskerk ligt al vanaf de ijzertijd (600 v.Chr.-500 na Chr.) bewoond moet zijn geweest.

Van Heemstede zijn geen bijnamen bekend, maar van Heemskerk des te meer. Zo staan de inwoners van Heemskerk bekend als ‘bekkesnijders’, ‘messestekers’, ‘gortzakken’, ‘zandkraaien’ (zinspelend op de zandgrond waarop het dorp gebouwd is) en ‘ezels’. Deze laatste bijnaam heeft niets te maken met de vermeende intelligentie van de dorpelingen, maar wel met de halsstarrigheid. De bijnaam is ontstaan tijdens een raadsvergadering in 1873, waarin de toenmalige burgemeester, Hermanus Zaalberg, de Heemskerkers met ezels vergeleek. Hij irriteerde zich mateloos aan de koppige houding van de dorpelingen, die alle moderniseringen in de gemeente tegenhielden. Een krantenbericht over de raadsvergadering printte de ongelukkige uitspraak vervolgens in de kop: ‘Burgemeester noemt burgers “EZELS”. Heemskerkers: gierig en bekrompen’.

Kaart van de ‘Heerlykheyt Heemskerck’, 1760. Beeldcollectie van de gemeente Haarlem, Noord-Hollands Archief.

Velsen

Velsen stond in de middeleeuwen bekend als ‘Velison’, ‘Vellesan’, ‘Velesan’ en ‘Vellesen’. Het dorp wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde van omstreeks het jaar 720 waarin Karel Martel, de grootvader van Karel de Grote, zeven boerderijen schonk aan Willibrordus. Kennemerland, de streek waarin Velsen ligt, wordt in de oorkonde aangeduid als ‘Kinnehim’. Pas in 1112 komen we voor het eerst de huidige naam ‘Velsen’ tegen. Het is aannemelijk dat de plaatsnaam teruggaat op de naam van een waterloop. De middeleeuwse naam ‘Felison’ zou namelijk een samenstelling kunnen zijn van de woorden ‘fel’ (vaal of bruin) en de uitgang ‘isa’ (water), zodat Velsen genoemd zou zijn naar een vale of bruine waterloop. Ook zou er een connectie kunnen zijn met het Duitse woord ‘fels’, dat rots of berg betekent. In dat geval zou de plaatsnaam kunnen duiden op een nederzetting bij de duinen.

Net als de inwoners van Haarlem kennen Velsenaren de bijnaam ‘muggen’. Ook dat zou wellicht verklaard kunnen worden door de nabijheid van water. Na de aanleg van het Noordzeekanaal in de negentiende eeuw ligt Velsen bovendien nog dichter aan het water dan ooit tevoren. Het dorp werd hierdoor in een noordelijk en een zuidelijk deel opgesplitst.

Vogelvlucht gezicht op Kennemerland en het Noordzeekanaal met Velsen, ca. 1865-1900. Beeldcollectie van de gemeente Velsen, Noord-Hollands Archief.

Beverwijk

Woonden er daadwerkelijk bevers in Beverwijk? Het lijkt er wel op. De plek droeg rond het jaar 900 waarschijnlijk de naam ‘Beuerhem’ of ‘Beuorhem’, wat te vertalen is als ‘plaats waar bevers huizen’. Pas in de twaalfde of dertiende eeuw is Beverwijk als kleine handelsnederzetting ontstaan aan het Wijkermeer. De plaats stond toen bekend als ‘Wijc’ of ‘Beverwijc’, waarin het element ‘wijk’ duidt op een woon- of verblijfplaats. Het lag zo’n halve kilometer ten zuidwesten van het oude kerkdorpje ‘Agathenkyrica’ of ‘Agathenkerk’, genoemd naar de heilige Agatha. Daarom is ook Sint Aagtenkerke of Sint Aagtendorpe een oude benaming voor Beverwijk en de nabijgelegen buurtschap. Zo kent men er tegenwoordig nog steeds de Sint Aagtendijk, naast een natuurgebied en fort met dezelfde naam.

Beverwijkers staan van oudsher bekend als ‘klapbessen’ en vooral ‘aardbeien’. De vruchtbare gronden die overbleven na de drooglegging van de nabijgelegen Wijkermeerpolder waren namelijk uitermate geschikt voor de teelt van aardbeien. Steeds meer ‘Wijker boertjes’ gingen zich in de zeventiende eeuw dan ook toeleggen op het verbouwen van dit smakelijke gewas. Hierdoor werd Beverwijk al gauw de stad van de aardbeien, die aanvankelijk vooral in Amsterdam, maar later zelfs tot over de grens in Duitsland uitgevent werden. Inwoners van Wijk aan Zee, de badplaats van Beverwijk, moeten het doen met de minder flatteuze bijnamen ‘schelvissen’ en ‘vingerbijters’. Ook staan ze wel bekend als ‘strandjutters’, een naam die ze delen met de inwoners van andere kustplaatsen.

Beverwijk aan het Wijkermeer, 1649. Collectie Provinciale Atlas Noord-Holland, Noord-Hollands Archief.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

Publicatiedatum: 03/03/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

1 reactie
  • Dick Bais schreef:

    Over de plaatsnamen: Zandvoorters hebben de bijnaam scharrekoppen. Daarnaast zijn er in Zandvoort nog veel bijnamen. Er waren veel mensen met dezelfde achternaam, vandaar.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN