Het Hofje van Staats en de Haarlemse textielindustrie

In de Haarlemse textielindustrie viel in de zeventiende eeuw veel geld te verdienen. Koopman IJsbrand Staats bouwde een enorm vermogen op met de handel in stoffen en garen. Hiermee kon hij in 1730 een hofje voor oudere vrouwen stichten aan de Jansweg.

Haarlem was vroeger een echte textielstad. In de zeventiende eeuw was de textielnijverheid de op één na grootste industrie van de stad, na de bierbrouwerij. Tot 1650 vonden duizenden mensen een bestaan in de linnenweverij. Haarlem stond bekend om haar bonte lijnwaden (linnengoed), die tot in Brabant nagemaakt werden. Maar ook het hoogwaardige boeklinnen, damast en Haarlems bont gaven de Hollandse textielstad haar goede naam.

Door de ligging van Haarlem in de buurt van de duinen kende de stad ook een groot aantal blekerijen. Deze industrie maakte gebruik van het schone duinwater voor het bleken van linnen. Velden vol met oogverblindende witte stoffen verlevendigden het landschap voor voorbijgangers. Om over de penetrante chemische lucht nog maar te zwijgen. In de tweede helft van de zeventiende eeuw liep de Haarlemse textielindustrie terug en raakte de linnenweverij in verval. Plekken zoals de Wolstraat en de Korte en Lange Lakenstraat herinneren nog aan het textielverleden van de stad.

Voorgevel van het Hofje van Staats aan de Jansweg. Foto: Redactie Oneindig Noord-Holland.

Weldadige hofjes

Haarlem is ook een echte hofjesstad. Veel vermogende Haarlemmers stichtten in de zeventiende en achttiende eeuw hofjes voor de ouderen en minder bedeelden. Aan de Jansweg 39, vlak naast het station, ligt één van de grootste hofjes van de stad: het Hofje van Staats. Dit hofje werd in 1730 gesticht uit de erfenis van de welgestelde Haarlemse ‘coopman en gaarentwijnder’ IJsbrand Staats (1663-1729). Uit de verkoop van zijn garenrederij werd grond aangekocht voor de bouw van het hofje. Cornelis Staats, de broer van IJsbrand, legde de eerste steen.

In 1731 kwam het hofje gereed. De dertig woningen, gebouwd rondom een grote binnentuin, waren bestemd voor alleenstaande protestantse vrouwen en weduwen van 50 jaar en ouder. In het hoofdgebouw, een imposant patriciërshuis met op de gevel het wapen van de familie Staats, woonde de opzichter(es). Door de regenten van het hofje werd kosteloos voorzien in het levensonderhoud van de bewoonsters. Zo kregen ze een toelage, levensmiddelen, brandstof en medische verzorging. De bewoonsters konden begraven worden in de Janskerk, even verderop in de Jansstraat. Dit staaltje Haarlemse liefdadigheid hadden de bewoonsters te danken aan Staats’ inkomsten uit de textielhandel.

Binnentuin van het Hofje van Staats met links de ingang van het hoofdgebouw. Foto: Redactie Oneindig Noord-Holland.

Haarlems bont

Sommige Haarlemse textielhandelaren leverden destijds ook katoen en linnen aan plantage-eigenaren in de overzeese koloniën. De grootschalige textielexport vanuit Haarlem maakte dat hun stoffen in Suriname bekend kwamen te staan als Haarlems bont of Haarlemmer bont. Ter plaatse werd het ook wel salempoeris of salemporis genoemd, naar de plaats Salempore in het toenmalige Brits-Indië, waar het eveneens geproduceerd zou zijn. Het was een grof geweven stof van witblauw gestreept of geblokt linnen, die door slaven op Nederlandse en Britse plantages gebruikt werd om kleding van te maken.

Teenstra omschreef de stof in 1835 als volgt: ‘Ik meen, dat dit blaauwe lijnwaad, dat de Caraïbische mannen en vrouwen dragen, salempoeris heet, en uitsluitend voor deze kolonie te Haarlem vervaardigd wordt’. Maar de stof was meer dan alleen kleding: ‘Bij ziekte bezigen zij [bijgelovige ‘kleurlingen’] een stuk salempoeris (Haarlems bont) (…) en binden het om de enkels, als een afleidingsmiddel der ziekte.’

Straatscène in Suriname. Links is een winkel van een detailhandelaar te zien, die kleding en stoffen verkoopt aan inheemse indianen. Rechts een naaiatelier, waar een man opgemeten wordt voor nieuwe kleren. De naaiateliers werden soms gerund door slaven die weer andere slaven voor zich lieten werken. Tekening van Pierre Jacques Benoit uit omstreeks 1830. Via slavernijenjij.nl.

Van linnen gewaad tot kotomisi

Slaven kregen meestal één keer per jaar spullen uitgedeeld, waaronder kammen, scheermessen en lappen Haarlems bont om zelf kleding van te maken. De vrouwen wikkelden de stof om hun middel, net als ze gewend waren in West-Afrika te doen. De borsten bleven onbedekt en de voeten bloot, want schoenen dragen was verboden voor slaven. Slavinnen waar de plantage-eigenaar erg op gesteld was, vaak vanwege het verboden maar toch veelvoorkomende (gedwongen) seksuele contact, kregen meer en duurdere stoffen. Hierdoor waren er onderlinge statusverschillen te zien tussen de slavinnen.

Uit de kleding op de plantages ontstond later de kotomisi. Volgens de overlevering is de dracht bedacht door jaloerse meesteressen, die hun huisslavinnen zo onaantrekkelijk mogelijk wilden kleden voor hun man en tegelijkertijd de rijke stoffen van hun slavinnen wilden tonen aan andere meesteressen. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 is de kotomisi-dracht steeds fraaier en grootser geworden. Rond 1900 was het de normale daagse kleding voor Surinaamse vrouwen. In de twintigste eeuw is de kotomisi lange tijd minder populair geweest, maar tegenwoordig wordt de uitbundige dracht weer vaker gezien op feestelijke gelegenheden, als symbool van Surinaamse trots.

Jacob Marius Adriaan Martini van Geffen, ‘Esclave allant à l’Eglise’ (‘Slavin op weg naar de kerk’), ca. 1850-1860. De vrouw op de tekening draagt nog wel de typische witblauwe kleuren van het Haarlems bont, maar haar kleding lijkt al veel meer op de traditionele kotomisi-dracht. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Tekst: Redactie Oneindig Noord-Holland
Omslagfoto: Binnentuin van het Hofje van Staats. Foto: Redactie Oneindig Noord-Holland.

Bronnen:

  • René van Stekelenborg, ‘Sporen van slavernij in Haarlem. Wandeltocht: Hoezo Haarlem en slavernij?’, Haerlems Bodem (5 juli 2021).
  • H. Kurtz, Beknopte geschiedenis van Haarlem (1942). Uitgave van de Vereeniging Haerlem en de erven F. Bohn N.V.
  • Geschiedenislokaal 023: IJsbrand Staats, Hofjes van Staats en Noblet en boedelinventaris van IJsbrand Staats.
  • Hofjes in Haarlem: Hofje van Staats.
  • J. van Donselaar, Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Uitgave van het Meertens Instituut en de Nederlandse Taalunie.
  • Slavernij en jij: Kleding voor slaven.
  • Cora Hollema, Het geheim van de Kotomisi (1986). Uitgave van het Museon.

Publicatiedatum: 02/08/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.