Stemmig in het zwart: Rouwkleding in Noord-Holland

Wanneer er iemand overlijdt, breekt voor de nabestaanden een periode van rouw aan. Tegenwoordig neemt men vaak samen afscheid van de overledene tijdens een uitvaart, maar is het rouwproces daarna meestal een privéaangelegenheid. Vroeger was dat anders en kon je vaak in één oogopslag zien dat iemand ‘in de rouw’ was. Strenge etiquetteregels schreven tot in de 20e eeuw voor dat men na een overlijden tijdelijk speciale rouwkleding moest dragen om de overleden persoon zijn laatste eer te betuigen.

Zware, halve en lichte rouw

Binnen de rouw werd onderscheid gemaakt tussen verschillende stadia van het rouwproces. Voor naaste familieleden onderging men eerst een periode van volle rouw (ook wel eerste of zware rouw), waarin de rouwregels het meest rigide waren. Qua kleding werd hiervoor wol, bombazijn en crêpe toegestaan, alles in de kleur zwart. Tijdens deze fase werd men geacht zeer sober gekleed te gaan. Een fundamentele regel was dat alles wat men droeg mat van kleur moest zijn: niets mocht reflecteren. Sieraden en glanzende materialen waren daarom niet toegestaan.

Deuil de Frisones / Deuil de Sardam, Bernard Picart, 1733, Collectie Rijksmuseum, objectnummer RP-P-2009-2078. Twee kaders met rouwkleren uit Friesland en de Zaanstreek. De vrouwen dragen een tot op de grond vallende rouwmantel of huik.

Daarna onderging men fases van halve rouw (ook wel tweede rouw genoemd) en lichte rouw, waarin de regels iets versoepeld werden. Naast zwart werden kleuren als grijs en mauve toegestaan, bovendien mocht men overgaan op stoffen als matte zijde, eventueel met een licht motief. In deze rouwfases mochten er ook weer sieraden worden gedragen, al hoorden deze wel bescheiden te zijn. Fonkelende juwelen en glanzende stoffen mochten pas weer uit de kast gehaald worden als men volledig uit de rouw was.

Niet alle rouwfases hoefden voor elke overledene te worden ondergaan: voor tantes, ooms, neven en nichten was het bijvoorbeeld doorgaans niet nodig om de volle rouw aan te nemen. Voor een overleden echtgenoot duurde de rouw het langst: weduwen waren vaak meerdere jaren in de rouw, en kozen er soms zelfs voor hun rouwdracht nooit meer af te leggen. Qua snit volgde rouwdracht grotendeels de heersende kledingstijlen. Vaak werden voor normale kleding en rouwkleding dezelfde patronen gebruikt, waardoor het verschil met name zat in kleur, stof, decoratie en accessoires.

Vrouw uit Huizen, gekleed in zware rouwdracht. Ze heeft een zwarte doek over het hoofd geslagen, het zogenaamde regenkleed. Deze dracht wordt alleen door de naaste verwanten gedragen tijdens de begrafenisstoet. Collectie en fotograaf: Nederlands Openluchtmuseum, 1945. Beeld: Geheugen van Nederland.

Een dure aangelegenheid

Rijkere mensen die zich bekommerden om hun status en positie in de samenleving dienden voor elke rouwfase aparte kleding aan te schaffen. Zuinigheid werd gezien als respectloos tegenover de overledene en de maatschappelijke orde. Dit maakte het rouwen tot een grote kostenpost.

Dat begrafenissen een behoorlijke investering vergden, blijkt uit zeventiende- en achttiende-eeuwse dagboeken en memoires van verarmde adellijke families en families uit de opkomende middenklasse. Hierin werd veelvuldig geschreven over angsten voor financiële problemen veroorzaakt door begrafeniskosten en dure rouwkleding. Niet alleen waren de materialen prijzig, ook veranderde de mode waar rouwkleding zich toe moest verhouden veelvuldig.

Vergelijking onder elkaar in vier rijen de zes verschillende manieren van begraven bij verschillende lagen van de bevolking in Holland, ca. 1750. De verschillende vormen begrafenisoptochten onder elkaar, bij de rijken, de burgers, de boeren en de armen. Vervaardiger: Simon Fokke, naar Johannes le Francq van Berkhey, 1776. Collectie Rijksmuseum objectnummer: RP-P-OB-84.114.

Rouwkleuren

Zwart is bij uitstek de kleur die met rouw geassocieerd wordt. Over hoe dat zo gekomen is hebben onderzoekers verschillende theorieën. Funerair deskundige Henk Kok stelt in zijn boek Erfenis onze voorouders dat de oorspronkelijke ‘rouwkleur’ in Europa wit was. Dit omdat spoken en geesten altijd gezien werden als witte verschijning. Bovendien was wit de kleur van de onschuld. In 1498 zou de Franse koningin Anna van Bretagne zwart als rouwkleur hebben aangenomen na de dood van haar man Karel VIII, waarna zwart in de daaropvolgende eeuwen de gebruikelijke rouwkleur werd.

Koningin Wilhelmina in witte rouw na het overlijden van prins Hendrik, 18 september 1934. Collectie Prentbriefkaarten van het Nederlandse vorstenhuis, Koninklijke Bibliotheek, objectnummer 53A27-03-P008-1. Beeld: Geheugen van Nederland.

Volgens Maureen DeLorme, onderzoekster en verzamelaarster van rouwsieraden en rouwkunst, zou zwart echter in de veertiende eeuw al algemeen gebruikelijk geweest zijn als rouwkleur. St. Benedictus, vader van het kloosterleven in de Latijnse kerk, zou zwart als de kleur van de dood aangedragen hebben aan zijn volgelingen. Zwart zou ‘de spirituele duisterheid van de onverlichte ziel’ symboliseren.

(Rouw?) Paraplu met dek van zwarte zijde met rand van machinaal brocheerwerk en tamboereerwerk, op zwarte houten stok met vierkant handvat met in reliëf gesneden knop, de Vries & Vigier (mogelijk), Haarlem, ca. 1900 – ca. 1915. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: BK-1981-37-A.

Tijdschriften en boeken

Wat er tijdens de rouw precies gedragen kon worden, was niet altijd vanzelfsprekend. In de negentiende eeuw vormden tijdschriften en boeken over etiquette en schoonheid een belangrijke informatiebron voor vrouwen die hierbij houvast zochten. Dergelijke publicaties gaven vaak adviezen over welke kleding en sieraden er gepast waren, rekening houdend met de levensfase van de nabestaande, haar relatie tot de overledene en de gelegenheid waarvoor zij zich moest kleden. Nederland kende hiervoor tijdschriften als Penelope of Maandblad aan het Vrouwelijk Geslacht Toegewijd (1821-1835), Flora: Tijdschrift voor Jonge Dames (1848-1856) en De Gracieuse (1862-1864).

Modetijdschrift De Gracieuse. Geïllustreerde Aglaja, 15 april 1879, aflevering 12, pagina 95. Collectie: Kunstmuseum Den Haag, Beeld: Geheugen van Nederland.

Voorschriften en boetes

Omdat de kosten van het rouwen behoorlijk konden oplopen, waren speciale rouwgarderobes voorbehouden aan degenen die het zich konden veroorloven. In de zeventiende eeuw was dat nog vooral de maatschappelijke bovenlaag. Wel was het dragen van rouwkleding naar begrafenissen destijds al vrij algemeen gebruikelijk. Wanneer men voor een begrafenis werd uitgenodigd ontving men een begrafenisbriefje waarop onderaan vaak vermeld stond dat men geacht werd te verschijnen ‘met de lange Rouw-Mantel.’ Ook in de Amsterdamsche Courant (1670-1903) werd regelmatig over de verkoop dan wel dracht van rouwmantels bericht. In 1720 verscheen er bijvoorbeeld een advertentie van de ‘Rouwwinkel’ waar ‘Rouw Kleeden, Mantels, Baey, Gordeynen, Strikken, Flap en Schenkkannen, een staende Pars met zyn planken, &c.’ verkocht werden.

Overigens nam men het uit zichzelf niet altijd even nauw met de rouwregels. Hoewel de etiquette in de zeventiende eeuw nog lang niet zo streng was als twee eeuwen later, verschenen er toen al regelmatig oproepen die mensen op het hart drukten zich aan de rouwprotocollen te houden. Gildes riepen hun leden bijvoorbeeld geregeld op om niet in werkkleding te verschijnen op de plechtige optochten die als eerbetoon voor overleden gildeleden werden gehouden. Na enkele voorvallen werden er zelfs boetes uitgedeeld aan leden die niet in het zwart op een begrafenis waren verschenen.

Detail tekening ‘Minnaers klacht Over sijn storven Maistresse’ (titel op object) van Gesina ter Borch, ca. 1654. Rouwende heer met een rouwstoet achter hem naast een gedicht van een spreker aan zijn overleden geliefde Amarilli, op de wijs van Amarilli mia bella. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: BI-1890-1952-67.

Rouwen voor alle rangen en standen

De rouwgebruiken van de hogere klassen werden aan het eind van de achttiende eeuw onder een steeds groter deel van de bevolking overgenomen. Zo was het volgens het Historisch Museum van Ede, dat in 1998 een tentoonstelling organiseerde over Rouwen en trouwen, toen in Nederland gebruikelijk dat er uitgebreid werd gerouwd. In de negentiende eeuw, toen de rouwcultuur haar hoogtepunt bereikte, had ook de middenklasse het dragen van rouwkleding volop omarmd.

Voor de onderste laag van de bevolking bleef rouwdracht vaak een onmogelijke luxe. Alleen dienstmeiden en knechten kregen bij het overlijden van (familieleden van) hun werkgever zwarte kleding van goedkoop materiaal te dragen. Wie het zich niet kon veroorloven nieuwe rouwkleding te kopen, kon eventueel bestaande kleding zwart laten verven. Ook droegen arme mensen soms hun zondagse kleren als rouwkleding. Omdat deze doorgaans donker van kleur waren werd dit niet als ongepast beschouwd.

Portret van een Wieringer vrouw met een böppekaper (dracht van rond 1900) op het hoofd. Werd gebruikt als winter- en begrafenisdracht. Fotograaf: J.W.G. Wittkämper, uitgever: Historische vereniging Wieringen, Collectie: Zuiderzeemuseum, Beeld: Geheugen van Nederland.

Rouwdracht

Rouwgebruiken werden het striktst en langst aangehouden in gebieden waar men in klederdracht liep. Hier was men immers gewend om status, geloofsovertuiging en belangrijke gebeurtenissen via kleding en sieraden tot uiting te brengen. Volgens streeksieradenspecialist Dorine Bakker-Stijkel waren rouwsieraden uit Nederlandse streekdrachten bijzonder gevarieerd. Sommige Nederlandse streken kenden sieraden die speciaal voor de rouw vervaardigd werden.

Net als in het algemene modebeeld behoorden deze sieraden doorgaans weinig opvallend te zijn: in plaats van glanzende, kleurrijke of gouden sieraden dienden zilveren, doffe en donkere exemplaren gedragen te worden. Meestal hadden enkel de decoratieve sieraden uit de klederdracht een rouwuitvoering: functionele sieraden als oorijzers en broekstukken bleef men ongeacht het materiaal tijdens de rouw doordragen.

Links: Weduwe, ter begrafenis. ’s Winters, met buisje.  Marken, 1947. Collectie [PR.19242], Streekdrachten in Nederland, Nederlands Openluchtmuseum. Beeld: Geheugen van Nederland. Rechts: Vrouw in zware rouw, zomer, daags, in huis. Marken, 1948. Kunstenaar: Jan Duyvetter, Collectie: [PR.19244], Streekdrachten in Nederland, Nederlands Openluchtmuseum. Beeld: Geheugen van Nederland.

Auteur: Marit Eisses

Bewerkt door: Judith van Amelsvoort, redactie Oneindig Noord-Holland.

Bron: ‘Marit Eisses, Death by Jewellery: Europese rouwsieraden vanaf de middeleeuwen tot nu, 2008 (Bachelorscriptie Kunstgeschiedenis, Universiteit Leiden)’.

Publicatiedatum: 25/05/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.