De Weesper zerkenlichter

Zoals bij veel oude stadskerken bestaat ook bij de Grote of Sint-Laurenskerk in Weesp de kerkvloer voor een groot gedeelte uit grafzerken. De kerk diende eeuwenlang als begraafplaats voor de inwoners en geregeld moesten de zware stenen platen verplaatst worden zodat de grafdelver zijn werk kon doen. Hij had daartoe in de Weesper kerk een vernuftig apparaat tot zijn beschikking.

Schilderijen van kerkinterieurs uit de zeventiende en achttiende eeuw zijn vaak gestoffeerd met wandelaars die de kerkinventaris bezichtigen terwijl ergens een grafdelver aan het werk is (en een hondje doodgemoedereerd een plas doet tegen een zuil).

Kerkinterieur met grafdelver, door Emanuel de Witte, 1667.

Beeld: Rijksmuseum Amsterdam.

Kerkinterieur met grafdelver, door Emanuel de Witte, 1667.Kerkinterieur met grafdelver, door Emanuel de Witte, 1667.

Het begraven in de kerk was een bedrijf apart dat geen directe band had met de eigenlijke functie van de kerk, ‘een huis voor het Woord’. Op tijden dat er geen kerkdienst werd gehouden mocht de grafdelver zijn gang gaan op de kerkvloer en in de kerkbodem. Meestal is hij afgebeeld staande in de grafkuil met de grafsteen terzijde gerold.

Kerkinterieur met grafdelver, naar een schilderij door G. Houckgeest (1600-1661).

Detail van een schilderij van de Oude Kerk in Delft in het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Beeld: Wikimedia Commons / RCE.

Kerkinterieur met grafdelver, naar een schilderij door G. Houckgeest (1600-1661).Kerkinterieur met grafdelver, naar een schilderij door G. Houckgeest (1600-1661).

Te koop en te huur

Het verhuren en verkopen van graven leverde heel wat inkomsten op voor de kerkmeesters, waarmee het onderhoud van het gebouw en andere uitgaven zoals voor armenzorg konden worden bekostigd. De opbrengst van het delven en ruimen was voor de doodgraver. De overige opbrengsten, zoals voor klokluiden en verhuur van grafkleed (desgewenst met strikken), roef (sierdeksel) en baar werden verdeeld. Het begraven, niet alleen van de eigen leden van de kerk maar ook van andere gezindten, gebeurde zowel overdag als ook ’s avonds bij het licht van toortsen, wat als bijzonder deftig gold en tegen dubbel tarief ging. Onder een grafsteen kon in minstens drie lagen worden begraven; na verloop van tijd, meestal zeven jaar, werden gehuurde graven weer geruimd en de inhoud in knekelhuizen geborgen. Overigens was onderverhuren of uitlenen van een graf meestal uitdrukkelijk verboden.

Grafsteen van H. Koster in de Grote Kerk te Weesp.

De overledene is begraven onder dezelfde zerk die al voor drie andere personen is gebruikt. Beeld: Henk Bouma.

Grafsteen van H. Koster in de Grote Kerk te Weesp.Grafsteen van H. Koster in de Grote Kerk te Weesp.

Een lege kerk

Ook in Weesp lieten de inwoners zich eeuwenlang bij voorkeur begraven in de kerk of, als zij dat niet konden betalen, op het kerkhof dat grensde aan de zuidwest- en noordwestkant van de kerk en in de loop van de negentiende eeuw spoorloos onder het plaveisel verdween. In de vloer van de Laurenskerk zijn nog wel heel wat grafzerken uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw bewaard gebleven. Vanwege het begraven stonden er vroeger maar weinig banken in de kerk. Wie een kerkdienst bezocht bleef staan, nam zijn eigen stoel mee of huurde er een van een ‘stoelenvrouwtje’. Pas toen in de loop van de negentiende eeuw de mensen op een begraafplaats buiten de stad werden begraven kon de ruimte vol worden gezet met banken.

Plattegrond kerkhof Grote Kerk te Weesp.

De ongedateerde tekening laat zien dat de beperkte ruimte buiten de kerk zoveel mogelijk is benut. Het noorden is rechts. Beeld: Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen te Weesp.

Plattegrond kerkhof Grote Kerk te Weesp.Plattegrond kerkhof Grote Kerk te Weesp.

Zerkenlichter

Bij een bezoek aan de mooie middeleeuwse Grote Kerk wordt mijn aandacht getrokken door een eigenaardige oude houten kar met vier massieve wielen die in een hoekje bij de toren staat. Een informatiebordje bij de kar vertelt dat het om een zogeheten zerkenlichter uit de zeventiende eeuw gaat, die destijds door de grafdelver gebruikt werd om de zerken met een gewicht van vele honderden kilo’s te verplaatsen. Jammer genoeg ontbreken enkele onderdelen zodat de werking van het apparaat mij niet meteen duidelijk is.

Zerkenlichter uit 1662.

Beeld: Henk Bouma.

Zerkenlichter uit 1662.Zerkenlichter uit 1662.

Uniek exemplaar

Gelukkig kan een in de kerk aanwezige gastheer uitleg geven. Op de kar was oorspronkelijk een windas bevestigd, waar een touw omheen liep met een haak aan het eind. De meeste zerken hebben bij een van de korte zijden een rechthoekig, naar boven taps toelopend gat. Als er een zerk gelicht moest worden werd de zerkenlichter zo over de steen gereden dat de haak boven het gat hing. Een zogeheten steenwolf werd in het gat geklemd, de haak werd aan het oog van de steenwolf bevestigd en door aan de slinger van de windas te draaien kwam de zerk aan die kant een eindje omhoog. Dan kon de grafdelver de windas vastzetten, een keg in de kier steken en na de zerkenlichter weggereden te hebben de steen met een hefboom verder omhoog drukken, twee of drie ronde palen eronder schuiven en de zerk wegrollen.

De zerkenlichter van Weesp, bovenaanzicht.

Beeld: tekening Henk Bouma.

De zerkenlichter van Weesp, bovenaanzicht.De zerkenlichter van Weesp, bovenaanzicht.

Zerkenlichters zoals die van Weesp zullen in meer kerken in ons land aanwezig zijn geweest maar deze schijnt als enige bewaard te zijn gebleven. Een afbeelding op een schilderij heb ik niet kunnen vinden.

Grafsteen van de organist meester Jan van Boeyiner, overleden in 1618 en van zijn huisvrouw in de Grote Kerk te Weesp.

De teksten geven een aardig voorbeeld van de vroegere man-vrouwverhoudingen. De eerbare en deugdzame Jannetijen van Gouwenberch is eerder overleden dan haar man maar staat toch onderaan op de steen. En zij komt naar voren als echtgenote van de organist die daarmee twee keer wordt vermeld. Naderhand is in de derde regel van onder een gat aangebracht om de zerk te kunnen lichten; het gat is gedicht met een houten blokje. Op hergebruik wijzen ook de letters AV:M in het midden. De steen is later bij een herschikking van de zerken aan de rechter zijkant afgekapt om hem passend te maken. Beeld: Henk Bouma.

Grafsteen van de organist meester Jan van Boeyiner, overleden in 1618 en van zijn huisvrouw in de Grote Kerk te Weesp.Grafsteen van de organist meester Jan van Boeyiner, overleden in 1618 en van zijn huisvrouw in de Grote Kerk te Weesp.

Ongezonde gewoonte

In de loop van de achttiende eeuw gingen verlichte geesten bezwaar maken tegen het begraven in kerken. Zij zagen het als een ongezonde gewoonte en hun woorden vonden ook in ons land steeds meer weerklank. Zo werd in 1793 de begraafplaats ‘Gedenkt te sterven’ geopend even buiten de dorpsbebouwing van het naburige Hilversum. In de Franse Tijd werd het begraven in kerken om hygiënische redenen verboden. Bovendien ontvingen de kerkmeesters van de Grote Kerk een schrijven van het Weesper stadsbestuur dat de knekelhuizen dienden te worden afgebroken en vervangen door grafkuilen of kelders in de open lucht om daarin “de beenderen en schedels der afgestorvenen te verzamelen en daardoor aan de openlijke aanschouwing te onttrekken”.

Begraafplaats in buitengebied

Het verbod om in de kerk te begraven werd na het herstel van de onafhankelijkheid weer ongedaan gemaakt. Toch bleven de bezwaren ertegen aanhouden en ten slotte werd vanaf 1830 het Koninklijk Besluit van kracht waardoor begraven in kerken niet meer toegestaan was. Begraafplaatsen moesten sindsdien buiten de bebouwde kom worden aangelegd. Veel nog steeds bestaande dodenakkers in grote en middelgrote gemeenten zijn dan ook in de jaren 1830-1840 aangelegd. Weesp nam de nieuwe begraafplaats Landscroon aan de weg naar Muiden januari 1830 officieel in gebruik. Omdat de kerkmeesters nu een belangrijke bron van inkomsten misten, ontvingen zij van de stad een ‘schadevergoeding’ van twaalfduizend gulden.

Begraven in de kerk bleef soms doorgaan

Overigens hielden de kerkbesturen zich niet altijd aan de nieuwe regeling. Zo kun je in de Amsterdamse Oude Kerk de zerk aantreffen van Andreas Althoff, zoon van een tabakshandelaar die daar nog op 20 november 1865 bij zijn al in 1820 overleden vrouw werd begraven. Amsterdam negeerde veertig jaar lang het verbod en talrijke medische adviezen. Men kreeg ontheffing op grond van het argument dat de drassige bodem rond de stad geen geschikte locatie bood voor een nieuw ruim kerkhof. En de steen van Althoff in de Oude Kerk is daar dan ook bepaald niet de enige van na 1829. Ten slotte verbood de begrafeniswet van 1869 definitief het begraven in kerken.

Weesp wetsgetrouw

In Weesp heeft men zich beter aan het verbod van 1830 gehouden: op 31 december 1829 werd de weduwe Trijntje Snelling als laatste in de Grote Kerk in graf nummer 589 begraven. Voor de huur van haar graf, gedekt door een eenvoudige naamloze steen en voor de verdere begrafeniskosten werd elf gulden en acht stuiver in rekening gebracht. De meest recente gedateerde grafsteen die ik in de kerk kan vinden is de sobere maar dubbele zerk van Johannes Tronchet Kramp, overleden 9 september 1827. De begrafeniskosten voor deze bemiddelde Weespenaar met eigen graf bedroegen vierentwintig gulden.

Grafsteen van Trijntje Snelling in de Grote Kerk te Weesp, 1829.

Zerk van de laatst begraven persoon in de kerk. Beeld: Henk Bouma.

Grafsteen van Trijntje Snelling in de Grote Kerk te Weesp, 1829.Grafsteen van Trijntje Snelling in de Grote Kerk te Weesp, 1829.

Grafsteen van Johannes Tronchet Kramp in de Grote Kerk te Weesp, 1827.

De meest recente gedateerde zerk in de kerk. Beeld: Henk Bouma.

Grafsteen van Johannes Tronchet Kramp in de Grote Kerk te Weesp, 1827.Grafsteen van Johannes Tronchet Kramp in de Grote Kerk te Weesp, 1827.

Familienamen

De gastheer in de Grote Kerk vertelt mij ook dat er bij zijn weten maar zelden bezoekers komen die speuren naar eigen familienamen op zerken. Zo’n zoektocht heeft zijn beperkingen: de graven zijn in de loop der tijd allemaal geruimd en de zerken liggen veelal niet meer op de oorspronkelijke plaats vanwege noodzakelijke ophoging van de grond, waarbij de zerkenvloer opnieuw gelegd werd. Verder draagt een aantal stenen alleen een nummer of een huisteken. Wel zijn er nog de begraafboeken, waarin de kerkmeesters en doodgravers destijds gegevens over een overledene en de ligging van het graf bijhielden, en die nu bewaard worden in het regionale archief in Weesp. Daar liggen eveneens de resoluties van burgemeesters en vroedschappen omtrent het begraven in de kerk en op het kerkhof.

Auteur: Henk Bouma

Bronnen

R. Aerts en P. de Rooij (red.), Geschiedenis van Amsterdam, dl. III, Amsterdam 2006, pp. 233-234.
Mededeling van M. Blokhuis, erfgoedspecialist Museum Catharijneconvent te Utrecht, september 2016.
Doodgraversregister Grote Kerk te Weesp, januari 1821 – december 1829, Kerkarchief Grote Kerk, inventarisnummer 3.30.1b/604, Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen te Weesp.
P. Krolis, Een wandeling door de Laurenskerk te Weesp, in: Tussen Vecht en Eem, mei 1982.
Resoluties en andere stukken betreffende het begraven in de Grote Kerk te Weesp, 1639-1830, Kerkarchief Grote Kerk, inventarisnummer 3.30.2/607, Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen te Weesp.
D.P. Snoep e.a., Dood en begraven: sterven en rouwen 1700-1900, Utrecht 1980.
C.A. van Swigchem, T. Brouwer en W. van Os, Een huis voor het Woord: het protestantse kerkinterieur in Nederland tot 1900, ‘s-Gravenhage 1984.
H.J. Tolboom en T. Brink, Zerken die gezien mogen worden: de Westerkerk van Enkhuizen, in: Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, september 2016.
Website voor de grafstenen in de Oude Kerk in Amsterdam: http://www.gravenopinternet.nl/
Website van de Stichting Vrienden van de Grote Kerk in Weesp: vgkweesp.nl

Publicatiedatum: 05/09/2016