Romeinen en Russen strijden om het Oer-IJ

In het oude stroomgebied van het Oer-IJ, de driehoek tussen Velsen, Alkmaar en Zaanstad, heeft flink wat strijd gewoed in de afgelopen 2000 jaar. Hoe kan het ook anders, met Romeinse garnizoenen die de opstandige Friezen probeerden te onderdrukken, Spaanse invasielegers tijdens de Tachtigjarige Oorlog en Duitse soldaten die bunkers in het landschap opwierpen. Hierover gaat het nieuwe boek ‘2000 jaar strijd in het Oer-IJ landschap’.

Book 8 min

Sinds de Tweede Wereldoorlog leven we in vrede en weten nog maar weinig mensen over de oorlogen en conflicten die de afgelopen eeuwen in ons land hebben gewoed. De restanten van strijd uit het verleden zijn echter nog in het landschap terug te zien, voor wie goed oplet. Het boek 2000 jaar strijd in het Oer-IJ landschap, de nieuwste uitgave van Stichting Oer-IJ, probeert de lezer bewust te maken van de soms onbekende of vergeten conflicten die zich zo dicht bij huis afspeelden.

Zodra je het boek openslaat, tref je direct een handig overzicht – met kaart – van de vroegere strijdtonelen in het Oer-IJ landschap. Het is verleidelijk om hier al meteen even te blijven hangen. Een rode stippellijn deelt als een netwerk van forten en kruitmagazijnen het gebied in tweeën: de Stelling van Amsterdam. De andere symbooltjes op de kaart geven aan waar Romeinse legerplaatsen en Hollandse kastelen lagen, waar de geuzen tijdens de Tachtigjarige Oorlog strijd leverden en waar de Linie van Beverwijk precies liep. Opvallend zijn de vele Duitse stellingen van de Atlantikwall langs de Noordzeekust, die op de kaart verreweg in de meerderheid zijn.

Overzichtskaart van de conflictlocaties in het Oer-IJ gebied. De rode stippellijn is de Stelling van Amsterdam. De zwarte wachttorens zijn onderdelen van de Atlantikwall. Beeld: Gerard Hogervorst, via Stichting Oer-IJ.

De strijd barst los

Het prachtig vormgegeven boek is in chronologische volgorde geschreven en start dus netjes aan het begin van onze jaartelling. We lezen dat het Oer-IJ voor het eerst gemilitariseerd werd door de Romeinen, die in 12 v.Chr. ons land binnenvielen. Niet dat er voor die tijd nooit strijd in het gebied was. De Friezen die er leefden, hadden geregeld onderlinge conflicten en roofden vee van naburige stammen. Maar een beroepsleger zoals dat van de Romeinen hadden ze nooit eerder gezien.

De Romeinen bouwden forten aan het Oer-IJ, zoals de twee Castella bij Velsen, en maakten met baggerwerken het water bevaarbaar. Ze wierpen wachttorens op, zoals ‘t Hain in Krommenie, en verdreven Friese boeren van het land waar ze generaties lang hadden gewoond en gewerkt. In ruil voor bescherming tegen de Chauken, een ruig volk uit het oosten, moesten de Friezen hoge belastingen betalen aan hun nieuwe Romeinse overheersers. Dat pikten de Friezen natuurlijk niet en rond 28 n.Chr. barstte de eerste echte strijd los. Romeinse belastinginners werden vermoord en het legerfort werd bestormd. De aanval werd neergeslagen, maar de Friezen hadden hun punt gemaakt.

Reconstructie van het fort bij Velsen 1. Tekening van G. Sumner en A.V.A.J. Bosman, via Huis van Hilde.

Hollanders bouwden dwangburchten

De opstand tegen de Romeinen was slechts een voorbode op de eeuwen strijd die nog in de regio zouden volgen. Via de kerstening van de Friezen en de woeste Vikingen in Kennemerland komen we uit bij de middeleeuwse kastelen, gebouwd voor de strijd én gesneuveld in de strijd. Ten tijde van de Westfriese Oorlogen (12e en 13e eeuw) werden in het strandwallengebied van Kennemerland zo’n veertien kastelen neergezet. Waarvan er tegenwoordig helaas niet veel meer overeind staan – een resultaat van de Hoekse en Kabeljauwse twisten (1345-1490) en latere conflicten.

De kastelen werden oorspronkelijk door de graven van Holland gebouwd om Kennemerland tegen de binnenvallende Westfriezen te beschermen. Maar dat was niet voldoende. Ze wilden het gebied definitief bij hun graafschap inlijven. Uiteindelijk is dat graaf Floris V gelukt. Vanuit de verschillende dwangburchten, zoals Kasteel Radboud in Medemblik, hield hij de Westfriezen onder controle. Na Floris’ dood kwamen ze nog slechts eenmaal in opstand, maar zij werden hard neergeslagen bij Vronen (het huidige Sint Pancras). Op het voormalige dorpskerkhof zijn in 1991 talloze skeletten met sporen van extreem geweld aangetroffen. Sindsdien hadden de Westfriezen hun lesje geleerd.

Slot Assumburg te Heemskerk. Foto: Léon Klein Schiphorst, via Stichting Oer-IJ.

In naam van kaas en brood

Een veel onbekender maar niet minder bloedig conflict dat tijdens de vijftiende eeuw in de regio woedde, was de ‘commocie van casenbrot’ (kaas en brood oproer). Het ‘Kaas- en Broodvolk’, oftewel boeren, handwerklieden en kleine middenstanders, stond in 1491 op tegen stadhouder Jan van Egmont. Ze waren de hoge belastingen en de hongersnood meer dan zat. Door de burgeroorlog en anarchie ten tijde van de Hoekse en Kabeljauwse Twisten moesten ze te vaak strijden om hun portie kaas en brood. Hongerig volk uit Kennemerland en West-Friesland verenigde zich tot een klein leger en trok vanuit Alkmaar op naar Haarlem en Leiden. Ze droegen vaandels en banieren met daarop stukken kaas en brood afgebeeld. Onderweg sloten steeds meer mensen zich bij hun strijd aan.

Met militaire hulp uit Saksen wist de stadhouder de opstandige middenstanders uiteindelijk terug te dringen. De laatste veldslag op het kerkhof van Heemskerk kostte aan bijna 450 opstandelingen het leven. Nog eens 150 man werd gevangengenomen en zwaar bestraft. Een plaquette op de muur van de Hervormde Kerk herinnert nog aan de volksopstand. Ook de steden die deel hadden genomen aan de opstand, in het bijzonder Alkmaar, kregen de toorn van Jan van Egmont over zich heen. Ze moesten boete doen, hun rechten afstaan en flinke schadevergoedingen betalen. En de boeren en burgers? Die hadden nog steeds geen kaas en brood.

Opstand van het Kaas-en-Broodvolk in Haarlem, 1492. Collectie Nationaal Gevangenismuseum.

Linie doorsnijdt het landschap

We vliegen even voorbij de Tachtigjarige Oorlog en de invasie van Britten en Russen in 1799. En dan is er in de negentiende eeuw ineens dat enorme netwerk van forten en batterijen, dammen en dijken, kazernes en kanalen, dat het land op commando onder water kan zetten: de Stelling van Amsterdam. Het laatste weerstandspunt in de verdediging van ons land, waar de koning, regering en het leger zich rondom de hoofdstad zouden kunnen terugtrekken als alles op een dag mis gaat.

Dat netwerk was er natuurlijk niet ineens. Het aanleggen van de 135 kilometer lange Stelling was een proces dat een kleine vijftig jaar in beslag nam. Bij de aanleg maakte men dankbaar gebruik van de lagergelegen delen van het Oer-IJ landschap als inundatiegebieden en van bestaande wegen, dijken en dorpen als camouflage. De openheid van het Hollandse veenweidelandschap was uitstekend geschikt om de vijand in het zicht te houden én een vrij schootsveld te garanderen. In kringen rondom de vestingwerken mochten dan ook geen stenen huizen gebouwd worden. Alleen houten gebouwen, die snel opgeruimd konden worden als dat nodig was.

Toen de aanleg van de Stelling voltooid was, waren de forten eigenlijk alweer door nieuwe technologieën ingehaald. Ze zijn dan ook niet veel gebruikt om te vechten, hoewel er tijdens de mobilisaties van de Eerste en Tweede Wereldoorlog wel manschappen gelegerd waren. Wel zijn in 1939 inundaties in werking gesteld om de inval van het Duitse leger te stuiten. En aan het einde van de oorlog gebruikten de Duitsers het ingenieuze systeem zelf uit angst voor een invasie uit het westen. Maar al is de Stelling niet veel gebruikt, de aanleg ervan heeft wel degelijk een groot stempel gedrukt op het landschap van het Oer-IJ gebied.

Kaart van de Stelling van Amsterdam. Via Stichting Oer-IJ.

Mijnenvelden langs de kust

De Duitsers hadden andere manieren om ons bezette land tegen een geallieerde aanval te verdedigen. Omdat Nederland aan de nieuwe westgrens van het Derde Rijk lag, was goede verdediging van groot belang. Daarom bouwden de nazi’s meer dan tweehonderd individuele militaire complexen, zoals bunkers, vliegvelden en oefenterreinen, in ons land. Die centreerden zich voornamelijk langs de Noordzeekust als onderdeel van de Atlantikwall, de omvangrijkste verdedigingslinie uit de twintigste eeuw.

Vanaf 1941 begonnen Duitse troepen en Nederlandse arbeiders met de aanleg van kilometers loopgraven, tankvallen en bunkers langs de kust. Centraal binnen de kustverdediging was de Festung IJmuiden, waar je nu nog steeds kunt wandelen tussen de betonnen bunkers. Daarnaast werd ook achter de kust een nieuwe linie aangelegd, voor een mogelijke aanval in de rug: het Neue Landfront. Landinwaarts lagen luchtafweerstellingen, een schijnvliegveld en een kunstbunker in de Castricumse duinen.

In vier jaar tijd werd het Oer-IJ gebied tot diep in de polders in stelling gebracht en dat heeft uiteraard zijn sporen achtergelaten. Na de Duitse bezetting lagen er nog talloze landmijnen, vliegtuigbommen en granaten aan de kust, te wachten op een ontploffing. Ontwapende Duitse militairen werden aangesteld om de explosieven te ruimen, maar dat ging niet altijd goed. Zo vlogen op 12 juli 1945 twee grote munitieopslagplaatsen bij IJmuiden de lucht in, met flinke schade aan de omringende huizen tot gevolg.

Anti-tankmuur bij de Zanderij in Castricum. Foto: Gerard Hogervorst, via Stichting Oer-IJ.

Angst is een slechte raadgever

Wie denkt dat het na de Tweede Wereldoorlog wel over was met de militaire interventie in de regio, heeft het mis. De Koude Oorlog brak aan en daarmee een grote angst voor de Russen. De Sovjet-Unie was namelijk sinds 1949 een kernmacht, met een alsmaar uitdijend arsenaal aan bommen, raketten en atoomwapens. Dat er daarnaast ook nog een heel leger klaarstond, werd van minder groot belang geacht. Die bommen, dáár moesten we ons op voorbereiden. En daarom werden er talloze ondergrondse bunkers en schuilkelders aangelegd, zoals onder Theater de Vest in Alkmaar. Veel van deze schuilplaatsen onder beleidscentra zijn nog steeds (publiek) geheim.

Gelukkig hebben we ze nooit hoeven gebruiken, want een Russische aanval bleef uit. Maar de restanten van de strijd, of de dreiging daarvan, bestaan nog steeds. Na het lezen van 2000 jaar strijd in het Oer-IJ landschap heb je daar ineens meer oog voor. Het gebied van het Oer-IJ was altijd al een bijzonder landschap binnen Noord-Holland, maar door de militaire stempel die de mens erop gedrukt heeft, is dat historische belang alleen maar toegenomen. Een landschap waar zó geleefd, gestreden en gestorven is, verdient een boek. En dat is er nu, dankzij Stichting Oer-IJ.

Omslag van ‘2000 jaar strijd in het Oer-IJ landschap’. Via Stichting Oer-IJ.

2000 jaar strijd in het Oer-IJ landschap is verschenen bij Uitgeverij Noord-Holland. Het rijk geïllustreerde boek telt 160 pagina’s en is voor de prijs van 19,95 euro verkrijgbaar bij de boekhandel of online via Stichting Oer-IJ of de uitgeverij.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries
Omslagfoto: De Hempolder. Foto: Gerard Hogervorst, via Stichting Oer-IJ.

Publicatiedatum: 20/12/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN