De Haarlemse fanclub van Charles Dickens en de knusheid van Kerst

De Haarlemse schrijver Godfried Bomans, meester van de ironie, is altijd een warm pleitbezorger geweest van het werk van zijn wereldberoemde Engelse collega Charles Dickens. Hij werkte niet alleen aan vertalingen mee, die via de Prisma-edities een grote verspreiding kregen, maar richtte ook de Haarlem Branch op van het illustere The International Dickens Fellowship.

‘Vrolijk kersfeest, Bob!’ zei Scrooge met onmiskenbare ernst, terwijl hij hem op de rug sloeg. ‘Een vrolijker kerstfeest, Bob, beste kerel, dan ik je vele, vele jaren heb gegeven! Je krijgt opslag van me en ik zal proberen je gezin te helpen met zijn problemen en vanmiddag zullen we je zaken meteen bespreken bij een kom dampende bisschop, Bob! Ga je haarden aanmaken en koop een extra kolenkit voordat je nog één punt op een i zet, Bob Cratchit!’

Bovenstaand fragment komt uit ‘A Christmas Carol, dat misschien wel het beroemdste kerstverhaal aller tijden is, geschreven door de Victoriaanse schrijver Charles Dickens (1812-1870). De kerstvertelling is ontelbare malen vertaald, naar het toneel gebracht en verfilmd. Vooral in kersttijd is de kans groot dat je Scrooge op tv voorbij ziet komen, de kille vrek die in de nacht vóór Kerstmis door drie geesten wordt bezocht en op slag verandert in een warmbloedige weldoener. ‘Hij smijt met geld, kalkoenen en plumpuddingen en loopt zingend door Londen, boordevol mensenliefde,’ zo schrijft Godfried Bomans, die naar eigen zeggen een bibliotheek van 1800 boeken over Dickens bezat.

Om te achterhalen waarom dit verhaal juist in de donkere dagen voor kerst zoveel harten verwarmt, kunnen we dus het beste bij hem terecht, want hij wist niet alleen veel van Dickens af, maar was ook een welkome gast op de jaarvergaderingen van de Dickens Fellowship, een internationaal gezelschap dat bestaat uit liefhebbers van de schrijver, die ons niet alleen A Christmas Carol schonk, maar ook Oliver Twist en David Copperfield.

Manuscript van Dickens’ A Christmas carol. Via Wikimedia (publiek domein).

Een knusse sfeer

Volgens Bomans was Dickens een meester in het scheppen van een knusse sfeer, wat heet, zijn verhalen culmineerden vaak in ‘een soort dronkenschap van genoeglijkheid’.

Die knusheid kom je in meerdere van Dickens’ boeken tegen. Neem bijvoorbeeld The Pickwick Papers, waarin we de grappige avonturen kunnen volgen van de dikbuikige Samuel Pickwick en zijn kameraden. Het is Dickens eerste en misschien wel geestigste boek. Als de Pickwickianen het kerstfeest vieren, zo schrijft Bomans, ‘brult de wind door de schoorsteen en slaat de hagel tegen de ramen, alsof een kwaadaardige reus buiten met stenen gooit; en zie, daar zitten die weldoorvoede Engelse gentlemen aan de enorme schouw, rond een reusachtige kom met kokende punch, waarin de rode appeltjes sissend en sputterend op en neer bobbelen!’ Je zou het er bijna warm van krijgen.

Scène uit Dickens’ The Pickwick Papers, geïllustreerde uitgave uit 1873. Via Wikimedia (publiek domein).

Kraantje Lek

In 1956 richtte Godfried Bomans, samen met de Haarlemse architect Nico Andriessen, de Nederlandse tak op van The International Dickens Fellowship, die in 1902 in Londen werd opgericht. De manier waarop dat gebeurde is typisch voor Bomans, die niet alleen als een meester van de ironie gold, maar ook over een rijke fantasie beschikte.

Toen Bomans de Fellowship in Londen aanschreef omdat hij belangstelling had voor enkele uitgaven over Dickens, lieten ze hem weten dat die publicaties alleen voor leden beschikbaar waren. En als hij lid wilde worden, kon hij het beste zelf een branch (afdeling) oprichten. Vervolgens stuurde Bomans een jaar lang notulen naar Londen van een niet-bestaande Nederlandse Dickensvereniging, die wel tachtig leden had. In die notulen voerde hij eminente sprekers uit Bonn en Kopenhagen op. Toen de Fellowship aankondigde een inspecteur naar Haarlem te sturen, kneep Bomans hem wel een beetje, maar hij had ‘geluk’, want kort nadat de inspecteur in Harwich op de boot was gestapt, kreeg de man een beroerte. Opgelucht haalde hij adem, maar hij besefte wel dat hij er de volgende keer niet zo makkelijk vanaf zou komen.

Een dwaas

Er zat dus niet veel anders op dan die branch daadwerkelijk op te richten. Dat gebeurde op 8 december 1956 in herberg Kraantje Lek in Overveen. Het was de eerste afdeling op het Europese vasteland van The International Dickens Fellowship. Bomans liet de 35 Nederlandse Dickensliefhebbers doodleuk weten dat de Haarlem Branch al twee jaar bestond. Onder de aanwezigen was een heer uit het Friese Dantumawoude, die vanwege zijn Dickensliefde als een dwaas werd beschouwd. ‘Tot in de verre omtrek,’ voegde hij er trots aan toe. Na allerlei nonsenstoespraken (Dickens zou bijvoorbeeld ook in Enkhuizen hebben gewoond), werd de oprichtingsbijeenkomst met spekpannenkoeken en stroop besloten.

Twee scènes uit Dickens’ A Christmas carol: Scrooge wordt bezocht door geesten. Getekend door Arthur Rackham. Via Pixabay (publiek domein).

1800 Dickensboeken

Inmiddels had Bomans, die vloeiend Engels sprak en een grote collectie Dickensbiografieën in allerlei talen bezat (de grootste collectie Dickensboeken op die van de Londense Fellowship na) zich tot een ware Dickenskenner ontpopt. Hij kon dus veilig de jaarlijkse Pinkstercongressen van de Fellowship bezoeken. Bij één van die bijeenkomsten, in het bij Sheffield gelegen plaatsje Buxton, vertelde hij de Engelse toehoorders dat de Haarlem Branch tachtig leden telde en dat ze over een indrukwekkende verzameling Dickens-curiosa beschikten.

Aan Stan Huygens van De Telegraaf vertelde Bomans later wat er toen gebeurde. ‘Ik maakte alles wat mooier dan het was, maar ik had er ook niet op gerekend dat de voorzitter enthousiast op zou springen en de vergadering het besluit zou laten nemen dat ze dat allemaal wel eens met eigen ogen wilden zien. Bomans probeerde het nog wel een beetje af te remmen, ‘maar men luisterde niet eens meer.’

Postkoets

En zo kwam het dat zo’n tweehonderd leden van het internationale Dickensgenootschap, afkomstig uit Engeland, Ierland, Amerika en Nieuw-Zeeland, op vrijdag 15 mei 1959 met de boot in Hoek van Holland arriveerden. Op het Centraal Station werden ze opgewacht door de harmonie van Tuindorp-Oostzaan, waarna een deel van de gasten per postkoets naar Hotel Krasnapolsky werd gereden. De postkoets werd getrokken door vier paarden, die werden bereden door ouderwets gekostumeerde leden van de Fellowship. De overige congresgangers, waaronder Bomans, liepen er achteraan.

De dagen daarop volgde een rondvaart door de grachten, werden de Dickensianen door het gemeentebestuur ontvangen in het Vondelparkpaviljoen en reisden ze naar Haarlem, voor een bezoek aan het Frans Hals Museum, een lunch in de Vleeshal en een orgelconcert in de Sint Bavo. Terug in Krasnapolsky woonden ze het traditionele banket bij, terwijl Die Haarlemsche Musyck-Camer achttiende-eeuwse muziek verzorgde. Na het dessert werd het glas geheven, prevelde de voorzitter ‘to the Queen’ en droeg de secretaris van de Fellowship, John Greaves, delen voor uit Dickens’ boek Great Expectations.

Twee scènes uit Dickens’ A Christmas carol: Scrooge is een ander mens. Getekend door Arthur Rackham. Via Pixabay (publiek domein).

Hier woonde Dickens niet

The International Dickens Fellowship is een kleurrijk gezelschap, waarbij Bomans zich als een vis in het water voelde. De jaarlijkse congressen werden meestal ergens in Engeland gehouden. Zo was hij erbij toen een Franse professor, die zichzelf als Dickenskenner zag omdat hij een biografie over de man had geschreven, in niet al te best Engels een speech hield voor 800 Britse Dickenskenners. De arme man maakte de ene blunder na de andere, maar de toehoorders gaven geen krimp en beloonden hem zelfs met een hoffelijk applaus. Na afloop mochten er vragen worden gesteld, die met een keurig ‘I suppose, and I may be wrong…’ werden ingeleid. ‘Ik heb nog nooit zo hoffelijk iemand in de grond geboord zien worden,’ herinnert Bomans zich. ‘Na de derde correctie werd hij wit, na de vijfde begon hij te stotteren. Ja, het zijn werkelijk kenners.’

Bomans vond het maar wat verkwikkend om lid te zijn van een vereniging die geen enkel nut heeft. ‘In de Fellowship zit iets absurds. Je moet het leuk spelen, maar weten dat het spel is. Dit helemaal ernstig doen is onzin; ’t kan alleen met een zekere ironie.’

Broadstairs

In de bundel ‘Dickens, waar zijn uw spoken?’ schrijft Bomans dat de Dickensianen graag bordjes mogen bevestigen op plekken die Dickens – of de figuren uit zijn boeken – hebben bezocht. Zo metselden ze bijvoorbeeld een plaquette in de muur van een hotelletje waar Dickens-karakter Sarah Gamp haar neus had gesnoten.

En in het badplaatsje Broadstairs, waar Dickens vele zomers doorbracht, zijn inmiddels 32 pensions van een bordje voorzien. Dat bracht de guitige eigenaar van zo’n beetje het enige pension waar Dickens niet heeft gelogeerd op het idee om een bordje op te hangen met de mededeling: ‘Here Dickens did not live.’

Een Dickens bordje op The Royal Albion Hotel in Broadstairs, Engeland. Foto: Acabashi, via Wikimedia (CC BY-SA 4.0).

Niet elitair

Bomans overlijdt op 22 december 1971 en zal net zo oud worden als zijn Engelse held: 58 jaar. De Haarlem Branch gaat uiteraard verder en in vrijwel elk interview dat ze nadien geven, mogen ze graag uitleggen dat ze heus geen elitair gezelschap zijn.

In december 1972 – de Haarlem Branch telt inmiddels 120 leden –  vertelt voorzitter Marius Beek aan het Nieuwsblad van het Noorden dat er een zekere drempelvrees schijnt te bestaan. ‘Men ziet ons vaak òf als een gezelschap van ongenaakbare experts òf als een ouwe sokkenclub.’

Dat wil hij graag even rechtzetten, want de leden zijn toch vooral mensen die genieten van de werken van Dickens. Ze hebben natuurlijk wel échte kenners in huis, maar de liefhebberij staat voorop. Behalve professoren zijn er ook huisvrouwen lid van de Haarlem Branch, al zijn dat dan wel huisvrouwen die het Engels meester zijn, want Dickens moet je natuurlijk lezen in de taal waarin hij het allemaal heeft opgeschreven.

Doorwrocht

Zo’n vier à vijf keer per jaar komen de Nederlandse Dickensianen bij elkaar in een bij voorkeur historisch perceel, ergens in Nederland. De ene keer spreekt een Engelsman, de andere keer een Nederlander, maar wat ze gemeen hebben is dat ze een ‘doorwrochte rede’ kunnen houden over ‘de meester, diens werken of diens tijd.’

De verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden woont in landgoed Beeckestijn (Velsen) één zo’n ‘eredienst’ bij. ‘Een bebrild jongmens geraakt bijkans in paniek als hij de fotograaf en diens indrukwekkende equipage ontwaart,’ zo schrijft hij in zijn verslag. ‘Waarom gaat u in ’s hemelsnaam over de fellowship schrijven?’ Voorzitter Beek komt er bij staan en wil van de verslaggever weten of hij ‘eigenlijk wel iets van Dickens af weet?’ Nou dat treft, dus even later kan hij de aanwezigen geruststellen. Vandaag hebben ze een journalist in hun midden die Dickens’ werken kent en zelfs op The Dickensian, het clubblad van de Fellowship, is geabonneerd. Waarna ‘zachtkens een applausje door de zaal ruist.’

The Dutch Dickensian, tijdschrift van het Haarlemse Dickens Fellowship. Uitgave uit december 1961. Via Noord-Hollands Archief.

Leeskringen

Naast ‘plenaire vergaderingen’ zijn er ook leeskringen. Op dat moment zijn het er vijf: groepjes van  een man of 15, die op winteravonden bijeenkomen om uit het werk van de meester voor te lezen, waarbij ieder een figuur voor zijn of haar rekening neemt. Ze doen dat in het Engels en de uitspraak was in het begin niet altijd even vlekkeloos, moet de voorzitter toegeven, maar ‘nu gaat het allemaal veel beter.’

Christmas dinner

In juni 1987 komt in datzelfde Nieuwsblad van het Noorden ene Cor Wiegel (71) aan het woord, die inmiddels in Oudeschans woont, maar graag mag vertellen over zijn Haarlemse tijd bij het Dickensgenootschap. Wiegel haalt herinneringen op aan de gezamenlijke maaltijden, met Godfried Bomans als stralend middelpunt. Hoogtepunt was altijd het Christmas dinner, waarbij de mannelijke deelnemers gekleed gingen als Pickwick, het dikbuikige baasje uit The Pickwick Papers. Wiegel vertelt hoe de dichter Willem Brandt en hij in vol ornaat op de postkoets bij de herberg aankwamen.

Wiegel heeft overigens nog een mooie anekdote, want zijn Dickenspassie had toch maar mooi de aandacht van de Binnenlandse Veiligheidsdienst getrokken. Dat zat zo. In 1970 hadden ‘de Russen’ een postzegel uitgegeven ter gelegenheid van de honderdste sterfdag van Dickens. Wiegel stapte naar de Russische ambassade in Den Haag, want hij had 120 zegels nodig voor de abonnees van het blad The Dutch Dickensian. Een paar weken later kon hij de zegels op de ambassade komen ophalen en enkele maanden later kreeg hij bezoek van een BVD-functionaris, die wilde weten wat hij op de Russische ambassade te zoeken had. Tevreden over Wiegels uitleg verliet de BVD-man even later het kantoor, met in zijn tas een exemplaar van The Dutch Dickensian, mét Russische postzegel.

Het Christmas dinner van het Haarlemse Dickens Fellowship, 2008. Via Haarlem Branch of the Dickens Fellowship.

Dickens en Groningen

Groningen speelt overigens wel vaker een rol in de geschiedenis van het literaire genootschap, want in augustus 1991 portretteerde dagblad Trouw de Nederlandse Dickensianen. ‘Nee, wij zijn beslist geen elitair genootschap,’ ‘legt de 52-jarige kinderarts Cees van Steijnen nog maar eens uit. Belangstelling voor de schrijver is belangrijker dan sociale stand, vertelt hij, om vervolgens een Sumatra-sigaartje op te steken. Het gesprek vindt plaats in de Amsterdamse sociëteit ‘Arti et Amicitiae’; volkser kan bijna niet.

Een machtsgreep

Uit het interview maken we overigens op dat er in 1969 een soort van machtsgreep in het bestuur van de Haarlem Branch moet hebben plaatsgevonden. Drie heren fietsten toen, met slechts een fles jenever als proviand, van Groningen naar Kraantje Lek in Bloemendaal om dat ‘ingeslapen zooitje Dickens-lezers’ eens even wakker te schudden. Van Godfried Bomans mochten ze een ‘maidenspeech’ houden, die ‘een onsterfelijke indruk’ zou hebben gemaakt. Dat ze speechten was sowieso bijzonder, want ‘de ouden van dagen’ hadden sinds de oprichting in 1956 niet meer hoeven te speechen, zo laten de heren aan Trouw weten. Waarna penningmeester Joop van Kessel trots meldt dat het genootschap er op het financiële vlak goed voorstaat. De contributie is al twintig jaar niet verhoogd. Overigens worden de contributiegelden sowieso niet geïnd. ‘Veel te vermoeiend.’

Een oudere man, waarschijnlijk Mr. Pickwick uit Dickens’ The Pickwick Papers, kijkt toe terwijl een stoet aan fictieve personages uit de boeken van Charles Dickens voorbijtrekt. Houtsnede uit de 19e eeuw. Via Wikimedia (publiek domein).

A Christmas Carol

Keren we tot slot terug naar ‘A Christmas Carol’ en de vraag waarom dit zo’n wereldberoemd kerstverhaal is geworden. In 2012, bij de tweehonderdste geboortedag van Dickens, gaf de Haarlem Branch, die overigens nog steeds actief is, een fraai boekwerk uit met diepgravende beschouwingen over het werk van Dickens, waaruit duidelijk blijkt dat het niet enkel scherts en luim is bij dit literaire genootschap.

Zo vraagt samensteller Dick Kooiman zich in een boeiend essay af of Dickens werkelijk  de man was ‘die de moderne kerstviering heeft uitgevonden,’ zoals vaak is betoogd. Dickens beste vriend John Forster schreef ooit eens ‘dat men voortaan A Christmas Carol zou moeten lezen om te begrijpen wat échte kerstvreugde is.’

Gepofte kastanjes

Dat is misschien wat overdreven, maar uiteindelijk komt Kooiman wel tot de conclusie dat Dickens Kerstmis misschien niet heeft uitgevonden, maar dat hij wel een ‘nieuwe impuls aan een oude traditie’ heeft gegeven. Als geen ander weet hij die warme sfeer van kerstliederen zingen bij het open vuur en gepofte kastanjes op te roepen.

En dan te bedenken dat hij A Christmas Carol vooral schreef om eindelijk weer eens wat geld te verdienen, nadat zijn vorige roman een flop was geworden. En dat het geld aanvankelijk niet met bakken binnen kwam. Terwijl Scrooge in één nacht een onbaatzuchtig mens werd, zo schrijft Kooiman, schreef Dickens – nadat hij de eerste afrekening van zijn uitgever had ontvangen – een woedende brief aan zijn vriend John Forster: ‘Gisterenavond kreeg ik de verkoopcijfers van mijn Christmas Carol en ik heb de hele nacht geen oog dicht gedaan. Schoften zijn het, die uitgevers! Een smerige tweehonderd pond is al, wat ze me gestuurd hebben.’

Twee scènes uit Dickens’ A Christmas carol: zó hoort kerst eruit te zien. Getekend door Arthur Rackham. Via Pixabay (publiek domein).

De Haarlem Branch van The International Dickens Fellowship geeft twee maal per jaar het tijdschrift The Dickensian uit, waarvan zes nummers via de website zijn te lezen.  Van de in dit artikel genoemde bundel ‘Dickens in de Lage Landen’ is nog een klein aantal voor slechts € 14,50 via de website te bestellen.

Het drukbezochte Dickens Festijn in Deventer, met 950 vrijwilligers die zich als Dickenskarakter hebben verkleed één van de leukste festivals van Nederland, kon in 2020 vanwege de coronapandemie niet doorgaan, en ook dit jaar zit dat er weer niet in. Op 10 en 11 december 2022 hoopt men alsnog de dertigste editie te kunnen vieren.

Tekst: Arnoud van Soest

Bronnen: Voor dit artikel is gebruik gemaakt van het krantenarchief www.delpher.nl van de Koninklijke Bibliotheek en het boek ‘Godfried Bomans, Dickens, waar zijn uw spoken?’, waarin zijn beschouwingen over Charles Dickens zijn verzameld. Het fragment uit A Christmas Carol is door Else Hoog vertaald.

Publicatiedatum: 23/12/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.