Musea

Onze provincie kent een hoop bekende en minder bekende musea, die we op Oneindig Noord-Holland graag in het zonnetje zetten.

Verhalen

Bakkerijmuseum ‘In de Gecroonde Duyvekater’

Het bakkerijmuseum aan het Zeilenmakerspad is gevestigd in een 17e-eeuws pand. Het stamt uit 1658, was aanvankelijk een woonhuis maar werd in 1758 verbouwd tot bakkerij. Bijna twee eeuwen, tot 1956, zijn de ovens in gebruik geweest.

>

Het museumwinkeltje van grootgrutter Albert Heijn

Hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, ook Albert Heijn, de grootste kruidenier van Nederland, is ooit heel klein begonnen. In 1887 werd in  het dorp Oostzaan, onder de rook van Amsterdam, de basis gelegd voor het latere kruideniersimperium.

>

Het Museum van het Nederlandse Uurwerk

Het pand waarin het Museum van het Nederlandse Uurwerk is gevestigd, is het laatste huis dat naar de Zaanse Schans werd overgebracht. Het voormalige wevershuis - een bedrijfspand met woning - werd gebouwd in de tweede helft van de 17e eeuw.

>

Een onbekende Soldaat van Oranje

Een van de meest aansprekende verhalen die schuilgaan achter de tentoongestelde vliegtuigonderdelen in het Assendelftse luchtoorlogmuseum is dat van de verongelukte Spitfire van Ab Homburg.

>

Huizer Museum Het Schoutenhuis

Hoezo, een gekozen burgemeester? Het beroep van schout, hoofd van het dorpsbestuur en de politie, was in het begin van de negentiende eeuw gewoon te koop. Dit blijkt uit de aankoopakte van Jan Hendrik Habermehl die op 3 juli 1806 voor tweeduizend gulden het herenhuis, met stalling, erf en grond, aan de Achterbaan 82 te Huizen kocht. Daarnaast kocht hij voor drieduizend gulden het ambt van schout.

>

Verzetsmuseum in Amsterdam: alsof je er zelf bij was

"Hé, die herken ik nog! Dat was me toch wat hè?" Een oude man met rollator komt vrolijk aanrollen tussen de vitrines met voedselbonnen en afscheidsbrieven, gegooid uit de trein die duizenden joden naar Auschwitz bracht. In het Verzetsmuseum herleven de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog.

>

Het Frans Hals Museum dankt zijn ontstaan aan een rederijkersfeest

Het Frans Hals Museum is gevestigd in een gebouw dat zijn ontstaan dankt aan een rederijkersfeest: het Landjuweel uit 1606. Op initiatief van de Haarlemse rederijkerskamer De Pellicaen (beter bekend onder zijn motto: ‘Trou moet Blycken’) werd een feest georganiseerd ten bate van het oudemannenhuis. Met de opbrengst uit een grote loterij kon het oudemannenhuis vervolgens worden gebouwd. Het was destijds een van de vroegste bejaardentehuizen ter wereld; tegenwoordig is het een prachtige setting voor de collectie oude kunst van het museum.

>

Het Nederlands Vestingmuseum

De vestingstad Naarden is nu een groene parel in het Gooi, een oase van rust in de jachtige Randstad, met prachtige huizen, stoere kazernes en begroeide wallen. Maar eens was Naarden een moderne militaire verdedigingspost, om de toegangsweg tot het rijke gewest Holland en de koopmansstad Amsterdam tegen een mogelijke vijand te verdedigen.

>

De Weeshuiskazerne in Naarden

Het Comenius Museum aan de Kloosterstraat was ooit een klooster, daarna een weeshuis en vervolgens lange tijd een kazerne. Niet alleen werden er Nederlandse soldaten gelegerd maar ook Fransen, Belgen en Duitsers. Het waren de Fransen die het weeshuis aanwezen als een kazerne.

>

Napoleon bezoekt Teylers Museum

Tijdens het verblijf van keizer Napoleon Bonaparte in Noord-Holland in oktober 1811 maakten ook de steden en dorpen in Kennemerland kennis met hun nieuwe heerser. Al was het maar kort, want Napoleon hield van opschieten. Meestal was hij in een flits voorbij.

>

1928: Opening Nederlands eerste Molenmuseum

Op een voorjaarsdag in 1928 arriveerde prins Hendrik, gemaal van koningin Wilhelmina, in Koog aan de Zaan om persoonlijk het Molenmuseum aan de Museumlaan te openen. Na afloop schoof hij aan tafel bij de familie Duyvis om een vorkje mee te prikken.

>

Dagje uit in Langedijk

Op een mooie zomerdag is het een aanrader om eens naar het Noord-Hollandse dorp Langedijk te gaan, tien kilometer ten noordoosten van Alkmaar. Je kunt daar bijvoorbeeld een bootje huren en genieten van de mooie omgeving en de rust. De vele sloten in Langedijk geven je urenlang vaarplezier. Het meer 'De Noorderplas' nodigt uit voor een frisse duik op een warme zomerdag. Je kunt met een groep vrienden of familie kano's te huren, het Oosterdelgebied verkennen en dan ook nog overstappen naar het kanaal tussen Alkmaar en Kolhorn.

>

Het Oude Raadhuis van Hilversum (nu Museum Hilversum)

In de burgemeesterskamer van het Oude Raadhuis worden nu exposities georganiseerd en in de raadszaal kun je een bruidspaar aantreffen. Tot 1931 ging het er hier heel anders aan toe. Anderhalve eeuw lang werd er recht gesproken.

>

Opening Museumstoomtram Hoorn-Medemblik op koninklijke wijze

Wat in 1968 begon als een excursie met leden van de landelijke Tramweg Stichting, groeide tot 1972 langzaam uit in een toeristische dagbesteding met 18.000 reizigers per jaar. Voordat men het wist was het railtraject Hoorn-Medemblik als een museale stoomtram in functie, zonder dat het ooit officieel als zodanig was ingeluid. Vier jaar na de eerste rit in 1968 kwam het er dan eindelijk van: op zaterdag 29 april 1972 zou de Stoomtram Hoorn-Medemblik vorstelijk worden geopend.

>

Purmerends Museum

Het Purmerends Museum bevindt zich in het oude stadhuis van de gemeente Purmerend. Het stadhuis is gebouwd in 1911 en werd ontworpen door de bekende architect Jan Stuyt. In het museum is voorts veel aandacht voor de graficus Jac. Jongert, een van de belangrijkste kunstenaars die Purmerend heeft voortgebracht.

>

Willet-Holthuysen: museum tegen wil en dank

Museum Willet-Holthuysen is gevestigd in het voormalige woonhuis van de negentiende-eeuwse Amsterdamse verzamelaar Abraham Willet en zijn echtgenote Louise aan de Herengracht. Dat het museum in 1996 zijn eerste eeuwfeest heeft gevierd is allerminst een vanzelfsprekendheid. Het bestaan heeft verschillende keren aan een zijden draadje gehangen.

>

Een bezoek aan Teylers Museum

In de achttiende eeuw was Teylers Museum niet op alle werkdagen geopend. Het museum was alleen op dinsdag open, van 10 tot 13 uur. Dat wil zeggen: voor inwoners van Haarlem. Vreemdelingen, waarmee iedereen bedoeld werd die niet in Haarlem woonde, konden zich iedere dag, behalve op zondag, tussen 12 en 13 uur melden bij de kastelein (de beheerder van de kunstverzamelingen en de gastheer van het museum).   In het begin werden bezoekers alleen toegelaten als ze schriftelijke toestemming hadden van de bestuurders van Teylers Stichting of museumdirecteur Martinus van Marum. In 1805 besloten directeuren de handgeschreven toestemming te vervangen door een gedrukt toegangsbiljet. Deze biljetten zijn de oudst bekende museumkaartjes van Nederland.

>