De Gala-berline: de ‘gele maserati’ van Jonkheer van Loon

Museum Van Loon aan de Amsterdamse Keizersgracht is er trots op één van de mooiste koetsen die in Nederland bewaard zijn gebleven te kunnen laten zien: de Gala-berline. Vergaap u dus gerust aan de 'gele Maserati' van 1900.

De koets, die Jonkheer Louis van Loon in 1902 liet bouwen, staat normaal in het depot van Museum Nienoord en was in 2007 voor het laatst te zien op een tentoonstelling in Paleis het Loo. Maar dit jaar is het vijf jaar geleden dat het koetshuis van Museum Van Loon, dat tot 2008 privébezit van de gelijknamige familie was, kon worden gerestaureerd. En waar kun je zo’n eerste lustrum beter mee vieren dan met het tentoonstellen van het meestal spectaculaire rijtuig van de familie: de Gouden Koets. De koets is overigens niet goudgekleurd, maar fel geel en dat geel staat dan weer voor het goud dat in het familiewapen van de familie Van Loon is verwerkt.’Gala-berlines’, het is een wat wonderlijke benaming die niet bij iedereen een belletje zal doen rinkelen, zijn zeer luxe pronkkoetsen, zoals de Gouden Koets van de Koninklijke familie er ook één is. Er zijn er nog maar vier van over in Nederland.

Museum van Loon was blij dat ze in 2008 het koetshuis van de familie konden aankopen, vertelt directeur Tonko Grever: “We wilden het koetshuis graag verwerven, omdat er nog zoveel bewaard is gebleven van de rijtuigen, van de met zilver versierde tuigen en van de kleding die de lakeien droegen.”

De in 1902 gebouwde Gala-berline van de familie Van Loon. Beeld: collectie Museum van Loon

Al die bruggetjes

De Gala-berline van de familie Van Loon moest weliswaar opgeknapt, want hij stond zwak op zijn wielen. Maar dat is inmiddels verholpen met behulp van wat moderne crowdfunding. De koets glanst weer als vanouds. En oh ja, je kunt er wel mee rijden, maar dat is het museum voorlopig niet van plan. “Het ding heeft geen remmen en met al die bruggetjes in Amsterdam moet je toch wel een knappe koetsier zijn om er mee te kunnen rijden, ” vertelt Willem te Slaa, die zich in de Nederlandse geschiedenis van de Gala-berlines heeft verdiept.

Het uiterst luxe rijtuig, dat door twee paarden werd voortgetrokken, zou naar verluid in Berlijn zijn ontworpen, maar dat is volgens Te Slaa helemaal niet zeker. “Het verhaal gaat dat een Duitse diplomaat in een revolutionair rijtuig naar Parijs zou zijn gereden, maar dat is nooit bewezen. Voor het gemak zijn ze dit type koets maar berline blijven noemen.”

Museumdirecteur Tonko Grever vond het overigens ‘vrij absurd’ dat Jonkheer Louis van Loon zijn pronkkoets pas kocht op een moment dat de automobiel al zijn intrede had gedaan. “Hij heeft waarschijnlijk als allerlaatste in Europa dit rijtuig laten bouwen.” Aan Willem te Slaa dus de schone taak om dat eens haarfijn uit te zoeken, wat resulteerde in een boekje dat tegelijk met de tentoonstelling is verschenen.

De Gala-berline in volle glorie. Beeld: collectie Museum van Loon

Ga toch lopen

Als Te Slaa ons langs de tentoonstelling loodst, legt hij ons uit dat de ontwikkeling van de koets, anders dan in Italië, waar karossen uithangborden van weelde waren, laat op gang is gekomen.” In Nederland ging het meeste transport vrij lang alleen over water, omdat de wegen vaak ronduit slecht waren. Het Amsterdamse stadsbestuur vond de stad zelfs volslagen ongeschikt voor het koetsverkeer, al was het alleen maar vanwege de vele bruggen. Nee, dan Den Haag, met zijn brede straten; daar hadden ze niet eens bruggen …

Log en zwaar

De eerste koetsen of karossen waren nog vrij log en zwaar, maar in 1667 schrijft de bekende wetenschapper Christiaan Huygens, die een tijd in Parijs woonde, enthousiast aan een vriend dat er in de Franse hoofdstad een nieuw type rijtuig is gesignaleerd. Hij maakt er meteen maar een tekeningetje bij, waarop te zien is hoe niet één balk, maar twee balken de assen met elkaar verbinden, wat de koets niet alleen stabieler (minder kantelgevaar) maar ook wendbaarder maakt.

Museum Van Loon is er best trots op dat ze die brief kan laten zien, want in de geschiedenis is het de eerste keer dat dit type koets, dat uiteindelijk onder de naam Gala-berline de geschiedenis in zal gaan, wordt beschreven. De koets die Jonkheer van Loon in 1902 bestelde bij rijtuigmakers in de Kerkstraat wijkt daar in principe niet eens zoveel vanaf.

De Gala-berline van Louis van Loon. Beeld: Collectie Museum van Loon

Troonzaal op wielen

Koetsen werden aanvankelijk vooral voor ceremoniële functies gebruikt. “Welgestelde heren, zoals koningen en keizers, gingen altijd te paard, terwijl de koningin in de koets zat.” De Franse koning Lodewijk de 14e was de eerste die naast zijn vrouw in de koets plaatsnam, vermoedelijk omdat je met een mooie koets meer pracht en praal kunt laten zien. De koetsen werden zó mooi gedecoreerd, dat ze ook wel ‘troonzaal op wielen’ werden genoemd.

Zoals wel vaker in adelijke kringen kreeg de koning al snel navolging. Aan het eind van de zeventiende eeuw lieten de rijkere Hollanders zich in koetsen naar hun buitenplaatsen vervoeren. Een eeuw later, zo valt op prenten te zien, was het Lange Voorhout in Den Haag, waar veel hoge adel en ‘high society’ woonde, een komen en gaan van koetsen. In de modetijdschriften van die dagen werd dus niet alleen aandacht besteed aan jurken en jassen, maar ook wat het juiste rijtuig was om je in te laten vervoeren, zodat je kon laten zien dat je in goeden doen was.

Gala-berline uit een 18de eeuws mode tijdschrift. Beeld: Collectie Museum van Loon

Pronken

Begin negentiende eeuw kwam er nieuwe ontwikkeling op gang. “Er kwamen koetsen voor diverse doeleinden. Je had rijtuigen voor als je op visite ging, om een plezierritje mee te maken of om mee te jagen.” De Gala-berline werd vooral ingezet om mee te pronken, om mee te reizen of naar de schouwburg te gaan.

Toen Willem te Slaa onderzoek deed naar de Gala-berlines in Nederland, vroeg hij zich natuurlijk af waarom Jonkheer Louis van Loon (1862-1953) zijn pronkkoets bestelde op een moment dat iedereen al aan de automobiel was. “De familie Van Loon had meerdere buitenhuizen in de buurt van Doorn, waar enorme stallen bij hoorden, met twintig paarden en 32 rijtuigen. In de winter woonde hij aan het Lange Voorhout en dan gingen al die rijtuigen op de trein naar Den Haag.”

Te Slaa vermoedt niet dat de jonkheer zijn Gala-berline voor de landelijke omgeving van Doorn zal hebben gekocht, want daar vonden weinig koninklijke optochten of adellijke huwelijken plaats. “Het is waarschijnlijker dat hij de Gala-berline voor bezoekjes aan het koninklijk huis gebruikte, want Prins Hendrik en hij kenden elkaar. De prins zocht hem regelmatig in Doorn op.”

Nee, Te Slaa denkt eerder dat Louis van Loon zijn pronkkoets kocht om in Den Haag de show te stelen. “Zijn Gala-berline was knalgeel en die viel dus ontzettend op. Vergelijk het maar met een Maserati, maar dan in 1902. Als je daarmee over straat rijdt, draait iedereen zijn hoofd wel om.” De familie Van Loon heeft in Amsterdam verschillende grachtenpanden gehad, waaronder de ambtswoningen van de burgemeester, dus de gele koets zal ongetwijfeld ook in de hoofdstad opzien hebben gebaard.

Het personeel van Jonkheer Louis van Loon in zomer Livrei. Beeld: collectie Museum van Loon

Palfenier

En dan is het tijd om een kijkje in het koetshuis te nemen. De Gala-berline glimt ons tegemoet, terwijl poppen het koetspersoneel uitbeelden: de koetsier en de palfenier. De koetsier zat op de bok en de palfenier, die achterin de koets zat, moest zich goed vasthouden. Het was zijn taak om het portier al te openen nog vòòrdat het rijtuig tot stilstand was gekomen.

Toen de automobiel zijn intrede deed, is nog wel even geprobeerd om de palfenier er achter te laten hangen, maar door de hoge snelheid was dat geen succes. Uiteindelijk, zo vertelt Te Slaa, zijn koetsiers tot chauffeur gebombardeerd. “Dat ging zo van: we hebben een koetsier, maar nu hebben we een auto: leer maar rijden.”

Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord waarom de jonkheer een oogstrelende koets kocht op het moment dat er al automobielen rond reden … Vijf jaar nadat broer Ernst zijn eerste auto’s had gekocht, liet Louis van Loon nog steeds aan het eind van de zomer zijn koetsen op de trein richting naar Den Haag zetten.

Te Slaa vermoedt dat hij wel weet waarom Van Loon vooralsnog niets van auto’s moest hebben: “Misschien hoopte hij dat er met de komst van Prins Hendrik weer iets van een hofcultuur zou ontstaan. Maar uiteindelijk is hij ingehaald door de snelle opkomst van de auto en moest ook Van Loon er aan geloven. Zijn dochter werd altijd in een rijtuigje naar school gebracht, maar in 1914 werden al zijn paarden door het Nederlandse leger gevorderd omdat de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken. Waarop hij tegen zijn dochter moet hebben gezegd: ‘Het spijt me, het is een noodzakelijk kwaad, maar we moeten met de auto.”

Auteur: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 24/10/2016

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.