Discussie rond J.P. Coen leidt tot nieuwe VOC-presentatie Westfries Museum

Met een vernieuwde VOC-zaal, die zaterdag 21 april werd geopend, is een langgekoesterde wens van het Westfries Museum in Hoorn in vervulling gegaan.

In 2011 brak er een discussie los over de vraag of Jan Pieterszoon Coen, van wie op het plein voor het museum een niet te missen standbeeld staat, nu een held of een schurk was. Hij was het immers die in 1621 de bevolking van de Banda-eilanden in Indonesië liet uitmoorden om het monopolie op de handel in nootmuskaat in handen te krijgen.

Het Westfries Museum maakte van de discussie een project, ‘De Zaak Coen,’ dat zelfs een prijs won. Doel was niet het vuurtje op te stoken, maar om de geschiedenis van de VOC op een evenwichtiger manier te belichten. De nieuwe VOC-presentatie is daar min of meer het vervolg op.

Afgelopen zaterdag werd de vernieuwde VOC-zaal officieel in gebruik genomen. Museumdirecteur Ad Geerdink vertelde dat een journalist hem had gevraagd of zo’n nieuwe presentatie niet de kat op het spek binden was, omdat er nogal wat te doen was rond ons koloniale verleden èn de figuur van J.P. Coen. Maar volgen Geerdink was de presentatie nu juist vernieuwd omdat in de oude presentatie geen aandacht was voor de keerzijde van de Nederlandse handelsexpansie in de 17e en 18e eeuw, waar we onze Gouden Eeuw aan te danken hebben.

Portret van Jan Pietersz Coen, ca. 1620-1675, anoniem. Beeld: Rijksmuseum

Onderbelicht

Door er nieuwe verhalen aan toe te voegen over ‘tot nu toe wat onderbelichte aspecten van de VOC’  was de presentatie er naar zijn mening alleen maar evenwichtiger op geworden. Maar het laatste wat het museum wilde was zich als een scherprichter over de geschiedenis opstellen. “We vellen geen oordeel , we leggen niemand een oordeel op. We willen alleen zoveel mogelijk verhalen naast elkaar laten zien, om een zo’n compleet mogelijk beeld te geven.”

Er was echter één probleem: verhalen over de keerzijde van de VOC hebben vrijwel geen tastbare herinneringen nagelaten, vandaar dat het museum de presentatie met hedendaagse kunst heeft aangevuld.

Allereerst is daar de installatie van Tineke Fischer,  die een prominente plek in de nieuwe VOC-zaal heeft gekregen. Daarvoor maakte ze 140 nootmuskaatnoten van keramiek. Ze zijn met een rood-gouden glazuurlaag bedekt en verbeelden de schedels van de inwoners van de Banda-eilanden, die in 1621 gruwelijk werden vermoord.

Tineke Fischer en ‘Nootmuskaat en foelie’. Foto: Westfries Museum

Fischer vertelde hoe ze in de voormalige VOC-zaal van het Westfries Museum op het idee van dit kunstwerk kwam toen ze zakken met nootmuskaten zag liggen. Ze verdiepte zich in de geschiedenis van J.P. Coen, die met zijn schip Halve Maen op weg ging naar een voor hem onbekende wereld. Hij kwam terecht op de Banda-eilanden, een paradijselijk eiland met een vriendelijke bevolking, die leefde van de nootmuskaat. Coen liet de bevolking op plantages voor hem werken en beschouwde de specerij als het nieuwe goud; hij zag er grote handelsmogelijkheden in.

De bezetting door de Hollanders leidde echter tot heftige schermutselingen. De bevolking kwam in opstand en werd vervolgens onthoofd, wat ze uiteindelijk in de installatie zou verwerken. “De nootmuskaten van keramiek staan voor de schedels van de mensen die toen zijn onthoofd, iets waarover je niets in onze geschiedenisboekjes leest, omdat die alleen over macht en rijkdom gaan.”

Nootmuskaat en foelie. Foto: Westfries Museum

Het tweede kunstwerk is van kostuumontwerper Rien Bekkers, die zich liet inspireren door een familieportret van Dirk Bas Jacobsz., medeoprichter van de VOC. Bekkers maakte de kostuums die op dit schilderij voorkomen na met papier uit boomschors en bananenblad, afkomstig van Bali.
Hij wil er mee laten zien dat de rijkdom die te zien is op 17e eeuwse familieportretten te danken is aan ‘de exploitatie van de rijkdommen in de Oost.’

Het derde kunstwerk is van fotograaf Geert Snoeijer, die portretten maakte van nakomelingen van kinderen die zijn voortgekomen uit relaties van VOC’ers (soldaten, zeelui, beambten), onder het motto: ‘De weeskinderen van de VOC.’

Tableau in miniatuur, Rien Bekkers. Beeld: Westfries Museum

Oudoom Jan

En toen was het de beurt aan cabaretier Diederik van Vleuten, die recent een boek heeft gepubliceerd onder de titel ‘Daar werd wat groots verricht’. Onder diezelfde titel was hij al twee jaar met een succesvolle theatervoorstelling door het land getrokken. In het boek beschrijft hij de ontmanteling van het Nederlandse koloniale rijk in de Oost. Dat doet hij aan de hand van de vier dagboeken die zijn oudoom Jan bijhield. Op die manier vertelt hij het verhaal van drie generaties Van Vleuten in Nederlands-Indië.

Directeur Ad Geerdink zag hem in een tv-programma en werd meteen getroffen door de ‘integere en evenwichtige’ manier waarin Van Vleuten over zijn boek vertelde. Geerdink: “Hij deed daarbij recht aan de gevoelens en gedachten van de generatie van zijn oudoom Jan, zonder de ogen te sluiten voor het wezen van het kolonialisme en het gewelddadige dekolonisatieproces.” Hij herkende daarin het evenwicht dat het museum had willen bereiken bij het inrichten van de nieuwe VOC-zaal.

File:Diederik van Vleuten (2018).jpg

Diederik van Vleuten bij De Wereld Draait Door, 2018. Beeld: Wikimedia Commons

Sprankelend

Vervolgens hield Van Vleuten een sprankelende dialezing, die werd gekenmerkt door dezelfde  ironie en humor die we van zijn theatervoorstellingen kennen. Hij had zijn lezing niet getimed, maar beloofde dat het publiek “de Kerstdagen in familiekring zou kunnen doorbrengen.”

Van Vleuten had de titel van zijn boek gebaseerd op een uitspraak van J.P. Coen, die in 1618 aan de Heren XVII van de Vereenigde Oostindische Compagnie schreef: “Daer can in Indiën wat groots verricht worden’. Die uitspraak, die Van Vleuten ironisch gebruikt, verwijst naar de manier waarop de generatie van zijn oudoom Jan naar Nederlands-Indië keek, zo vertelde hij eerder aan dagblad Trouw. Van Vleuten erkent dat J.P. Coen duizenden moorden op zijn naam staan, maar het zou wat al te simpel zijn om het koloniale verleden daartoe terug te brengen. De generatie van zijn oudoom Jan zorgde immers ook voor onderwijs, ziekenzorg en bruggen.

Suikerriet

In zijn ‘dia-lezing’ kwam van alles langs: de suikerfabriek van zijn familie en het jaarlijkse feest als de suikerriet werd geoogst, met als hoogtepunt de rondreizende bioscoop. De films werden op een groot doek vertoond, waarbij de baas van de suikerfabriek vòòr het doek zat en de ‘inlanders’ er achter, “maar die hadden ook een geweldige avond.” Het was een stomme film, dus stond er een ‘explicateur’ naast die vertelde wat er gebeurde. Helaas ratelde het apparaat zo hard, schrijft oom Jan, ‘dat we van de man nooit een woord hebben verstaan.’

Suikerfabriek op Java, H.Th. Hesselaar, 1849. Beeld: Rijksmuseum

Overstroming

Uiteindelijk keert Jan naar Leiden terug, waar hij enkele jaren verblijft om een gedegen opvoeding te krijgen. Zo maakt hij de overstroming van 1916 in Noord-Holland mee en schrijft naar zijn ouders in Nederlands-Indië: ‘Bij ons is er een meisje op school gekomen dat de watersnood heeft overleefd. Ze maakt het best. Wèl is haar hele huis weggedreven.’

Uiteindelijk keert Jan weer naar Nederlands-Indië terug, waar hij 25 jaar als planter van rubber en thee zal werken, om tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Jappenkamp te belanden. Hij zou er drie jaar blijven. Zijn vrouw Aukje mocht één keer per week een pakketje met wat kleren, medicijnen en andere spulletjes bij het kamp afleveren. De pakketjes moesten van een inhoudsopgave zijn voorzien. Persoonlijke boodschappen waren taboe. Schreef je iets persoonlijks, en het werd ontdekt, dan kreeg je een Japans pak slaag. Toch slaagde Aukje er in aan de inhoudsopgave iets toe te voegen: 1 x waszeep, 1 x tabak, 1 x chocola en 1 x zoen van Aukje.’

Auteur: Arnoud van Soest

Zie hier voor informatie over het Westfries Museum.
Informatie over Van Vleutens boek is hier te vinden.