Vijf topstukken uit het Verzetsmuseum in Amsterdam

Het Verzetsmuseum in Amsterdam gaat over gewone en bijzondere mensen, in Nederland en Nederlands-Indië, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hier ervaar je wat het betekent om je vrijheid en rechten te verliezen en in angst te leven. En dat het belangrijk is om je te verzetten tegen onderdrukking en op te komen voor mensen die gevaar lopen, toen en ook nu. Bekijk hier de geschiedenis van het Nederlandse verzet aan de hand van vijf museumstukken met een bijzonder verhaal.

Een emotionele afscheidsbrief.

Beeld: Verzetsmuseum Amsterdam.

Een emotionele afscheidsbrief.Een emotionele afscheidsbrief.

Een emotionele afscheidsbrief

‘Gewerkt voor de vrijheid heb ik deze zeer duur moeten betalen. De dood was de inzet. Deze partij heb ik verloren. (m’dag, 6 oct ’41) De tegenpartij beschikt nu over mijn leven. Ik hoop vurig, dat hij mij het leven schenkt. Voor hem is het niets, voor mij alles en het enige. Mijn moeder zal m’n dood niet kunnen overleven. (…) Om godswil en om mijn moeder, laat mij leven. In nood leert men bidden. Dit geldt ook voor mij.’

Dit is een fragment uit de emotionele afscheidsbrief van Arie Addicks. Addicks was een verzetsstrijder en medewerker van het illegale Parool. Aan het begin van de oorlog wordt hij opgepakt door de Duitsers en komt terecht in de gevangenis van Scheveningen. Achterop het kartonnen ‘huisreglement’ van het gevang schrijft hij een emotionele afscheidsbrief. Hij hoopt op gratie. Op 7 oktober wordt Arie Addicks gratieverzoek afgewezen. Het vonnis wordt dezelfde dag nog voltrokken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden bijna 20.000 Nederlanders vanwege verzetswerk door de Duitsers opgepakt. Tweeduizend verzetsmensen worden geëxecuteerd, Addicks is één van hen. Anderen krijgen een tuchthuisstraf of worden naar een concentratiekamp gestuurd. Vele van hen overleven hun gevangenschap niet.

Schrijfmachine Februaristaking oproep.

Beeld: Verzetsmuseum Amsterdam.

Schrijfmachine Februaristaking oproep.Schrijfmachine Februaristaking oproep.

Schrijfmachine Februaristaking oproep

‘Organiseert in alle bedrijven de protest-staking!!! Weest solidair met het zwaar getroffen Joodse deel van het werkende volk!!! Beseft de enorme kracht van uw eensgezinde daad!!!!! Staakt!!! Staakt!!! Staakt!!! Weest eensgezind!! Weest moedig!!!’

Begin 1941 gaan leden van de NSB zich in Amsterdam agressief gedragen tegen joden. Ze hangen bij cafés borden op met ‘joden niet gewenst’ en ze richten vernielingen aan in de oude joodse buurt. De Duitsers grijpen de incidenten aan voor hun eerste razzia’s op joden. En honderden jonge joodse mannen worden opgepakt, met bruut geweld bij elkaar gedreven en in overvalwagens afgevoerd. Amsterdammers zijn geschokt.

worden getypte protestpamfletten uitgedeeld. Op het papiertje zijn de woorden “Staakt! Staakt! Staakt!” met de pen toegevoegd. Het resultaat van de oproep overtreft alle verwachtingen. Tienduizenden werkers stromen de straten op naar protestbijeenkomsten Iedereen in de stad merkt dat er iets aan de hand is.

 

De stormachtige Februaristaking oproep werd getypt op deze schrijfmachine. Het is de typemachine van de Amsterdamse huisvrouw Coba Veltman. Coba was lid van de Communistische Partij Nederland en had de schijfmachine al voor de oorlog begon. In mei 1940 kreeg ze van de partij ook een stencilmachine om op grotere schaal pamfletten te maken. Op de tweede stakingsdag besluit ze ook zelf mee te helpen de pamfletten te verspreiden. Ze wordt gearresteerd en vastgezet in het concentratiekamp Ravensbrück. Het is een zware tijd maar de oorlog overleeft ze.

Een stippenkaart van Amsterdam.

Beeld: Verzetsmuseum Amsterdam.

Een stippenkaart van Amsterdam.Een stippenkaart van Amsterdam.

Een stippenkaart van Amsterdam

De eerste maatregelen tegen de joden lijken tamelijk onschuldig. In oktober 1940 moeten alle 200.000 ambtenaren op een ‘afstammingsformulier’ hun geloof en dat van hun ouders en grootouders invullen. Het is bekend dat deze ‘Ariërverklaring’ bedoeld is om de joodse ambtenaren te registreren. Toch worden de formulieren massaal ingevuld. Een maand later krijgen deze joodse ambtenaren ontslag. In januari 1941 moeten alle joden zich aanmelden voor registratie. Vrijwel iedereen gehoorzaamt. Want wat gebeurt er als je weigert? En waarom zou je niet uitkomen voor je afkomst?

Jo Spier, typograaf uit Amsterdam: ‘Toen de registratieplicht voor joden kwam, zagen we geen andere uitweg dan hieraan te voldoen. Ja, je zou kunnen zeggen dat we dit bevel gewoon hebben opgevolgd. We wisten natuurlijk ook niet wat ons te wachten stond. Niemand kon vermoeden dat vernietigingskampen de uitkomst zouden zijn.’ De registratie maakt het de Duitsers makkelijker om de latere maatregelen tegen de joden uit te voeren.

 

De stippenkaart (100 x 100 cm) is in 1941 in opdracht van de bezetters gemaakt door Amsterdamse ambtenaren. Iedere stip staat voor tien joodse inwoners. Van de 140.000 Nederlandse joden woonden er ongeveer 80.000 in Amsterdam.

De vermommingsbril van Hannie Schaft.

Beeld: Verzetsmuseum Amsterdam.

De vermommingsbril van Hannie Schaft.De vermommingsbril van Hannie Schaft.

De vermommingsbril van Hannie Schaft

Op de foto zie je Truus Oversteegen en Hannie Schaft in vermomming. Truus als man, zodat ze zich als verliefd stelletje kunnen voordoen. De roodharige studente Hannie sluit zich in 1943 in Haarlem aan bij een communistische verzetsgroep. De groep liquideert verraders. Noodzakelijk werk, vinden Hannie en haar strijdmakker Truus. ‘We hadden geen gevangenissen,’ vertelt Truus, ‘dus er was geen andere oplossing.’ Ze gebruiken verschillende vermommingen en Hannie draagt regelmatig deze bril tijdens haar verzetsactiviteiten.

Wanneer de Duitse politie opzoek gaat naar een ‘roodharig meisje’, verft Hannie haar haren zwart en draagt een bril met vensterglas. De veranderingen blijken niet voldoende. In 1945 – vlak voor de bevrijding – wordt ze gearresteerd en in de duinen doodgeschoten.

Het gereedschap van vervalser Gerrit van der Veen.

Beeld: Verzetsmuseum Amsterdam.

Het gereedschap van vervalser Gerrit van der Veen.Het gereedschap van vervalser Gerrit van der Veen.

Het gereedschap van vervalser Gerrit van der Veen

De Duitsers voeren allerlei officiële documenten in om de Nederlanders te controleren: vrijstellingen voor de arbeidsinzet, fietsvergunningen, enzovoort. Valse papieren zijn daarom onmisbaar voor onderduikers en verzetsmensen. In 1941 en ’42 worden de eerste pogingen gedaan om persoonsbewijzen te vervalsen. De naam wordt weggebleekt; de ‘J’ van Jood wordt met een mesje verwijderd en overgeplakt. De technieken worden langzaam maar zeker verbeterd.

De Persoonsbewijzencentrale (PBC), in 1942 opgericht door de beeldhouwer Gerrit van der Veen, groeit uit tot de grootste vervalsingsorganisatie. Eind 1943 wordt de Falsificatie Centrale (FC) van de Landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) de tweede grote vervalsingsorganisatie. Beide organisaties produceren honderdduizenden valse papieren. Ze geven zelfs catalogi uit van leverbare valse stempels.

 

Gerda, de dochter van Gerrit van der Veen, heeft het gereedschap altijd bewaard. Ze heeft haar vader in 1943 voor het laatst gezien. Gerrit werd in 1944 opgepakt en gefusilleerd na een mislukte bevrijdingsactie van verzetsvrienden uit de Weteringsschansgevangenis in Amsterdam.

Auteur: Verzetsmuseum Amsterdam

Publicatiedatum: 08/04/2016