Het ontstaan van de ‘nationale schatkamer van Nederland’, het Rijksmuseum, is voor een groot deel te danken aan de broer van keizer Napoleon, koning Lodewijk Napoleon. De voorloper van dit museum, De Nationale Kunst-Galerij, opende ten tijde van de Bataafse Republiek haar deuren in het door de patriotten geconfisqueerde Huis ten Bosch. Lodewijk Napoleon breidde deze collectie flink uit en verhuisde het inmiddels tot “Koninklijk Museum” omgedoopte instituut naar Amsterdam. De collectie werd in twee kamers van het Koninklijk Paleis op de Dam aan het publiek getoond. Na de machtswisseling bracht Koning Willem I dit museum onder in het statige Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal, tezamen met de Koninklijke Academie. Aan de krappe en rommelige behuizing van het museum kwam pas een einde bij de opening van het nieuwe Rijksmuseumgebouw in 1885, destijds aan de rand van de stad.
>
4 min