Scholing voor ‘een volk van metselaars en timmerlieden’

Haarlem, 24 oktober 1811. Spanning en bedrijvigheid in Haarlem. De keizer is in aantocht. De burgemeester en andere belangrijke Haarlemmers bijten op hun nagels van de zenuwen. Dat geldt ook voor de leiding van het voornaamste reisdoel van Napoleon voor vandaag: het Teylers Museum.

In de beroemde Ovale Zaal van dit museum staat de oude regent Adriaan van Zeebergh, een van de bestuurders van het museum. Naast hem staat zijn rivaal Martinus van Marum, de directeur. Ze hebben met grote spanning naar dit bezoek uitgekeken. Zal de grote elektriseermachine, de trots van Martinus van Marum, het doen? Van Marum heeft gehoord dat Napoleon grote belangstelling heeft voor elektriciteit, dus er hangt heel wat van af.Het begin van het bezoek valt beide heren niet mee. De keizer vraagt aan de heer van Zeebergh hoe hoog de inkomsten van het museum zijn. Zweetdruppels parelen op het voorhoofd van de deftige regent. Hij ontwijkt de vraag. De kleine keizer trekt de veel langere man aan zijn oor naar zich toe en zegt: “Ik begrijp dat u het me niet wilt vertellen, maar ik kom er toch wel achter”.

Ovale Zaal Teylers Museum Haarlem

Ovale Zaal Teylers Museum Haarlem

De toon is gezet en de keizer wendt zich nu kribbig tot de heer van Marum. Hij vraagt naar de manier waarop het museum doet aan kennisverspreiding. Napoleon vindt het antwoord maar niks. Een gepensioneerde predikant die af en toe in het museum lezingen geeft aan een klein publiek? Dat vindt de keizer wel erg mager. Napoleon laat weten dat kennis veel ruimer verspreid moet worden en dat daarvoor iedereen moet worden ingezet. De keizer roept: “Soyez utile!” (“Wees nuttig!”) Van Marum is blij met dit antwoord, want dat is precies wat hij ook wil.Wel is het jammer dat de lucht in de zaal te vochtig is om de werking van de elektriseermachine te laten zien, maar Van Marum kan hem allerlei andere apparaten tonen, die grote indruk op de keizer maken. Het bezoek van de keizer eindigt in een overwinning van Van Marum op zijn rivalen. Napoleon en Van Marum zijn het eens over de functie die het museum eigenlijk zou moeten hebben: kennis overdragen aan iedereen die het maar wil horen.

Gegoede burgers

In de jaren voor het bezoek waren cultuur en wetenschap een zaak van rijke particulieren. Zij lieten schilderijen maken om in hun herenhuizen of paleizen op te hangen. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw, tijdens de Verlichting, kwam de gedachte op dat culturele ontwikkeling iets voor bredere lagen van het volk moest zijn. Rijke idealisten richtten genootschappen op, waar ze lezingen lieten geven over culturele of wetenschappelijke onderwerpen. Hun ideaal was om zo te komen tot een stand van ontwikkelde burgers. Jan met de pet bleef er nog buiten. Over hoe breed de doelgroep moest zijn, daarover verschilden de meningen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de geschiedenis van het Teylers Museum, in 1784 opgericht met de erfenis van de steenrijke koopman Pieter Teyler van der Hulst en daarmee het oudste museum van Nederland.Het museum was al snel in de hele wereld bekend om zijn natuurwetenschappelijke verzameling, om de experimenten en om de boeiende lezingen. Al in de vorige eeuw was het museum bezocht door de toenmalige stadhouder Willem V en door de latere Amerikaanse president Thomas Jefferson.Martinus van Marum was de eerste directeur van het museum. Hij had zelf grote belangstelling voor de natuurwetenschappen en was altijd in de weer met machines en experimenten. De nog maar net ontdekte elektriciteit had zijn bijzondere belangstelling.

Elektriseermachine, Teylers Museum

Elektriseermachine, Teylers Museum

Van Marum stond al vanaf het begin op slechte voet met het stichtingsbestuur. Ze hadden sterk verschillende visies op de taak van het museum. Van Marum kocht driftig nieuwe apparaten en collecties aan en wilde graag dat alle verzamelde kennis met zoveel mogelijk mensen werd gedeeld. Hij was een vertegenwoordiger van de zogenaamde utilitaire (op nut gerichte) stroming. Het stichtingsbestuur was een stuk zuiniger aangelegd. Zij vonden het voldoende om alleen de meest gegoede burgers te laten kennismaken met al het fraais dat het museum te bieden had. Hun visie staat bekend als fysicotheologie: de natuurwetenschap dient vooral om het bestaan van God te bewijzen.Van Marums succes bij het bezoek van de keizer was niet direct doorslaggevend in zijn machtsstrijd. Zo snel ging dat in die tijd niet. Toch kregen in de loop van de negentiende eeuw langzaam steeds meer mensen toegang tot het museum en ook tot nieuwe musea. Bestaande en nieuwe kennis drongen door tot meer lagen van de maatschappij. ‘Nuttig zijn’ is nu een uitgangspunt van ieder museum geworden – en zeker van het Teylers. Op lange termijn gezien kun je zeggen dat keizer Napoleon en Van Marum hun tijd vooruit waren.

Goed geschoolde burgers

De aanhangers van de achttiende-eeuwse Verlichting zagen wetenschap, nijverheid en schone kunsten als één geheel dat diende tot verbetering van de mensheid. De Franse Revolutie kwam voort uit de Verlichting. En ook Napoleon, die dankzij de Revolutie keizer was geworden, was er sterk door beïnvloed. De keizer bevorderde dan ook de bemoeienis van de overheid met wetenschap en cultuur. Wel had hij er zijn eigen bedoelingen mee. Het ging hem zeker niet om ontwikkeling van zijn onderdanen tot kritische burgers. Hij wilde goed geschoolde burgers om die beter in te kunnen zetten als militairen en nuttige ambtenaren voor zijn regering. Het ging hem niet zomaar om interessante wetenschappelijke experimenten, maar vooral om het mogelijke militaire nut dat ze konden opleveren. Wetenschap en cultuur stonden uiteindelijk in het teken van zijn eigen macht. Dat het idealisme van de keizer betrekkelijk was, blijkt ook wel uit de invoering van de censuur vooraf in 1810. Met de censuur hoopte de keizer oproerkraaiers beter te kunnen bestrijden. Ontwikkeling van het volk was prima, maar ze moesten geen kritische vragen gaan stellen ten koste van de regering.In de Franse tijd kreeg de Verlichting in Nederland het tij mee. In de Republiek waren wetenschappelijke genootschappen per stad georganiseerd en opgericht op particulier initiatief. Daardoor bleven ze klein. Nu de Franse tijd een centrale staat bracht, werden de mogelijkheden ineens veel groter. Koning Lodewijk Napoleon had in 1808 al het Rijksmuseum opgericht. Daardoor werd het mogelijk om de schilderijen van vaderlandse meesters uit de Gouden Eeuw op één plaats te verzamelen en ten toon te stellen.Na 1813 kwam er een samensmelting van traditie en Franse tijd. Er kwam als voortzetting van de Haarlemse Maatschappij uit 1752 wel een Koninklijk Instituut, maar dit was niet sterk gecentraliseerd. Koning Willem I borduurde voort op de belangrijkste initiatieven van de Franse tijd. Uiteindelijk resulteerde dit in de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, die nog steeds bestaat.

Dubbele zuil van Volta, Teylers Museum

Dubbele zuil van Volta, Teylers Museum

Ongeletterde koetsier

Dat elk kind naar school gaat en dat het onderwijs aan kwaliteitscriteria voldoet, vinden we nu vanzelfsprekend. De eerste schoolwet bestaat echter pas sinds de Franse tijd.Daarvóór was het Nederlandse onderwijssysteem in vergelijking met andere landen al behoorlijk ontwikkeld. Sterker: het Nederlandse lager onderwijs gold als het beste ter wereld. Dit was onder andere te danken aan de activiteiten van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Deze maatschappij, in het kort ‘het Nut’ was in 1784 opgericht door een verlichte predikant en had in korte tijd al veel succes geboekt met haar streven naar onderwijsverbetering.Pas na 1795 ging de overheid zelf werk maken van het centraal regelen van het onderwijs. De eerste Nederlandse Schoolwet was hiervan het resultaat. Deze wet was ontworpen door Johannes van der Palm en werd van kracht in 1806. De overheid stelde eisen aan de kwaliteit van het hele lager onderwijs. Het was niet langer mogelijk dat, zoals in Brabant wel voorkwam, een ongeletterde koetsier onderwijzer werd. Om dit te bereiken werd een landelijke schoolinspectie opgericht. De wet stelde dat kinderen les moesten krijgen in groepen (klassen). Het onderwijs zelf werd minder slaafs en ging zich meer richten op de belangstelling van het kind. Ook verloor de (protestantse) kerk haar zeggenschap over het onderwijs. Dit bevorderde op zijn beurt de emancipatie van de katholieken en de Joden. De wet van 1806 was internationaal gezien erg ambitieus, maar was uitgedacht door mensen die kennis hadden van de praktijk.

Klassikaal onderwijs

Klassikaal onderwijs

In 1810 werd Nederland ingelijfd bij het keizerrijk. Ook toen bleef de schoolwet in stand. De Fransen waren namelijk zeer te spreken over de kwaliteit van ons lager onderwijs en dachten erover om in de toekomst zelf elementen uit het Nederlandse lager onderwijs over te nemen. Wel vond Napoleon dat het Nederlandse lager onderwijs erg veel vakken had voor een volk dat “vooral bestaat uit metselaars en timmerlieden”. Verder was de keizer geen voorstander van al te veel onderwijs voor meisjes. Immers: “het huwelijk is hun hele voorbestemming”, zo was de mening van Napoleon. De Schoolwet van 1806 bleef ook bestaan na het einde van de Franse tijd. Pas een halve eeuw later, in 1857, kwam er een nieuwe schoolwet. Het idee dat de Nederlandse overheid de kwaliteit van het onderwijs centraal moet regelen, is daarmee echt een verworvenheid van de Franse tijd.

Universiteiten in Harderwijk en Franeker

Het onderwijs in Nederland na de lagere school stak minder gunstig af bij dat in andere landen.De grenzen tussen lager, middelbaar en hoger onderwijs lagen twee eeuwen geleden nog niet zo vast als tegenwoordig. Wel werd in de Franse tijd voor het eerst nagedacht over waar die grenzen zouden moeten liggen. Na de lagere school kon men zich op de Latijnse school voorbereiden op de universiteit. Het belang van het Latijn als wetenschappelijke taal was al een hele tijd aan het afnemen en dat gold ook voor de kwaliteit van deze scholen. Het was pas na de Franse tijd dat echt wat werd gedaan aan die kwaliteit.Nederland kende in de achttiende eeuw vijf universiteiten: heel wat gezien de omvang van het land. Dat drie ervan waren gevestigd in Leiden, Groningen en Utrecht is voor ons nu wel te begrijpen, maar de vestigingsplaatsen van de andere twee lijken nu wat vreemd: Harderwijk en Franeker! Veel discussie was er over het gewenste aantal universiteiten. Moesten we er één overhouden? In dat geval lag de oudste en beroemdste, die van Leiden, het meest voor de hand. Lieten we ze allemaal bestaan? Maar Harderwijk en Franeker waren niet heel serieus te nemen. En moest het Athenaeum Illustre in de nieuwe hoofdstad Amsterdam niet worden gepromoveerd tot universiteit? Martinus van Marum, de directeur van het Teylers Museum was lid van een commissie die zich daarover boog. Als voorstander van wijde verspreiding van kennis vond hij dat alle universiteiten moesten blijven bestaan maar dat ze allemaal de nadruk moesten leggen op de natuurwetenschappen.

Napoleon hakte op 22 oktober 1811, dus tijdens zijn bezoek aan Amsterdam de knoop door. De Nederlandse universiteiten zouden worden opgenomen in het streng hiërarchische Franse systeem van de ene Keizerlijke Universiteit. Deze moest vooral dienen als instrument om goedgeschoolde Fransen te binden aan de staat. De Keizerlijke Universiteit zou vestigingen krijgen in Leiden en Groningen. De bestaande instituten in Utrecht, Amsterdam en Deventer kregen de rang vanécoles secondaires.Een decreet was snel uitgegeven, maar daadwerkelijke uitvoering was moeizaam. Zo waren de problemen met de financiering erg hardnekkig. Bovendien lagen er niet meer dan twee jaar tussen het decreet en de val van Napoleon. Het systeem heeft dus niet echt wortel kunnen schieten. Wel nam koning Willem uit de Franse tijd de afschaffing van de universiteiten van Franeker en Harderwijk en de grotere invloed van de centrale regering over.

Publicatiedatum: 29/09/2011