Verloren voorspoed

Keizersgracht Amsterdam, 20 september 1810. Douaniers doorzoeken het huis van de koopman Klahn op zoek naar smokkelwaar. Klahn is niet thuis, wel zijn hoogzwangere vrouw. De douaniers, nog onder invloed van voorgaande avond, vloeken en dwingen haar hen rond te leiden in het huis. Al snel gaat het gerucht over hun actie rond. Honderden Amsterdammers verzamelen zich aan de gracht.

Helemaal tot aan de Brouwersgracht staat het zwart van de mensen. En zowaar: onder een stapel turf vinden de ambtenaren enige smokkelwaar. Hun vondst verhit de gemoederen van de omstanders nog meer. Daarop proberen de douaniers, in het nauw gebracht, de menigte te verjagen met getrokken sabels. Het volk begint met stenen te gooien, waarop de belaagden naar hun geweren grijpen en gericht schieten. Enkele toeschouwers raken gewond en één overlijdt later.

Een vervallen stad

Amsterdam was een arme stad geworden toen de keizer haar bezocht. De belangrijkste oorzaken waren de afname van de handel en de groeiende oppermacht van de Engelsen op de wereldzeeën. Na de komst van de Fransen in 1795 moest de nieuwe Bataafse Republiek een flinke schatting betalen aan de veroveraars. De Verenigde Oost-Indische Compagnie, die het land de afgelopen twee eeuwen zoveel welvaart had gebracht, werd opgeheven. De Hollanders hadden in de hele wereld de naam nog steeds schatrijk te zijn, dus dat hielp ze niet bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding aan de ‘bevrijders’.

57b69f9727c0d17e154d4fb27b82c45a67901a53

Ingestorte huizen bij het Leidseplein

De bevolking was teruggelopen van 240.000 in 1780 naar 195.000 in 1811. De stad bood steeds meer een vervallen aanblik. Tal van huizen werden niet meer bewoond en het geld ontbrak om ze te onderhouden. De reguliere handel was als gevolg van het Continentale Stelsel, de handelsboycot tegen Engeland, vrijwel tot stilstand gekomen. Het aantal schepen dat Nederland binnenvoer, daalde van 2700 in 1805 naar 259 in 1810. De van oudsher belangrijke diamantnijverheid kwam helemaal stil te liggen. Ook in veel andere sectoren ging het erg slecht. Nu had Nederland in vergelijking met andere landen altijd een goed ontwikkelde armenzorg gehad. Het land kon zich die veroorloven doordat het eeuwenlang een erg rijk land was. Ook het calvinistische geloof speelde hier een rol bij. De armoede was nu echter zo groot dat dit stelsel onmogelijk te handhaven was. Daar kwam bij dat de Franse machthebbers het maar overdreven luxe vonden. De prefect van het departement Zuiderzee, de gehate graaf De Celles, eiste verdere verlaging van de steunverlening. Deze zou toch maar luiheid, losbandigheid en uiteindelijk nog meer armoede bevorderen.

De burgers bestolen

Met de annexatie van Nederland in juli 1810 nam de keizer nog een heel impopulaire maatregel, waarmee hij in eerste instantie vooral de rijken tegen zich in het harnas joeg. Napoleon zag daar geen been in, want hij was ervan overtuigd, dat de Nederlandse rijken over vele tonnen goud beschikten. Hij besloot tot ‘tiërcering’ van de enorme staatsschuld. Dat betekende dat de rijke burgers die grote delen van hun vermogen in staatsobligaties hadden belegd, nog maar een derde deel van de rente daarover kregen uitbetaald. Deze maatregel mocht dan vooral de rijken treffen, door de achteruitgang van hun koopkracht leed de hele bevolking eronder. Bovendien hadden ook veel liefdadigheidsinstellingen belegd in diezelfde obligaties. Veel Nederlanders vergeleken de tiërcering dan ook met de beruchte tiende penning van de hertog van Alva, die destijds een van de aanleidingen was voor de opstand tegen de Spanjaarden. Gouverneur-generaal Lebrun was echter onverbiddelijk: “Ik doe wat goed is voor mijn keizerrijk”.Ook kreeg Nederland te maken met de vaak merkwaardige Franse belastingen. Een voorbeeld daarvan was de belasting op deuren en ramen. De Nederlandse handel had kunnen profiteren van de inlijving door een vergroting van het afzetgebied. Nu immers was dat heel Frankrijk geworden. Maar ook dat voordeel gunden de Fransen ons niet: op alle producten die Nederland wilde uitvoeren naar de rest van Frankrijk werd een heffing gelegd van 50%. Zo werd de economische pil wel heel bitter.

‘Kelderratten’

Populair waren ze niet in het verarmde land, de douaneambtenaren in hun groene lakense uniformen, die ervoor moesten zorgen dat het Continentale Stelsel werd nageleefd. Hun bijnaam was ‘kelderratten’. Kort vóór de annexatie in juli 1810 waren ze aangesteld om de naleving van de boycot van Engeland af te dwingen. Ze werden gestationeerd in bestaande legerkazernes, maar ze maakten ook veel gebruik van gevorderde panden, de douanehuisjes. Het waren vaak Fransen, maar ook behoorlijk wat Nederlanders. Douaniers moesten militaire ervaring hebben. Om smokkelwaar te vinden, prikten ze vaak met hun sabels in ladingen en fouilleerden willekeurige passanten. Ze kregen dan wel een goed loon, pensioen en zelfs vakantiedagen, maar omdat juist de douaniers in de gevaarlijke buitendienst minder verdienden, stonden vooral zij bloot aan de verleiding van corruptie. De smokkel die ze moesten bestrijden, was wijdverbreid en hardnekkig. Heel veel goederen moesten immers worden ingevoerd. Nu de aanvoer stokte, moest men naar andere wegen zoeken. Soms ontwikkelde men surrogaatproducten, zoals bij voorbeeld bietsuiker in plaats van rietsuiker. Hiermee hield gouverneur-generaal Lebrun zich hoogstpersoonlijk bezig. Maar dit bood natuurlijk niet in alle gevallen soelaas. Smokkel was zo winstgevend dat heel veel burgers, tot zelfs kinderen toe, strenge straffen riskeerden. In sommige gevallen werden smokkelaars zelfs geëxecuteerd.

Napoleons boemerang

Waarom hechtte Napoleon zoveel waarde aan dat Continentale Stelsel, nu dat leidde tot een zo grote armoede in zijn eigen rijk? Hij beschouwde Groot-Brittannië als zijn grootste vijand. In dat opzicht was er geen verschil met de situatie sinds de Middeleeuwen. Al die eeuwen lang waren Frankrijk en Engeland (of Groot-Brittannië zoals het sinds 1707 officieel heette) elkaars aartsvijanden geweest. De Britten regeerden al minstens een eeuw de wereldzeeën. Geen land ter wereld was zo succesvol met het verwerven van winstgevende koloniën. De Britten vervoerden de gewilde producten uit de koloniën en zetten deze voor veel geld af in Europa. Omdat Groot-Brittannië een eiland is, kon het zich makkelijk beschermen tegen militaire actie vanuit Europa (splendid isolation). Dit zette natuurlijk veel kwaad bloed. Napoleon nam zich voor om de Britten, die hem en zijn machtspositie op het Europese continent nooit hadden geaccepteerd, op de knieën te dwingen. Had Napoleon het over Engeland, dan sprak hij van het ‘perfide Albion’. Zoals in een gedicht uit de Franse Revolutie stond: “Laten we het perfide Albion in zijn eigen wateren aanvallen”. Het was overigens niet Frankrijk dat de eerste stap zette. De Britten zelf begonnen in 1803 de invoer uit landen onder Franse invloed te belemmeren. Dit leidde tot een kettingreactie. Tenslotte kwam Napoleon in 1806 met het Continentale Stelsel. Elke haven binnen zijn machtsbereik moest Britse producten voortaan weren. De keizer was zo geobsedeerd door zijn streven om de Britse handel met Europa af te knijpen dat hij de ernstige economische gevolgen voor Europa en vooral Holland voor lief nam. Napoleon had zijn jongere broer Lodewijk op de Hollandse troon gezet met de opdracht: “Zorg, dat je een goed gevulde schatkist krijgt; houd de Engelsche kooplui uit je land en vergeet nooit, dat Frankrijk gaat vóór alles”. Vier jaar later vond Napoleon dat de koning niet was geslaagd: “Holland is een Britse kolonie en intussen nog meer de vijand van Frankrijk dan Engeland zelf. Ik wil Holland dan ook opeten”, zou hij hebben gezegd. Hij zette zijn broer af en lijfde het land in bij Frankrijk. Nu kon hij het Continentaal Stelsel zelf opleggen. Smokkelen werd daardoor steeds lucratiever, hoe zwaar de straffen ook waren. De omvang van de smokkel bereikte een schaal die nog nooit in de geschiedenis was vertoond. Gewoon werken werd in vergelijking met de grote winsten door smokkel steeds minder aantrekkelijk. Toen Rusland, officieel sinds vijf jaar zijn bondgenoot, weigerde zich ook aan het Continentale Stelsel te houden, begon Napoleon in 1812 zijn grote veldtocht tegen Rusland. Die liep rampzalig af. Zijn uiteindelijke val was nu onvermijdelijk. Het Continentale Stelsel werd Napoleons boemerang.

44820b86a58604094701c969d2bef3677e395c6f

Brandende douanehuisjes

Eindelijk gevlogen?

Toen het nieuws van de grote nederlaag van Napoleon bij de Volkerenslag van oktober 1813 een paar weken later tot Nederland doordrong, stortte het Franse gezag snel in. Het meest gehate symbool van dit gezag waren de douanehuisjes. Uitzinnige menigten vielen ze aan en staken ze in brand. Enkele regels uit een gedicht uit die tijd:Want wij die Nederlanders zijn, Wij hebben geen Douaans van noden, zij baren slechts gedurig pijn doch zij zijn eindelijk gevlogen. Toch verdween de douane na het herstel van de Oranjes niet. Koning Willem I wilde een moderne staat opbouwen en maakte graag gebruik van nuttige voorbeelden. Hij hield de moderne bureaucratische organisatie van de douane in grote trekken aan en ook de naam douane bleef bestaan. En de tiërcering bleef in de nieuwe Wet op de Nationale Schuld van 1814 gehandhaafd. Ook op economisch gebied koos de nieuwe koning dus voor continuïteit.

Publicatiedatum: 29/09/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.