Geraas en gedruis: de geluiden van de stad

Geluiden maken de stad. Wat zou Amsterdam zijn zonder rinkelende trambellen, de weemoedige klanken van een draaiorgel of het geroezemoes op de markt? Maar geluiden kunnen naast nostalgie ook irritatie oproepen. Denk aan de vaak beklaagde rolkoffers, overvliegende vliegtuigen of luide ringtones van mobiele telefoons. Welke geluiden hoorde men vroeger in de stad en wat was er toen anders dan nu?

Als Amsterdam in de negentiende eeuw in rap tempo groeit en industrialiseert, veranderen de dagelijkse geluiden die de stedeling omringen. Waren in de achttiende eeuw de kerkklokken nog de eerste klanken die opvielen als je de stad binnenkwam, een eeuw later is daar een scala aan geluiden bijgekomen. In beschrijvingen van tijdgenoten komen we constant een veelvoud aan stemmen, paardenhoeven, rijtuigen en karren tegen, om nog maar te zwijgen over nieuwigheden zoals de paardentram, stoommachine en telefoondraden. ‘In een stad als Amsterdam wordt het eigenlijk nooit geheel en al stil’, schrijft Justus van Maurik rond 1890. En dat is niet ver van de waarheid.

Mensen op straat bij de Oude Kerk, rechts de Enge Kerksteeg. Foto door Jacob Olie, 1894. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

De dag begint

Nog voordat de klok zes uur slaat, begint voor veel Amsterdammers de dag. Porders, menselijke wekkers, roepen en bonzen met veel kabaal op de deuren van arbeiderswoningen om het werkvolk wakker te maken. Rond die tijd trekken ook boeren uit de omgeving de stad binnen met hun karren volgeladen met groente en melk om te verkopen. ‘Ze ratelen onophoudelijk over bruggen en door de straten’, aldus Van Maurik, die er maar moeilijk bij kan slapen. Als de klok van de Oude Kerk negen uur slaat, is in bijna alle ‘stadsgedeelten de bedrijvigheid ontwaakt’ en ziet Van Maurik overal ‘menschen draven, stappen of kuieren, al naar hun vak of tijd ’t meebrengt’.

Vanaf negen uur volgen de stromen mensen elkaar op. Allereerst banjeren kinderen op weg naar school langs, vrolijk rennend en kwetterend door de nog half lege straten. Zij worden vergezeld van vrome katholieken die zich naar de kerk begeven en heren op weg naar hun kantoor. In de Kalverstraat openen de winkels hun deuren en gaan medewerkers aan de slag om etalages en uitstallingen in orde te brengen. Even later volgen toeristen op weg om de stad te verkennen en orgeldraaiers, die hun oorverdovende muziek dwars tegen elkaar in draaien. Rond het middaguur gaan de vroege werklieden schaften en verschijnen de visvrouwen en joodse venters met fruit in het straatbeeld.

Uithangbord van Manus de Porder in de Oude Looiersstraat, 1825. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Gewoel op straat

Een groot deel van het leven speelt zich in de negentiende eeuw af op straat. Hier worden door nijvere dienstmeisjes en huisvrouwen kleden uitgeklopt, laarzen en keukengerei gepoetst, kachels schoongemaakt, wasjes opgehangen en stoepen geveegd. ‘De straat werd als een soort voorplein van het huis gebezigd’, elke dag weer. Stil is het er nooit. En als de luide ratel door de straat klinkt, weet iedereen dat de vuilniswagen in aantocht is om het huisvuil op te halen. In de Jordaan en andere arme buurten kondigt een tweede ratel bovendien de strontkar of beerwagen aan – die ook wel spottend de ‘Boldootkar’ genoemd wordt, naar de eau-de-colognefabriek van Boldoot – want riolering ontbreekt dan nog op veel plekken.

Ook een groot deel van het betaald werk vindt plaats op straat. Hoefsmeden helpen paarden op de stoep voor hun winkels, kuipers en scharenslijpers trekken langs de huizen om hun diensten aan te bieden. Door de dunne ramen hoor je precies wat er voor de deur gebeurt. En dan zijn er nog de venters, wier luidruchtige manier van doen rond 1879 als volgt beschreven wordt: ‘Al deze kleine kooplui roepen, gesticuleren, glimlachen (…) in alle toonaarden. De kleinen roepen in majeur en de groten in mineur. Alle reclamefoefjes worden door deze bekwame handelaars gebruikt. Zij trekken de aandacht met ratels, castagnetten of slaan op oude pannen.’ Op plekken zoals de Jodenbreestraat is het soms een herrie van jewelste.

Venter in tafelzuur met achter hem een muur met affiches, 1899. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Pompen en heien

Dat zijn dan nog de menselijke geluiden. Maar de industrialisatie van de stad leidt ook tot grote bedrijven die draaien op stoomkracht – en die klinken heel anders. In 1876 beschikken 171 bedrijven in de oude stad over een stoommachine en die zijn vooral gevestigd in de Jordaan, Kadijken en op de Oostelijke en Westelijke Eilanden. De armere wijken, waar de bewoners onevenredig door geluidshinder getroffen worden. Een klacht over een stoommachine in de Warmoesstraat omschrijft het geluid als een ‘aanhoudend, geweldig geraas, dat dikwerf zelfs des zondags van ’s morgens vroeg tot aan den avond onophoudelijk voortduurt’. En dan hebben we het nog niet eens over de herrie van de werkzaamheden die met de stoommachine verricht worden, bijvoorbeeld in de diamantindustrie, drukkerijen, scheepsbouw en smederijen.

De populatie ongeschoolde arbeiders die in dit soort bedrijven werk vindt, groeit in de negentiende eeuw fors. Om de uitdijende stad te huisvesten en voorzieningen te bieden, is het dus nodig dat er gebouwd wordt – en flink ook. Naast woningen worden aan het eind van de negentiende eeuw grote bouwprojecten gerealiseerd, zoals het Centraal Station, Rijksmuseum, Concertgebouw, Panopticon en Parkschouwburg in de Plantage. En daarvoor moet geheid worden. Dat gebeurt aanvankelijk nog met de hand, vergezeld van heiliederen: ‘De heiers [trokken] het blok omhoog, tien of twaalf man, elk aan een touw, alle touwen verbonden met dat waaraan het blok hing. Het optrekken en loslaten moest natuurlijk precies gelijktijdig geschieden en daartoe zong de voorman-heier of ploegbaas liederen, op welker rhythme getrokken en losgelaten werd’.

George Hendrik Breitner, Bouwterrein in de buurt van de Overtoom, ca. 1890-1910. Een paard sleept een heipaal naar de bouwput. Rechts wordt een andere paal de grond in geslagen met een stoomheimachine. Collectie Amsterdam Museum.

Geblaat, geloei en gekakel

De geluiden van werk, bouw en industrie beginnen ’s morgens vroeg en gaan tot in de namiddag – en soms zelfs later – door. In de middag voegen nieuwe geluiden zich bij de kakafonie op straat. Vanaf een uur of één haasten nette heren zich met versnelde pas richting de Beurs, die om half twee opent. Als de beursklok over de Dam schalt, moeten ze voortmaken: ‘’t Beursklokje houdt kwart voor tweeën op met luiden, gaan we de trappen op, en maken we dat we binnen zijn, anders hebben we een kwartje boete.’ De nabijgelegen Kalverstraat stroomt vanaf een uur of drie vol met flaneurs en flaneuses, die babbelend de winkels bekijken of een koffiehuis induiken. Even later voegen de deftige beursgangers zich bij hen, om de koersen na te bespreken. ‘’t Wordt nu hoe langer hoe drukker’, schrijft een toeschouwer in 1875.

Andere beursgangers vertrekken per omnibus, een door paarden getrokken wagen, terug naar hun kantoor. Naast de omnibus doet in 1876 de paardentram zijn intrede in de stad. Lijnen rijden onder meer over het Damrak en door de Leidsestraat, waar het gekletter van paardenhoeven een regelmatig terugkerend geluid wordt. Daarnaast zijn de trams voorzien van bellen, die veelvuldig geluid worden om ongelukken te voorkomen.

De paarden die trams, omnibussen en privérijtuigen voortrekken, zijn echter niet de enige dieren in de stad. Zeker aan het begin van de eeuw worden dikwijls kudden loeiende koeien en blatende schapen over de grachten gedreven en zelfs zo laat als 1893 wordt nog een vergunning toegekend om een koe te mogen houden in de Kerkstraat. Op het Rembrandtplein scharrelen tot 1875 kakelende kippen en vóór de komst van het gemeentelijk abattoir in 1887 kunnen voorbijgangers het slachten van vee in de slagerijen duidelijk horen. Amsterdam lijkt soms haast een dierentuin met al die geluiden.

George Hendrik Breitner, De Dam, 1898. Het plein met het Koninklijk Paleis, de Nieuwe Kerk en rechts de gedenknaald – beter bekend als ‘Naatje’ – vormt het decor van een straattafereel op een regenachtige dag. Koetsen rijden langs het Paleis, terwijl mensen de Dam oversteken. De voorgrond wordt gevuld door drie paardentrams, glimmend van de regen. Collectie Amsterdam Museum.

De avond valt

Rond etenstijd, ongeveer tussen vijf en zeven uur, zijn de straten nagenoeg leeg en kent de stad een moment van rust. Dan valt de avond en ‘komen de bezoekers van schouwburg, varietés of volkspaleis, (…) opgevolgd door wandelaars, die een avondluchtje scheppen of eens gaan flaneeren; de koffiehuizen worden voller’. Bij uitgaansgelegenheden klinken muziek en stemmen. Ook de jaarlijkse kermis is al op grote afstand te horen, want daar gaat het ruig aan toe. Nette tijdgenoten klagen over lawaai van het schreeuwende en zingende gepeupel: ‘Zede- of zinlooze liedjes, onbesuisd hossen of zwieren, gillend geschreeuw tot in ’t holst van den nacht is ’t grootste genot voor ’t gemeen’. Vooral op plaatsen zoals de Zeedijk is het telkens raak: ‘’s-Maandags vooral zeilden troepen dronkelingen dwijlend de stad door, gearmd en schreeuwend’.

Terwijl het gehos in en om de cafés nog een tijd doorgaat, wordt het in andere delen van de stad langzaam stil. Als iedereen zijn bed opzoekt, zijn daar alleen nog het geluid van kerkklokken en het geklepper van de nachtwacht te horen, dat elk half uur de tijd aangeeft. De boomklok signaleert tot 1863 het sluiten van de slagbomen bij de havens van het IJ, zodat geen schepen de stad meer in of uit kunnen varen. De laatste rijtuigen ratelen over de bruggen en door de straten op weg naar huis. Een portier slaat dicht, het geratel sterft weg en dan… rust. Alleen het loeiende geluid van de wind door kluwen telefoondraden, als spinnenwebben gespannen boven de stad. ‘Telefoondraden, die fluisteren en zingen, als de wind er tusschen giert, en vertellen, dat Amsterdam een wereldstad is geworden’. Tot de nieuwe dag weer aanbreekt.

H.G. ten Cate, De kermis op de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein) bij avond, 1834. Rechts een wassenbeeldententoonstelling en een augurkjeskraam. Links poffertjeskramen. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

Publicatiedatum: 16/08/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

2 reacties
  • J. de Groot schreef:

    Heel mooi beeldend verhaal Sarah, met prachtig beeldmateriaal. Misschien is het leuk om ook iets over het ontstaan van de westelijke tuinsteden van Amsterdam te schrijven. In de 30er jaren schenen er al plannen te zijn voor de aanleg hiervan maar door de Tweede Wereldoorlog werd dit naar de 50er – en 60er jaren verplaatst. Kijk maar…

  • Herbert van Hasselt schreef:

    Voor Sarah: Een opmerking over foto 1 van Jacob Olie, 1894. We zien hier aan de NO-zijde van de Oude Kerk het Maria-raam. Dit is ook één van de ‘zwakke plekken’ van dit oudste rijksmonument, waar de Oetwalers al zingend het heiwerk verrichten in hun late middeleeuwen van de 15e eeuw. Dus om deze NO-muur extra te ondersteunen. Thans is de Oude Kerk precies hier alweer bezig met extra restauratiewerk, rond dit beroemde en kwetsbare raam met Maria, direct voor haar ten Helmelstijging (waarover Kees Fens ooit mooi schreef in zijn Volkskrant-column: ‘In het voorbijgaan’).

    Overigens.. die foto toont niet de Enge Kerksteeg (die is hier onzichtbaar, aan de NW-zijde, lopend van het Oudekerksplein naar de Warmoesstraat). Het zichtbare smalle stukje is dus ‘gewoon’ de Noordzijde van dit oudste stadsplein. Waar zich oioit de “Juliana Kindercrèche” (denk aan die geluiden!) bevond. Recent fietste ik er weer eens langs: nu is het er sterk verrommeld en ‘goed’ voorzien van tè veel, achtelose graffiti… (zie verder met de ‘binnen-geluiden’ v/d Oude Kerk: https://onh.nl/verhaal/in-de-amsterdamse-oude-kerk-sweelinck-bach-mozart-garner-part-taverner-glass-en-whitacre)

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.