Joods Amsterdam

De zeventiende-eeuwse Portugese synagoge aan het Amsterdamse Mr. Visserplein illustreert met zijn imposante verschijning de unieke positie die de joodse inwoners in Amsterdam bezaten. Vergeleken met elders ondervonden ze hier een ongekend grote tolerantie.

Een kathedraal op zijn joods

De Portugese synagoge werd gebouwd tussen 1671 en 1675. De Snoge of Esnoge is door de stadsbouwmeester Elias Bouwman ontworpen in Hollands classicistische stijl. Aan het interieur is in al die eeuwen weinig veranderd. Nog altijd is er geen elektrische verlichting en geen verwarming. Het gebouw was in zijn tijd de grootste synagoge ter wereld. Trots en zelfbewust toonde de joodse gemeenschap zich daarmee aan de buitenwereld. Iets wat elders niet altijd mogelijk was. Niet alleen in de 17de eeuw, maar ook in latere eeuwen was men onder de indruk van zijn verschijning. In 1934 schreef de Tsjechische journalist Egon Erwin Kisch: “De Portugese synagoge (…) is geenszins een verschrompeld, tot verstoppen geneigd verzamelhuis van illegalen, het is een prachtig bouwwerk, een kathedraal op zijn joods.”

Interieur van de Portugese Synagoge.

Interieur van de Portugese Synagoge. Beeld: collectie Joods Historisch Museum.

Sefardim en asjkenazim

De Snoge was bestemd voor de Amsterdamse joden van Portugese en Spaanse komaf. Deze zogenoemde ‘sefardim’ waren in hun thuislanden gedwongen om zich tot het christendom te bekeren. Uit vrees voor de inquisitie vluchtten ze eind zestiende eeuw naar Amsterdam, waar zij dankzij de tolerante houding van de plaatselijke overheid openlijk joods konden leven. Deze openheid kwam voor een deel voort uit economische overwegingen. De sefardim waren over het algemeen welgesteld en namen veel internationale handelscontacten mee.

In het tweede kwart van de zeventiende eeuw kwam er opnieuw een stroom joodse vluchtelingen naar Amsterdam. Ditmaal vanuit Duitsland en Polen. Deze ‘asjkenazim’ waren al snel in de meerderheid. Het waren vaak straatarme joden die een eigen taal spraken: het Jiddisch. Hoewel de rijke sefardim niet veel ophadden met de asjkenazim, reikten ze hun wel de helpende hand. Tot 1639 vormden ze samen een gemeenschap. Daarna scheidden de asjkenazim zich af. Ze openden een eigen synagoge en een eigen begraafplaats in Muiderberg.

Joodse begraafplaats, Ouderkerk aan de Amstel.

Joodse begraafplaats, Ouderkerk aan de Amstel. Beeld: collectie Provinciale Atlas N-H.

Tussen regels en vrijheden

Het verblijf van de joden in Amsterdam was wel aan regels gebonden. Begin zeventiende eeuw werden deze vastgelegd in stadskeuren. Net als alle andere niet-protestantse Amsterdammers moesten ze accepteren dat het calvinisme het heersende geloof was en ze mochten dat op geen enkele manier in diskrediet brengen. Christenen mochten niet bekeerd of besneden worden en joden mochten geen romantische relaties met christenen onderhouden.
Tevens mochten de sefardim en asjkenazim geen lid worden van de gilden, waardoor ze allerlei beroepen niet konden uitoefenen. Veel joden gingen zich daarom op de (internationale) handel richten.

Kijkje in de hoedenfabriek van de gebroeders Verduin, die in de jaren dertig in de Rapenburgerstraat 38-42 was gevestigd. Beide broers vonden de dood in Auschwitz. Stadsarchief Amsterdam

Joden mochten wel het poorterschap – het Amsterdamse burgerschap – kopen en hun geloof in alle vrijheid uitoefenen. Ze waren vrij om hun eigen instellingen op te richten en eigen wetten toe te passen. Dit gold uiteraard niet voor het strafrecht. Ze hoefden geen uiterlijke kenmerken te dragen en waren niet gedwongen om in zogenaamde ‘getto’s’ te leven. In de praktijk gingen de meeste Amsterdamse joden echter wel dicht bij elkaar wonen. Ze deelden immers dezelfde leefwijze en wilden graag in de buurt van de synagoge zijn.

Hoogduitse Grote Sjoel

Joods Amsterdam concentreerde zich vooral in het oosten van de stad, bij de Oostelijke Eilanden en de Jodenbreestraat. Daar waren ook diverse joodse scholen, instellingen en synagogen te vinden. Vlakbij de synagoge voor de Portugese en Spaanse joden kwam in 1671 een synagoge voor de Hoogduitse joden, de ‘Grote Sjoel’ op de hoek van de Nieuwe Amstelstraat. Het gebouw werd al snel te klein en gaandeweg werden er nog drie Hoogduitse synagogen tegenaan gezet. Elke synagoge had een eigen ingang en voorganger. Zo ontstond een groot Hoogduits synagogencomplex.

Joods leesplankje, 1925-30.

Joods leesplankje, 1925-30. Beeld: collectie Joods Historisch Museum. Dit leesplankje werd ontworpen door Schoontje Hartog Izabella Engelsman.

Emancipatie

Aan het einde van de achttiende eeuw telde de rijke Portugese gemeente bijna drieduizend zielen. Het aantal arme Hoogduitse joden was ongeveer zes keer zo groot. Gezamenlijk maakten de joden ongeveer tien procent uit van de Amsterdamse bevolking. In 1796 waren de joden niet langer ‘gasten’, maar formeel gelijkberechtigde staatsburgers.

In de loop van de negentiende eeuw emancipeerden de joden zich. Dit deden ze vooral door gebruik te maken van het vernieuwde openbaar onderwijs. De diamantindustrie bracht vanaf de jaren ’70 werk en vooruitgang voor veel joden, maar woonomstandigheden op de Oostelijke Eilanden bleven beroerd. De joden die het zich konden veroorloven verhuisden naar Amsterdam-Zuid. In de nieuwe wijken vormden zich daar kleine joodse gemeenschappen rond enkele synagogen.

Portret van Remy van Duinwijck.

Portret van Remy van Duinwijck. Een van de joodse kinderen uit de crèche in de Plantage Middenlaan. Beeld: collectie Joods Historisch Museum.

Een joods oorlogskind

In 1940 werd Amsterdam bezet door Nazi-Duitsland. Slechts een zevende van de Amsterdamse joden overleefden de Holocaust. Een van de slachtoffers was Remy.

In 2002 werd na zestig jaar de ware identiteit van het jongetje Remy uit de crèche duidelijk. De werkelijke naam van Remy, die in de crèche stond ingeschreven als Remy van Duinwijck, was Koenraad Huib Gezang. Koenraad (Koentje) werd op 29 januari 1942 in Den Haag geboren. De familie Gezang, vader, moeder, en twee zonen Edward en Koenraad, woonde aan de Noordwijkselaan in Kijkduin. Daar dook men op 13 augustus 1942 onder. Koentje verbleef eerst bij een tante, daarna bij de familie L.M. Dis in Overveen. Volgens de dochter van deze familie werd hij waarschijnlijk al na een paar dagen ondergebracht bij de familie Van Bunt, in Bloemendaal. De heer Van Bunt bracht Koentje naar ene dr. Bloementhal in de Euterpestraat in Amsterdam en die bracht hem op 30 oktober 1942 naar de crèche aan de Plantage Middenlaan tegenover de Hollandsche Schouwburg en gaf hem aan directrice Henriette Pimentel. In april 1943 moest Remy op transport. Tot 18 mei 1943 verbleef hij in Westerbork en hij werd op 21 mei 1943 in Sobibor vermoord.

Kleuterklas van de Eerste Joodse Kleuterschool , Rapenburgerstraat 52 (1935). De school werd door de armste kinderen uit de buurt bezocht. Op deze foto spelen ze de bruiloft van juf Eva Gans na, die op 11 juni 1943 in Sobibor werd vermoord. Foto komt uit het privébezit van mevrouw S. de Vries.

De draad opgepakt?

Na de oorlog probeerden de overlevenden zo goed en zo kwaad als dat ging de draad weer op te pakken. Er zijn verschillende joodse gemeenschappen, van orthodox tot zeer modern. Een flink deel van de oude Jodenbuurt was in de oorlog vervallen geraakt en nadien gesloopt voor de aanleg van de metro. Waar eens het joodse Vlooienburg lag, staat nu het Stadhuis/Muziektheater.

Op wonderbaarlijke wijze is de Portugese synagoge ongeschonden gebleven, evenals de rijke bibliotheek die daaraan verboden is. Na de oorlog zijn de diensten hervat. Het Hoogduitse synagogencomplex verkeerde in een erbarmelijke staat. Dankzij een grondige restauratie zijn deze synagogen met elkaar verbonden. Sinds 1989 is daarin het Joods Historisch Museum gevestigd.

Publicatiedatum: 26/11/2010