Magere Hein reed mee op de stoomtram door de Beemster

Als op 15 juli 1895 een stoomtram tussen Amsterdam, Purmerend en Alkmaar gaat rijden, is dat een grote verbetering voor de bereikbaarheid van Waterland en de Beemster. Maar de tram laat óók een verwoestend spoor van gewonden en doden achter.

Book 15 min

Door de stoomtram worden de dorpen in de Schermer en de Beemster, die voor die tijd alleen met paard en wagen, stoomboot of trekschuit te bereiken waren, ‘makkelijk en snel bereikbaar’, zo meldt Regionaal Archief Alkmaar op haar website.

Niet iedereen was het daar overigens mee eens. Een krantenverslaggever die in 1928 voor zijn werk naar Middelie afreist, moppert dat die vermaledijde tram ‘meer op een slak dan een tram lijkt.’ Maar goed, met de nieuwe stoomtram reis je in anderhalf uur van Alkmaar naar Purmerend en een uur later ben je in Amsterdam. Wie alleen van Alkmaar naar Amsterdam wil, kan ook met de trein; maar moet je in Waterland of de Beemster zijn, dan neem je de tram. Een tram die wordt geëxploiteerd door de Noord-Hollandsche Tramweg-Maatschappij.

Poster van de Noord-Hollandsche Tramweg-Maatschappij voor internationale toeristen, ca. 1912. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Amsterdam-Edam

Het avontuur van genoemde maatschappij begint overigens al in 1888, als op 13 december een tram tussen Amsterdam en Edam gaat rijden. Die tram doet ook Broek in Waterland en Monnickendam aan. Op 22 juni 1894 wordt de lijn doorgetrokken naar Purmerend. En het jaar daarop, op 17 juli 1895, rijdt de tram van Purmerend, via Middenbeemster, naar Alkmaar. De tram komt Alkmaar binnen aan de noordkant van het Noord-Hollandsch Kanaal, om uiteindelijk bij het station aan de Tienenwal te eindigen.

Als je in Amsterdam opstapt, moet je eerst met een bootje van het Centraal Station naar het tramstation aan de Valkenweg in Amsterdam-Noord varen, alwaar de tram staat te wachten. Een verslaggever van het Algemeen Handelsblad mag de nieuwe tramverbinding uitproberen. Via Buiksloot en ’t Schouw stomen ze op naar Purmerend, vanwaar ze aan de rit naar Alkmaar beginnen. Op elk tussengelegen station – Middenbeemster, Klaterbuurt/De Rijp, Schermerhorn en Stompetoren – worden ze door juichende mensen en een fanfare opgewacht.

Acht trambruggen

Voor de nieuwe verbinding moeten maar liefst acht trambruggen worden aangelegd, want de Beemster telt veel vaarten, maar de bestuurders in de regio werken daar graag aan mee, want de gemeenten De Rijp, Beemster en Schermerhorn zijn moeilijk te bereiken, helemáál in de winter. Bovendien vervoeren de trams ook goederen, zodat melk, kaas en vee makkelijker naar de markt kan worden gebracht. Op marktdagen rijden er zelfs extra trams.

Een verslag in het Nieuws van de Dag uit mei 1896, een jaar na de opening van de nieuwe tramverbinding, geeft een aardig beeld van hoe zo’n tramreis verliep. De reis begint in een in Zwitserse stijl opgetrokken gebouwtje voor het Centraal Station, vlakbij het water, op dezelfde plek waar later het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis zal verrijzen. Het gebouwtje dient als wachtkamer voor de stoomtram. Een klein bootje brengt de passagiers in tien minuten naar de noordkant van het IJ, waar de tram gereed staat. ‘Binnen eenige seconden snort en stampt het langs de ijzeren baan in flinke vaart, al sneller en wilder.’ Bij Buiksloot maakt de tram een scherpe bocht en duikt dan de diepte in, om door het Buikslotermeer te rijden, aan beide zijden door weilanden met grazend vee omringd.

Voor het Amsterdamse Centraal Station lag de steiger van de Noord-Hollandse Tram. Foto door Jacob Olie, 1896. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Geen deur-tot-deur

De eerste halte is Zunderdorp, maar dan ben je nog niet in het dorp zelf, want dat ligt op een half uur afstand. Even verderop, bij ’t Schouw, splitst de lijn zich op in een lijn naar Edam én een lijn naar Alkmaar, maar vandaag gaat de reis naar de kaasstad. Het valt de verslaggever op dat het land hier behoorlijk drassig is, alsof het water en het land op gelijke hoogte liggen. Even later rijdt de stoomtram langs ‘het Groot Noord-Hollandsch Kanaal’. De volgende halte is Watergang. Als je hier zou uitstappen en linksaf slaat, kun je in drie kwartier in het dorp Landsmeer zijn. Nee, het openbaar vervoer eind negentiende eeuw is nog ver verwijderd van het deur-tot-deur vervoer waar de NS nu mee adverteert.

Via hoge bruggen en weilanden bereikt de tram het dorp Ilpendam, waar Amsterdamse hengelaars graag mogen vertoeven. Even buiten het dorp stond ooit kasteel Ilpensteijn, dat in 1619 werd gebouwd en 25 jaar voordat de stoomtram gaat rijden wordt gesloopt. Alleen aan de bomen kun je nog zien waar het moet hebben gestaan.

Een hoogen toren

Als de tram zijn reis vervolgt, kun je rechts, maar dan wel in de verte, Monnickendam zien liggen ‘met zijn hoogen toren.’ Via een grote en sierlijke spoorbrug over het Noord-Hollandsch Kanaal rijdt de stroomtram uiteindelijk station Purmerend binnen, dat op dezelfde plek ligt waar de bussen zich nu verzamelen voor de laatste sprint naar Amsterdam.

Wat ooit een ‘liefelijk stedeke’ was, zo schrijft de verslaggever, is inmiddels uitgegroeid tot een van de voornaamste handelsplaatsen van Nederland, met een ‘kolossale’ veemarkt, die elke dinsdag plaatsvindt.

Maar daar kan de tram natuurlijk niet op wachten, want voort gaat de reis. De tram daalt maar liefst zes meter om de Beemster in te rijden. Het landschap bestaat uit ‘prachtige weilanden, waarin het heerlijke vee graast.’ Een kwartier later stoppen we bij station Middenbeemster, middelpunt van een merengebied dat tussen 1607 en 1612 werd drooggelegd. Tien minuten later doet de tram station de Rijp aan. Via de hoge Beemster Ringdijk en een ijzeren trambrug wordt de reis vervolgd naar Schermerhorn.

Stoomtram te Buiksloot, ca. 1903. Collectie Waterlands Archief.

Stompe Toren

Vervolgens rijdt de tram langs de Schermer ringvaart en al spoedig wordt de gemeente Stompe Toren bereikt. Veel tijd om de spitsloze toren van de Hervormde Kerk te bewonderen, waar het plaatsje zijn naam aan dankt, is er niet, want stoomwolken uitblazend rijdt de tram verder en hé, daar hebben we het Groot Noord-Hollandsch Kanaal weer, dat we in Purmerend hebben verlaten.

Een paar minuten later heeft de tram het eindpunt bereikt, te weten het tramstation van Alkmaar. Hoogste tijd voor een hapje en een drankje in het tegenover het station gelegen hotel annex café-restaurant ‘Het Amsterdamsche Wapen’.

Aan de tram wennen

Vanaf de eerste dag dat de tram voor de Beemster rijdt, rijden de boeren langs de tram, om de dieren zo spoedig mogelijk aan het stalen monster te laten wennen. En dat is best wel nodig, want paarden komen geregeld met het stalen monster in aanvaring.

In augustus 1911 rijdt de stoomtram op de Jisperweg (Beemster) tegen een groentewagen aan. Het paard slaat enkele maken over de kop, maar blijft ongedeerd. De groenteboer heeft minder geluk, komt onder het paard terecht en moet bewusteloos in het ziekenhuis worden opgenomen. En in mei 1931 schrikt een paard op de Ruiterweg (Beemster) dat een tilbury voorttrekt zó van een passerende tram, dat het dier tegen de tram op springt. Beide inzittenden worden uit het rijtuig geslingerd, om vervolgens met zware hoofdwonden in het ziekenhuis van Hoorn te worden opgenomen.

Op die ongelukken komen we later nog terug, maar eerst verdiepen we ons in de vraag wie van de stoomtram gebruik maakten. Allereerst kon je er uitstapjes mee maken. In juni 1912 rijden scholieren uit Opmeer met negen door paarden getrokken rijtuigen naar station Middenbeemster, om vandaar de stoomtram naar Amsterdam te nemen. Ze bezoeken Artis en het Aquarium en gaan naar de film in De Witte Bioscoop op het Damrak. ‘Hoogst voldaan en opgewekt’, zoals het scholieren betaamt, keren ze aan het eind van de middag weer naar huis terug.

Tram Purmerend-Alkmaar met Locomotief nr. 9, genaamd ‘Schermerhorn’, bij de halte op de Rijperweg in Middenbeemster, naast café Het Bonte Paard, ca. 1900. Collectie Waterlands Archief.

Betuwe van het Noorden

Maar de tram is ook een ideaal middel om in het voorjaar uitstapjes te maken naar wat een krant ‘Nederlands fraaisten polder’ noemt. Een andere krant prijst de Beemster zelfs aan als ‘De Betuwe van het Noorden’, met haar ‘lommerrijke wegen, welvarende boerderijen en mooie boomgaarden.’ Goed, ze hebben er dan misschien geen kersen, zoals in de Betuwe, maar boomgaarden met appels en peren heeft de Beemster in overvloed.

Vooral bewoners van de hoofdstad wordt aangeraden om van ‘de rijke voorjaarsbloemenweelde’ te genieten. Immers, ‘Hoe heerlijk frisch is de lucht, waarin de zoete geur van appelbloesem merkbaar is,’ zo schrijft de Maasbode. En dat allemaal in een polder waar in 1612 nog de golven klotsten. Natuurvrienden organiseren dan ook regelmatig uitstapjes naar de Beemster. Een beetje natuurvriend pakt natuurlijk de fiets, maar de tram is een mooi alternatief. ‘Verzamelen bij de Tolhuispont.’ En aangezien het natuurlijk niet eeuwig voorjaar blijft, worden in de winter extra trams ingezet om schaatsliefhebbers naar Monnickendam te brengen, zodat ze over de Gouwzee kunnen zwieren.

Tram met passagiers, conducteur en toeschouwers aan de Rijperweg in Middenbeemster, ca. 1900. Collectie Waterlands Archief.

Een heilig visioen

De Beemster heeft prachtige boomgaarden, maar het is er ook prettig wonen, zo vindt de burgemeester van de gemeente Beemster. Op een zonnige meidag in 1926 nodigt hij de pers uit om dat met eigen ogen te komen aanschouwen. De journalisten rijden met de tram naar Purmerend, waar ze met de auto worden opgehaald. Ze rijden over ‘eindeloze, kaarsrechte lanen’, bewonderen het bonte vee en snuiven de weidegeuren op. Een verslaggever van De Tijd wordt er lyrisch van en maakt gewag van de ‘overvloed van kleuren en geuren, gedoopt in het goud der zon en vergroeid tot een heilig visioen der schepping.’ De Tijd was een katholieke krant en kon dergelijke poëzie wel waarderen.

Het gezelschap wordt in de burgemeesterswoning ontvangen, waar ze op een geurig kopje koffie en ‘een lekkere sigaar’ worden getrakteerd. Niet alleen zal het gezelschap vooral uit heren hebben bestaan, in 1926 mag er ook nog volop worden gepaft. De burgemeester prijst zijn Beemster aan, waar niet alleen de laagste belasting van de hele provincie wordt geheven, maar waar je voor 4500 à 5000 gulden al een mooi buitenverblijf kunt laten neerzetten. Kortom, de Beemster is zeer geschikt voor forenzen. Hoe mooi zou het dan niet zijn als de stoomtram door een elektrisch exemplaar wordt vervangen?

Stoomtram op het Noordeinde in Monnickendam, ca. 1903. Collectie Waterlands Archief.

Elektrificatie

Uiteindelijk zal dat ook gebeuren, zij het alleen voor het traject Amsterdam-Purmerend. In 1932 schrijft het Algemeen Handelsblad dat de elektrificatie van dat traject al aardig vordert. Als de tram langs het Noord-Hollandsch Kanaal rijdt, ziet de verslaggever hoe het stroomdraad ‘reeds grootendeels gespannen is’ en hoe de haspels ‘met hun koperen last in de zon gloeien.’

Dat niet de hele tramlijn stroom krijgt, komt omdat de tram inmiddels moordende concurrentie ondervindt van de autobus. Vandaar de elektrificatie van de tramlijn, die ervoor moet zorgen dat je in drie kwartier van Amsterdam naar Purmerend rijdt, waar de stoomtram een uur over deed. Bovendien is men dan ook ‘den hinderlijken rook’ van de stoomtram kwijt.

Maar uiteindelijk zal de tram het toch niet redden. Allereerst is er niet voldoende geld om óók het traject Purmerend-Alkmaar van stroomdraad te voorzien. Maar dat niet alleen: tijdens de Eerste Wereldoorlog gaan de prijzen van steenkool omhoog en olie wordt schaarser. Dat maakt een tramkilometer zeven keer zo duur. Tot overmaat van ramp wordt dit deel van Noord-Holland in 1916 door een watersnoodramp getroffen, waardoor de tram een half jaar lang alleen tussen Alkmaar en Purmerend heen en weer kan rijden.

De Edamse Jaagweg wordt verbreed en de tram geëlektrificeerd, ca. 1900. Collectie Waterlands Archief.

Concurrentie van de autobus

Bovendien verliest de tram steeds meer vrachtvervoer aan vrachtauto’s en reizigers aan de autobus. Kortom, op 5 september 1931 rijdt de stoomtram voor het laatst van Alkmaar naar Purmerend. Autobussen van de Noord-Zuid Hollandsche Tramweg Maatschappij, voorloper van NZH/Connection, nemen het vervoer over. De trams tussen Amsterdam en Purmerend, die vanaf 23 juni 1932 op stroom rijden, rijden nog even door, maar op 15 mei 1949 komt ook daar een einde aan en nemen bussen van de Naco het openbaar vervoer over.

Het tramstation aan de Tienenwal in Alkmaar blijft nog een paar jaar staan, maar zal uiteindelijk plaats moeten maken voor huizen. Het tramstation Purmerend wordt in 2014 gesloopt en vervangen door het huidige busstation Purmerend Tramplein. Het tramstation aan de Adelaarsweg in Amsterdam-Noord houdt het wat langer vol, maar wordt in 1956 afgebroken om plaats te maken voor de IJtunnel.

Maar dat is nog niet het hele verhaal, want wie in het (digitale) krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek duikt, ontdekt dat de twaalf locomotieven van de Noord-Hollandse Tramweg Maatschappij behoorlijk wat ongelukken hebben veroorzaakt. De trams door het Gooi mogen dan 117 mensen het leven hebben gekost, waardoor de bijnaam Gooische Moordenaar onsterfelijk is geworden, de Noord-Hollandsche Tramweg Maatschappij kon er óók wat van.

De opening van de autobusdienst N.A.C.O. leidde tot het verdwijnen van de tram. De N.V. Nederlandsche Auto Car Onderneming (NACO) was een openbaar vervoerbedrijf te Alkmaar, oorspronkelijk gevestigd te Purmerend. Collectie Waterlands Archief.

Schapenmoordenaar

In augustus 1895 – de lijn is nog maar net geopend – is het al meteen raak als nabij Purmerend een stoomtram door een koppel van vijftig schapen heen rijdt. De machinist remt met alle kracht, maar kan niet voorkomen dat 17 dieren worden verpletterd. De goederenwagens ontsporen en de schapendrijver krijgt de schuld, omdat het baanvak alleen voor de tram is bestemd.

Maar er vallen vooral menselijke slachtoffers, en dan vooral jonge. In augustus 1901 wordt een 16-jarige jongen uit Amsterdam, die zich met zijn rijwiel te dicht bij de stoomtram waagt vlakbij Purmerend overreden. Ernstig verminkt wordt hij naar het Gasthuis van Purmerend gebracht, waar hij nog dezelfde nacht overlijdt.

In december 1905 rijdt een 18-jarige jongen uit Middenbeemster op zijn fiets zonder licht naar huis. Op de hoek van de Necker- en Rijperweg ziet hij uit de richting van Alkmaar de tram aankomen. Hij steekt de rails over, want aan de andere kant heeft hij meer ruimte. Maar daar rijdt al een jongen, ook zonder licht. Terwijl ze in volle vaart tegen elkaar botsen, passeert de tram en één van de jongens wordt tegen de tram geslingerd, waarbij zijn rechter arm eraf wordt gerukt. De andere jongen heeft meer geluk en belandt in de sloot.

In juni 1919 springt een negenjarige jongen bij Westdijk (Beemster) op een rijdende stoomtram. Hij valt en raakt daarbij beide benen kwijt. Vier jaar later, in juli 1923, fietst een 14-jarige jongen uit de Rijp ter hoogte van het stoomgemaal aan de Westdijk (Beemster) naast de stoomtram. Vlak voor de locomotief valt hij op de rails, wordt overreden en moet dat met zijn leven bekopen. De tram loopt een half uur vertraging op, meldt de krant weinig sensitief.

Onder de wielen

En van een rijdende tram springen, of een tram proberen te halen die zich nét in beweging heeft gezet, dat kun je ook maar beter niet doen. Op een zondagavond in oktober 1912 springt in de Beemster een man uit een nog rijdende stoomtram. Hij komt onder de wielen terecht en is op slag dood. En als op een zondagavond in juni 1917 de stoomtram nog maar net aan de noordkant van het IJ aan zijn reis naar Purmerend is vertrokken, probeert een bejaarde heer uit St. Pancras nog snel even op de tramwagen te springen. Hij struikelt, komt onder de tram terecht en verliest zijn leven.

In oktober 1924 worden op één en dezelfde dag, bij Watergang en in de Beemster, twee mensen door de tram overreden. Vijf jaar later, in april 1929, stapt bij de halte Halfweg (Middenbeemster) een 69-jarige man uit Purmerend aan de verkeerde kant van de nog rijdende tram uit. Hij verliest zijn evenwicht en blaast zijn laatste adem uit.

Botsing van een vrachtauto met locomotief nr. 7 van de Noord-Hollandsche Tramweg-Maatschappij op de Valkenweg in Amsterdam-Noord, ca. mei 1930. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Een bizar ongeluk

In december 1929 vindt op de Purmerenderweg een bizar ongeluk plaats. Een dame die van een bezoek aan haar zuster terugkeert, ziet achter zich twee lichten opdoemen. Ze denkt dat het een snelle auto is en gaat tussen de tramrails lopen, alwaar ze door een locomotief wordt gegrepen. Ze raakt zwaar verwond aan hoofd en benen. De machinist heeft niets in de gaten en rijdt door, maar een passerende automobilist ziet de hevig bloedende vrouw op de trambaan liggen en draagt haar een huis binnen. De krant meldt dat haar toestand zeer ernstig is.

In de kreukels

Maar er zijn ook botsingen zonder al te veel letsel. In januari 1929 botst de tram bij de Volgerweg in de Beemster op een melkauto. De melkauto wordt nagenoeg vernield, maar de chauffeur houdt er slechts ‘enkele kwetsuren’ aan over. De locomotief, die dwars op de rails staat, komt met de schrik vrij.

Twee jaar later, in juni 1931, heeft een boer uit de Beemster geluk als hij met zijn auto over de tramrails rijdt en door een tram wordt gegrepen. Hij wordt uit de auto geslingerd, raakt bewusteloos, maar houdt er geen letsel aan over. Hij is alleen wel ‘zeer overspannen.’ Zijn auto is in elkaar gedrukt en de locomotief is uit de rails gesprongen, maar kan door het trampersoneel spoedig weer op de rails worden gezet.

Kortom, een stoomtram mag heden ten dage dan romantische gevoelens oproepen, maar als je het aantal ongelukken in ogenschouw neemt, ga je toch héél anders kijken naar de elektrische bussen van de EBS die met een hoge frequentie en comfortabel langs het Noord-Hollands Kanaal zoeven. Bovendien brengen die je stuk sneller op je bestemming.

Tram vanuit Purmerend naar Alkmaar langs het Jaagpad, ca. 1910. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

Tekst: Arnoud van Soest

Voor de liefhebbers vermelden we nog even dat er ook nog een tram van Kwadijk via Edam naar Volendam heeft gereden, van 1 mei 1906 tot 30 september 1956. Wie daar meer over wil weten, kan hier en hier terecht. Een overzichtsartikel dat Oneindig Noord-Holland eerder wijdde aan het openbaar vervoer van en naar de Beemster is hier te lezen.

Voor dit artikel werd gebruik van het onvolprezen digitaal krantenarchief Delpher van de Koninklijke Bibliotheek, van een artikel dat Mark Alphenaar voor de website van het Regionaal Archief Alkmaar schreef en van Wikipedia.

Publicatiedatum: 25/08/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

3 reacties
  • C J Kluun schreef:

    Pacht verhaal. Was dat wat genoemd “Het boemeltje van Purmerend” waar nog een liedje over is geschreven? Gr CJKluun

  • martine schreef:

    Een jongen uit Edam die naar de RHBS in Purmerend ging is ook dodelijk verongelukt door het treintje. Dat moet voor de oorlog geweest zijn. Zijn naam was Gortemeier.

  • martine schreef:

    Dat was Floris Gortemulder. Dit verhaal wordt verteld in het jublileumboek van de RHBS/Jan van Egmond, Purmerend

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN