De Tram

Als een vreemde eend uit een Amsterdamse gracht zwemt mijn verhaal misschien wel in de bijt van alle dorpsverhalen uit de polder. Maar de hoofdstad van ditzelfde Noord-Holland is mijn ‘streekverhaal’. Daar ben ik opgegroeid op tweehoog boven een klokkenwinkel. Mijn speelterrein was de stoep in een drukke straat met de tram voor de deur. Ik mocht dan ook nooit met een bal naar buiten.

Tram 16

Beeld: Janderk1968, Wikimedia Commons

Tram 16Tram 16

De Amsterdamse tram was destijds blauw en had nog geen, door twee gele betonnen randen van het overige verkeer gescheiden, eigen baan. Je stapte achterin in om je kaart te laten afstempelen bij de conducteur die daar, op een verhoging, zijn eigen plek had. Zo keek hij langs en over iedereen heen tot voorin, waar hij via een spiegel contact had met de bestuurder. Deze zat achter een enorm stuur met op de rand een handvat waarmee hij hem ronddraaide. Of het nu droog was of regende, de tram piepte en steunde, kreunde tegen bruggen op, slingerde zich gierend door bochten en kwam, bij de haltes met een ratelend geluid tot stilstand. Passagiers zonder zitplaats zwaaiden mee aan de leren lussen die, vanaf stangen langs het plafond, naar beneden hingen. Waar de ene wagon overging in de andere, schoven ijzeren vloerdelen over elkaar heen, wat deed denken aan de cakewalk op de kermis. Ik vermeed die plek zoals ik, nadat ik meteen de eerste keer al een wond aan mijn voet opliep, ook nooit meer in de cakewalk ging.

Tramspellen

Later kregen de trams een strakkere vormgeving, werden eerst geel en na jaren grijs gespoten. De conducteur was toen al verdwenen en je tramkaart ging in de gleuf van een van de automaten bij de achterdeuren. Met een vrolijk belletje werden datum en tijd erop gestempeld.
Sommige jongens spijbelden van school om bij de haltes weggegooide tramkaarten te zoeken die nog – al was het maar voor even – geldig waren. Mijn broer croste na schooltijd heel Amsterdam door en kwam, als hij pech had bij het rapen, niet op tijd thuis. Toen er geen conducteur meer op de wagon zat, maar er onderweg controleurs instapten om de plaatsbewijzen te controleren, veranderde het spel. Het werd een sport om zonder kaart met de tram mee te reizen. De controleurs stapten altijd met z’n tweeën – de een voor en de ander achter – in. Dus kon de oplettende zwartrijder er in het midden tijdig uitspringen. Later kwamen ze met meer en via alle deuren tegelijk binnen. Toen was ook dat spel afgelopen.

Flat in de Bijlmer

Met mijn hele hebben en houwen heb ik in de stad der steden veel rondgezworven. Mijn eerste huisje was in de Jordaan. Op een dag ging ik met de tram naar de Bijlmermeer om mijn broer te helpen met het verven van de babykamer. Zoals wel vaker, vergiste ik mij in het nummer van de tram. Uiteindelijk ben ik twee uur later dan afgesproken bij mijn broer in Kruitberg aangekomen. Per taxi en zonder te hoeven betalen. De babykamer werd een plaatje; een paar maanden later bleek de baby nog mooier. Het jaar daarop woonde ik ook in zo’n fraaie flat, in hetzelfde gebouw. En vele jaren daarna stortte op die plek een Boeing 747 neer en veranderde onze vroegere woonplek in chaos, wanhoop en duisternis.

Gronings volume

Naast wie ik al niet in de tram heb gezeten: vele bekenden en nog meer onbekenden. Op een dag ging ik met mijn Groningse tante die bij ons logeerde de stad in. Het was me al eerder opgevallen dat mensen die uit het noorden kwamen zo luid spraken. “Dat komt omdat ze op het land werken,” verklaarde mijn moeder, “dan moet je wel schreeuwen om elkaar te kunnen verstaan.”
Het was wel zeker dat mijn stadse tante nog nooit een boon had geplukt, maar ik begon me ongemakkelijk te voelen. Het feit dat ze onderdak bood aan twee jongens van de ‘Dovenschool’, deed daar nog een schepje bovenop. De combinatie van volume en een goede articulatie maakte – ondanks haar Groningse accent – dat de hele tram deelgenoot werd van onze conversatie.

Vieze ‘kriebelende’ man

Een andere gebeurtenis – die zich geheel zonder woorden afspeelde – was de vieze man. Het typetje van het Simplistisch verbond bestond toen nog niet, maar Kees van Kooten heeft hem veel later perfect neergezet. Het was zomer. Ik zat aan het gangpad, droeg een rok met een kort jasje en had mijn tas op schoot. De man naast mij zat enigszins voorovergebogen naar buiten te kijken. Er kriebelde iets aan mijn been en ik verschoof mijn voet om wat meer ruimte te maken. Mannen zitten doorgaans zo wijdbeens dat je de keuze hebt tussen lijfelijk contact of de helft van je plaats inleveren. Weer voelde ik gekriebel en ging verzitten. De man boog verder naar voren alsof hij buiten iets bijzonders zag en net boven mijn knieholte voelde ik weer dat gekriebel op mijn blote been. Opeens kreeg ik door dat die man met zijn hand onder zijn eigen been door aan het mijne zat! Sprakeloos van verontwaardiging ben ik bruusk opgestaan om ergens anders te gaan zitten. Wat moest ik doen? Wat kon ik doen? Het was mijn woord tegen het zijne. Ondanks flink schrobben onder de douche heb ik nog lang die gore vinger gevoeld. Ik nam me voor een volgende keer flink stennis te schoppen en de man zijn huid zo vol te schelden dat de knopen van zijn smoezelige regenjas zouden springen! Gelukkig is dat nooit nodig geweest.

Trammen is voorbij

Die oude tram, met zijn knarsen en kermen, zijn geur van ijzer en stof, die tram rolt als een bal met allerlei kleuren, de bal waar ik niet mee naar buiten mocht, langs de haltes uit de eerste helft van mijn leven: Amsterdam. De tweede helft van mijn leven woon ik in Alkmaar. Laatst zouden mijn dochter en ik ergens naartoe gaan. Het begon net te regenen. “Ik heb nog wel een tramkaart,” zei ik terwijl ik mijn jas aandeed. Pas toen ik haar hoog opgetrokken wenkbrauwen zag, drong het langzaam tot me door: ik tram niet meer, ik strip.

Auteur: Ina Stel

Publicatiedatum: 05/04/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.