Oneindig Noord-HollandBeleef de geschiedenis van jouw provincie

Heilige plaatsen in Heiloo

Heiloo werd in de elfde eeuw niet voor niets ‘Heiligelo’ (heilige plek) genoemd. In dit oude dorp zouden er spirituele gebeurtenissen hebben plaatsgevonden: van heidense rituelen tot het ontstaan van geneeskrachtige bronnen en Mariaverschijningen. Eeuwenlang trokken pelgrims naar deze bijzondere plaats om met eigen ogen te zien waar missionaris Willibrord rond het jaar 700 een bron had laten ontspruiten. Tegelijkertijd vertellen archeologische vondsten uit de bronstijd een ander, nog veel ouder verhaal. Hoe groeide Heiloo uit tot een van de belangrijkste bedevaartsoorden van Nederland?

Heiloo ligt op een langgerekte zandrug, die ongeveer 2000 jaar vóór onze jaartelling evenwijdig aan de kust is ontstaan. Deze rug, ook wel een strandwal genoemd, is door de werking van de zee gevormd en opgestuwd. Het omliggende gebied bestond in deze periode uit laaggelegen, moerassig land. Archeologische vondsten tonen aan dat deze hogere zandgronden al in de bronstijd (circa 2000–800 v.Chr.) door jagers, vissers en later ook landbouwers bewoond werd.

Lange tijd werd aangenomen dat de naam Heiloo ‘heilig bos’ betekende. Daarmee zou de naam verwijzen naar bossen waar heidenen hun goden vereerden. Uit pollenonderzoek bij een vroegmiddeleeuwse nederzetting blijkt echter dat er in die periode geen bos aanwezig was. Waarschijnlijker is daarom dat Heiloo ‘heilige hoogte’ betekent, wat kan duiden op een heidense cultusplaats op een duin.

De putjes bij Heiloo waren lange tijd een belangrijk pelgrimsoord. In 1704 werd er zelfs een soort ‘reiskaartje’ uitgegeven voor toekomstige bedevaartgangers, waarop zowel de exacte ligging van de putjes als de route ernaartoe zorgvuldig stond aangegeven.”t Hyló-er Ryskaartje’. Het z.g. Heilooer reiskaartje, gemaakt ten dienste van de pelgrims. Vervaardiger onbekend, 1704. Collectie Regionaal Archief Alkmaar, Catalogusnummer PR 1003239.

Een paalcirkel of ‘woodhenge’

In 2005 werden er bij opgravingen aan het Maalwater in Heiloo sporen gevonden van een ‘woodhenge’ ofwel houten palencirkel. Vermoedelijk gaat het om een rituele plek uit de late bronstijd of vroege ijzertijd. In Engeland zijn er meer van dit soort cirkels gevonden, vandaar de naam ‘woodhenge’.

Tijdens het archeologische onderzoek werden er resten gevonden van twintig houten palen, elk met een diameter van 20 tot 25 centimeter. De palen stonden regelmatig verdeeld in een cirkel, met een onderlinge afstand van ongeveer 50 cm. De bijbehorende paalkuilen hadden een ronde of ovale vorm. De paalkrans had een totale diameter van circa 5 meter. Op basis van de houtresten van één van de palen is de cirkel gedateerd rond 800 v.Chr.. Door de slechte conservering van het hout kon de houtsoort én de exacte leeftijd van de bomen niet worden vastgesteld.

De bodem rond de palencirkel bij het Maalwater werd microscopisch onderzocht. Op basis van stuifmeel en zaden kon worden vastgesteld dat de constructie zich in een open landschap bevond dat regelmatig overstroomde. De paalkrans lag op een natuurlijke verhoging, waardoor hij in de wijde omgeving zichtbaar moet zijn geweest. Over de functie of inrichting van de binnenruimte is niets bekend. Er zijn geen archeologische vondsten of resten van houtskool aangetroffen. Ook was er binnen en buiten de palenkrans geen verschil in de ondergrond.

De functie van de palencirkel wordt door onderzoekers beschouwd als ritueel of religieus van aard. In 1990 werden er bij een opgraving in Zwolle vergelijkbare palen gevonden. Pas bij het uitwerken van de plattegronden werden deze geduid als resten van primitieve zonnekalenders uit de bronstijd. De ‘woodhenge’ in Heiloo is in 2011 gedeeltelijk gereconstrueerd om het publiek een indruk te geven van hoe het er oorspronkelijk moet hebben uitgezien.

De reconstructie van de palencirkel uit 2011. Beeld door Peter Saal, via NMF Erfgoedadvies.

De sikkels van Heiloo

In 1932 werden er bij Heiloo, tijdens het afgraven van duinzand voor de bollenteelt, vier vuurstenen sikkels en één bronzen sikkel uit 1000-800 v. Chr. gevonden. Aangezien dit een toevalsvondst was, en het dus niet ging om een archeologisch onderzoek, is er op deze plek verder niets opgegraven. De sikkels lagen in een rij met de punten naar beneden, waarbij het bronzen exemplaar in het midden was geplaatst. Het zijn bijzondere voorwerpen, mede omdat het vuursteen afkomstig is van het kleine eiland Helgoland (Duitsland) in de Noordzee. Gebruikssporenonderzoek wijst erop dat de sikkels niet zijn gebruikt om graan te oogsten, maar om plaggen te snijden, wellicht voor de bouw van een boerderij of grafheuvel. Het bewust begraven van dergelijke kostbare objecten kan worden geïnterpreteerd als een rituele handeling.

Vier vuurstenen sikkels en een bronzen sikkel, Heiloo, 1000-800 v. Chr. Ze waren te zien in de tentoonstelling ‘Bronstijd. Vuur van verandering’ in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Foto: Judith van Amelsvoort, 2025.

In Zuiderloo, een woonwijk aan de zuidkant van Heiloo, zijn in 2016-2018 twee gevlochten kransen van jeneverbes gevonden. Deze offergaven (deposities) uit de Bronstijd van ca. 1800-1100 v. Chr lagen in waterkuilen op de overgang van een droge strandwal naar een venige strandvlakte. De jeneverbes is een groenblijvende plant die van oudsher wordt geassocieerd met vruchtbaarheid en eeuwig leven. De vondst toont aan dat gemeenschappen uit de bronstijd een religieuze betekenis gaven aan het landschap en de natuur.

Kransen van in elkaar gevlochten jeneverbestakken, Zuiderloo, 1450-1200 v.Chr. Collectie Huis van Hilde, Castricum, Provincie Noord-Holland. Foto: Judith van Amelsvoort, 2025.

Geneeskrachtige bronnen

Al in de prehistorie kwam het vereren van bronnen in grote delen van Europa voor. Water werd gezien als de bron van al het leven, met name bronwater zou genezende krachten hebben. In de middeleeuwen geloofden mensen dat een bron ziektes kon genezen, kon helpen bij het krijgen van kinderen (vruchtbaarheid) en zelfs de toekomst kon voorspellen.

Bronnen met geneeskrachtig water werden vaak verbonden aan een specifieke heilige. Deze zouden spontaan zijn opgeweld door het gebed van de desbetreffende heilige, of doordat de heilige op deze plek was vermoord… Een bekend voorbeeld hiervan is de Willibrordusput in Heiloo. Volgens de overlevering zou deze put rond het jaar 700 door Willibrord zelf zijn gegraven. Ter herinnering daaraan werd er later een kapel gebouwd.

Historieprent van Willibrord te Heiloo, ca. 680-735. Vervaardiger: Jan Frederik Christiaan Reckleben (vermeld op object), 1862 – 1864. Collectie Rijksmuseum, objectnummer RP-P-OB-77.773.

De Willibrordursput

In zijn Vita (levensbeschrijving, opgesteld door Alcuin in 795) staat dat Willibrord onder bomen predikte en mensen doopte in zogenoemde ‘dooppoelen’. Het gebruik om te dopen in stromend water werd al in de Bijbel genoemd. Hoewel veel bronnen met Willibrord in verband worden gebracht, heeft hij deze plaatsen waarschijnlijk niet allemaal bezocht, aangezien zijn verblijven in de Nederlanden relatief kort waren.

Volgens de legende kwam Willibrord met zijn gezelschap in een kuststreek terecht (mogelijk Heiloo), waar geen drinkwater te vinden was. Er werd vervolgens een kuil gegraven in zijn tent, waar na een vurig gebed water tevoorschijn kwam. In latere tijden werden Willibrordusputten vooral bekend vanwege hun geneeskrachtige werking. Zo zou het water uit de oudste putten helpen tegen kinderziekten, met name huiduitslag.

De Willibrordusput bij de Witte Kerk in Heiloo, 2015. Beeld via Wikimedia Commons, vervaardiger: Vonvon216, CC BY-SA 4.0.

Het putje van Heiloo werd in 1967 onderzocht, gelijktijdig met een archeologische opgraving bij het nabijgelegen Witte Kerkje. Volgens de overlevering zou de voorganger van deze kerk door Willibrord zelf zijn gesticht. Tijdens de opgravingen werden resten aangetroffen van een ouder kerkje van hout, gebouwd bovenop een christelijk grafveld, evenals sporen van een nog ouder houten kerkje dat mogelijk stamt uit de tijd van Willibrord. Rond het grafveld liep een greppel die de begrenzing vormde.

De Witte Kerk en de Willibrordusput in Heiloo zijn gehuld in dichte mist op vrijdag 2 maart 2012. Beeld via Wikimedia Commons, vervaardiger: Heiloo Online, CC BY-SA 2.0.

Tussen 1877 en 1880 voorzag architect Pierre Cuypers (1827-1921) de put van een neogotische bovenzijde. Enkele decennia later verloor de put zijn functie, vooral omdat gelovigen de Runxput in Oesdom begonnen te bezoeken. Sinds 1948 beschikt de Willibrordusput over een eigen bakstenen ommuring. Aan de overzijde van de straat is in de loop der tijd steeds meer bebouwing verschenen. Deze zou een tweede vroegmiddeleeuwse put aan het zicht onttrekken.

Tekening van de Sint-Willibrordusput met smeedijzeren hek, ca. 1900. Vervaardiger: Jacobus Gerardus J.G. Veldheer (1866-1954). Noord-Hollands Archief /Collectie van prenten en tekeningen van de Provinciale Atlas Noord-Holland, inventarisnummer 579.

’Onze Lieve Vrouw ter Nood’

Al ruim zeshonderd jaar oefent het heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood bij Heiloo een sterke aantrekkingskracht uit op pelgrims. Rondom het heiligdom gewijd aan Maria zijn verschillende verhalen en wonderen ontstaan. Zo zou een herder er tweemaal een Mariabeeldje hebben gevonden, en liet een welgestelde koopman na een droom een kapel bouwen. Ook wordt verteld dat Maria zelf is verschenen tussen de ruïnes. Het water uit de bron zou genezende krachten bezitten en ook nu nog kan er bij de bron water worden opgehaald.  Boven de poort staat de tekst: “Als ge mij gaat eren, zal de wind gaan keren.”

Wanneer de bron precies een plek kreeg binnen de katholieke traditie is niet helemaal zeker. Wel staat vast dat in 1409 een kapel bij de bron in gebruik werd genomen, na de vondst van het Mariabeeldje. Over de verdere geschiedenis wordt vermeld dat de kapel in 1573 tijdens het beleg van Alkmaar door geuzen werd verwoest. Hoewel er nog enkele muurresten bleven staan, bleven pelgrims de plek bezoeken. In 1637 liet de Staten van Holland de laatste resten verwijderen, waarna de Runxputte werd vernield. Zonder stromend water nam ook het aantal pelgrims af.

De ruïne van de kapel van Onze Lieve Vrouw Ter Nood met pelgrims in processie. De verschijning van Vrouwe Maria is te zien tussen de muurresten. Boven de ruïne een inzet met de afbeelding van de kapel in welstand met plattegrond. Vervaardiger: onbekend, 1690. Collectie Regionaal Archief Alkmaar / Catalogusnummer PR 1001278.

Toch bleef de plek belangrijk voor met name katholieken. In 1713 begon de bron onverwacht opnieuw te stromen. Dit gebeurde precies op het moment dat enkele boeren, tijdens een veepestepidemie, bij de ruïnes aan het bidden waren. Dit werd al snel als een wonder gezien, waardoor de bedevaart weer op gang kwam. Tegenwoordig blijft het terrein een belangrijke bestemming voor gelovigen en geldt het als de grootste Mariabedevaartplaats van Nederland.

Prentbriefkaart van het devotiekruis met kranen t.b.v. de Runxput, 1927-1932. Noord-Hollands Archief /Collectie van prentbriefkaarten van de Provinciale Atlas Noord-Holland, Inventarisnummer 21793.

Auteur: Judith van Amelsvoort

Bronnen:

Publicatiedatum: 13/04/2026

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.