775 jaar Haarlem in Teylers Museum

Met stadsgezichten, wetenschappelijke instrumenten en noodmunten uit de eigen collectie besteedt Teylers Museum aandacht aan het 775-jarig bestaan van Haarlem.

Op 23 november 1245 kreeg Haarlem stadsrechten van de Hollandse graaf Willem II. Daardoor is Haarlem nu al 775 jaar een stad, reden voor Teylers Museum om daar in het Boekenkabinet (en in de muntenvitrines) een bescheiden tentoonstelling aan te wijden.

Als je het Boekenkabinet betreedt wordt je oog meteen getrokken door een rij kleurrijke reproducties van bloemen. Ze komen uit een doorleefd boekwerk uit 1872-1881, dat bij nadere beschouwing een catalogus blijkt te zijn van de Haarlemse bloemkwekerij A.C. van Eeden & Co. De kwekerij timmerde internationaal aan de weg, want ze won prijzen op buitenlandse bloemtentoonstellingen, ‘van Parijs tot Philadelphia.’

Uit: Florilegium Harlemense, 1896-1902. Teylers Museum

Lisse

Volgens de begeleidende tekst is Haarlem al eeuwenlang het centrum van de bloembollenstreek. Bij bloembollen ben je eerder geneigd aan Lisse te denken dan aan Haarlem, maar Marleen Ram, conservator Kunstverzamelingen, legt uit dat in Haarlem de bloembollen werden verhandeld. Om al die bloemen na te tekenen schakelde de kwekerij voor de catalogus een echte kunstenaar in die al die bol- en knolgewassen na tekende.

Uit: Florilegium Harlemense, 1896-1902. Teylers Museum

Die catalogus, waarvan de kunstenaar overigens niet bekend is, maakte blijkbaar veel indruk, want een paar jaar later gaf de Algemeene Nederlandse Vereeniging voor Bloembollencultuur in Haarlem ook een catalogus uit, waarvoor de Brusselse kunstenaar Alphons Goossens de litho’s maakte. Aangezien de reproducties uit de catalogus al aan de wand hangen, laat Ram alleen de fraaie kaft van de catalogus zien.  “Dat is het nadeel van boeken. Als je die open legt, kun je de kaft weer niet laten zien.”

Uit: Florilegium Harlemense, 1896-1902. Teylers Museum

IJzeren Spoorweg

De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij mag natuurlijk niet ontbreken op een expositie over de geschiedenis van Haarlem. Op 20 september 1839 werd de eerste spoorverbinding in Nederland geopend, tussen Amsterdam en Haarlem. We zien twee afbeeldingen van een conducteur, links een uit 1939 en rechts een uit 1889. De eerste gebruikte geen fluitje om het vertreksein te geven maar een heuse toeter. Zijn collega van vijftig jaar later moest het zonder toeter doen, maar hij draagt dan weer wel een prachtige rode sjerp.

Een andere blikvanger van de expositie is een panorama c.q. stadsgezicht op Haarlem uit 1688-89 dat door Romeyn de Hooghe (1645-1701) is gemaakt. Opvallend is dat de kaart fraai is versierd, wat voor meer kaarten uit die tijd gold, met in dit geval Mercurius, god van de handel aan de ene en Diana, godin van de jacht, aan de andere kant. Ram: “Het panorama is onderdeel van een pronkkaart. De naam zegt het al: zo’n kaart moest grote indruk maken, dus hoe meer versieringen hoe beter.”

Romeyn de Hooghe (1645-1708), Gezicht op Haarlem vanaf de westzijde, 1688-89. Teylers Museum

Kennemerland

Het oorspronkelijke panorama was vier keer zo groot en bestond uit meer dan 25 aan elkaar gemonteerde bladen. Het papier uit die tijd was niet zo groot dat je er meteen een prent van twee bij twee meter op kon drukken. Maar dat niet alleen: de oorspronkelijke wandkaart was sowieso te groot om aan de wand van het intieme Boekenkabinet op te hangen. Vandaar dat Ram de vier mooiste bladen heeft uitgekozen, die samen een panorama van Haarlem vormen.

Onder dat panorama ligt een atlas uit de achttiende eeuw, dat ligt opengeslagen op een gravure van het Baljuwschap (gewest) van Kennemerland, gemaakt door Nicolaas Visscher II (1649-1702). Het is een zeventiende eeuwse kaart die een eeuw later werd opgenomen in de atlas van een beroemde Amsterdamse drukkersfamilie, Ottens. “Het aardige van die mooi ingekleurde kaart is dat het laat zien hoe Kennemerland er in de zeventiende eeuw uit zag. Vooral de duinen zijn mooi weergegeven. Dat is wel herkenbaar voor bezoekers.”

Wintergezicht

Daarnaast omvat de expositie een vijftal prenten, waaronder een knus wintergezicht, waarop je kunt zien hoe het stadhuis van Haarlem er anno 1864 uit zag. Cornelis Springer (1817-1891) maakte het. Je ziet een jongen met pet die zijn zusje met hoofddoek op een slee vooruit duwt, naast een vrachtslee die door paarden wordt voortgetrokken, met een hondje dat er naast rent.

Maar conservator Ram is misschien nog wel het meest gecharmeerd van een tekening van Gerrit Adriaenszn Berkheyde, een bekende zeventiende eeuwse schilder. Je ziet de Grote Markt met de St. Bavo en in de verte de Bakenesser kerk. “Getekende stadsgezichten van Berkheyde zijn zeldzaam,” weet Ram. “Hij maakte ze ter voorbereiding op zijn geschilderde stadsgezichten, waar hij superveel succes mee had.” In het Haarlemse Frans Halsmuseum hangt een schilderij waarvoor de tekening in Teylers Museum mogelijk als voorstudie heeft gediend.”

Kasparus Karsen (1810-1896), De Grote Markt in Haarlem, 1845. Teylers Museum

Galvanometer

Overigens zijn er niet alleen prenten en tekeningen te zien. Haarlem stond ook bekend om zijn natuurkundige meetinstrumenten, die werden gemaakt in de in 1849 opgerichte fabriek van smid Nikolaas van Wetteren en instrumentenmaker/natuurkundige Willem Logeman. Zo zien we een ‘sinusgalvanometer’ waarmee elektrische stroom kon worden gemeten en een ‘thermo-electroscoop’ waarmee warmtestraling gemeten kon worden.

Waar was die fabriek goed in, vragen we aan Rams collega, Herman Voogd, die de wetenschappelijke collecties beheert. “Oh, ik dacht dat u wilde weten waar die fabriek stond, want daar ben ik wel benieuwd naar.” Maar wat Voogd wèl weet is dat Logeman ooit werkzaam was bij Teylers Museum. “Hij had een grote reputatie in het maken van wetenschappelijke instrumenten.”

Helaas, de conservator die er meer over zou kunnen vertellen is niet aanwezig, dus verwijst hij naar de website van Teylers. Daar zijn prachtige tot de verbeelding sprekende apparaten te vinden, zoals ze nu niet meer worden gemaakt, apparaten van hout, glas en koper.

WikipediA meldt dat Logeman de zoon was van een fabrikant van natuurkundige instrumenten. Na een paar jaar bij zijn vader in de fabriek te hebben gewerkt, kon hij bij Teylers Museum als instrumentenmaker aan de slag. In 1849 begint hij samen met de eerder genoemde smid een fabriek, die ‘buitengewoon sterke magneten’ maakte. Met één daarvan sleepte hij in 1851 zelfs een hoge onderscheiding in de wacht op de wereldtentoonstelling in Londen. De prijs die hij daar won, de ‘Council Medial’, is ook op de expositie te zien. In de collectie van Teylers bevinden zich 48 voorwerpen die (mede) door Logeman zijn gemaakt.

Thermo-elekroscoop, naar Th.J. Seebeck (1821), één van de 48 wetenschappelijke instrumenten van Willem Logeman die Teylers Museum bezit.

Noodmunten

In de penningvitrines, die ook bij de expositie horen, liggen nog 17 bijzondere Haarlemse noodmunten. Toen Haarlem in 1572-1573 door de Spanjaarden werd belegerd, ontstond er in de stad een gebrek aan geld, zo legt Jan Pelsdonk, conservator Numismatisch Kabinet uit. “Dit was lastig, omdat de troepen die de wallen verdedigden betaald moesten worden. Het stadsbestuur riep de burgers op om zilveren gebruiks- en siervoorwerpen in te leveren, die werden omsmolten tot platen zilver.”

Uit die platen werden vierkantjes gekapt, die van instempelingen werden voorzien en als tijdelijk geld werden uitgegeven. De noodmunten bevatten ook een percentage goud, dus de omgesmolten gebruiksvoorwerken moeten verguld zijn geweest.

De Haarlemse noodmunten zijn bijzonder omdat er niet zo veel van zijn gemaakt. Pelsdonk: “Een deel van de munten komt uit het privébezit van Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778), de stichter van het museum.” Het zijn overigens niet de enige noodmunten die het museum bezit. In de vaste opstelling liggen nog 32 noodmunten uit andere steden. Muntenliefhebbers kunnen hun hart ophalen.

De prijspenning die Willem Logeman in 1851 won op de wereldtentoonstelling in Londen. Collectie Teylers Museum.

Wienecke

Pelsdonk kan ook iets vertellen over de fraaie koperen penning in het Boekenkabinet, waarop in reliëf de Grote Kerk (St. Bavo) is afgebeeld. De penning is in 1922 gemaakt door Johannes  Wienecke, in opdracht van Haarlemsche Brandverzekeringsmaatschappij. De directie gebruikte de penning om mensen te bedanken. Pelsdonk: “Penningen worden nog steeds geslagen, bijvoorbeeld ter ere van een ambtsjubileum, huwelijk, geboorte. Ze worden ook als prijs gebruikt of als vrije kunstuiting. In Nederland zijn nog diverse penningmakers actief, ook in Haarlem.”

Museumbezoek in coronatijd is een bizarre aangelegenheid. Wie Teylers Museum in Haarlem wil bezoeken, dat sinds kort ook op maandag is geopend, moet van`tevoren reserveren. En dan nog kun je voor de hoofdtentoonstelling over de romantische schilder John Constable soms even in de rij staan, omdat er maar dertig bezoekers per keer worden toegelaten. Bezoekers moeten een mondkapje dragen en er zijn veilige looproutes in het museum uitgezet, met hier en daar plastic spatschermen. Het museumcafé is dicht dus een kopje koffie drinken is er niet bij, maar staat tegenover dat het lekker rustig is in het museum. De toiletten zijn ook gewoon open.

Kijk voor meer informatie op: www.teylersmuseum.nl.

Auteur: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 30/11/2020

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.