Expositie wekt hart Amsterdamse Jodenhoek even tot leven

Aan de hand van één straat, de Rapenburgerstraat, maakt het Amsterdamse Stadsarchief bijna tastbaar wat voor wonden de Jodenvervolging in een stad kan slaan.

Lees volgende nieuws

 

Marie Gerritsen-Parser en haar echtgenoot Herman voor haar ijswinkel in de Rapenburgerstraat 122 (1935). Stadsarchief Amsterdam.

Aan de hand van één straat, de Rapenburgerstraat, maakt het Amsterdamse Stadsarchief bijna tastbaar wat voor wonden de Jodenvervolging in een stad kan slaan.

De Rapenburgerstraat was ooit het hart van de Amsterdamse Jodenhoek, maar door de ‘sjoah’  – het uitroeien van Joden in WO II – veranderde de straat onherkenbaar. Guus Luijters, die zich in de geschiedenis van de straat verdiepte, beschrijft in zijn bij de tentoonstelling behorende boek dat het opperrabbinaat in de Rapenburgersjoel zat. De synagoge grensde weer aan het Seminarie, waar rabbijnen werden opgeleid. En weer dáárnaast bevond zich het Nederlands-Israëlitisch Meisjesweeshuis.

Al die gebouwen verloren na de oorlog hun functie, omdat de gebruikers ervan waren vermoord. Na de oorlog lag de straat er ‘onttakeld en verlaten’ bij, schrijft Luijters. De hele even kant werd gesloopt en uiteindelijk

Kleuterklas van de Eerste Joodse Kleuterschool , Rapenburgerstraat 52 (1935). De school werd door de armste kinderen uit de buurt bezocht. Op deze foto spelen ze de bruiloft van juf Eva Gans na, die op 11 juni 1943 in Sobibor werd vermoord. Foto komt uit het privébezit van mevrouw S. de Vries.

door nieuwbouw vervangen. Daarmee verdween de ziel uit de straat, een straat zonder winkels, een straat waar het altijd stil is. Luijters denkt dat er ‘teveel mensen zijn vermoord.’ Alleen de Portugese Synagoge, die ooit deel uitmaakte van de Rapenburgerstraat, is de oorlog ongeschonden doorgekomen.

Een smalle straat
De Rapenburgerstraat was voor de oorlog overigens véél smaller dan nu. In zijn boek over het Joodse ghetto beschrijft Jaap Meijer, vader van journalist/schrijver Ischa, dat de straat zó smal was dat als je een sigaar opstak, de langsrijdende tram hem meenam.

Volgens Luijters was de Rapenburgerstraat niet de armste straat van de Jodenbuurt. De èchte krottenbuurten trof je in de omliggende straten aan, zoals Valkenburgerstraat en Uilenburg. Maar er heerste wel een armoede waarvan we ons nu moeilijk een voorstelling kunnen maken. Gezinnen sliepen op de grond en hadden geen geld om koffie of thee te kopen, laat staan schoenen voor de kinderen.

Luijters denkt nog wel eens aan Sientje Abraham, van wie we weinig weten, omdat ‘vrijwel iedereen die haar heeft gekend, is vermoord.’ Ze was elf toen ze in het voorjaar van 1942 een ster moest dragen, wat het begin was van het apart zetten van Joden. In die zomer zag ze mensen spoorloos uit de straat verdwijnen: buren, vriendjes, vriendinnetjes. En in september werden Joden op grote schaal uit hun huizen gehaald en naar Westerbork gestuurd, waarna ze in Auschwitz en Sobibor de dood in werden gejaagd.

Marktkooplieden
Voor de tentoonstelling in het Stadsarchief is de straat weliswaar niet nagebouwd, maar loop je langs de huisnummers. Je leest welke families er hebben gewoond en wat hun lot is geweest. Dat we hun gezichten erbij kunnen zien, komt omdat er relatief veel marktkooplieden woonden. Die hadden allemaal een kaart mét pasfoto van de Dienst Marktwezen.

Er woonden overigens niet alleen marktkooplieden. Je ziet ook beroepen langskomen, waarvan de meesten inmiddels zijn uitgestorven:  borstelmaker, sjouwman, voddenman, zakkensorteerder, karrenverhuurder, melkslijter en diamantslijper.

Dat de Duitse bezetter vooral op Joden was gebeten, wordt nog eens duidelijk als je door de straat ‘loopt.’ Levy, Maurits, Salomon, Isaac, maar ook Naatje, Sara, Sally en Esther kwamen vrijwel allemaal aan hun einde in Auschwitz of Sobibor. Maar dan staan we ineens bij het echtpaar Streche voor de deur. Hier lezen we niks over Westerbork of Sobibor. Het echtpaar was katholiek en ontsprong daardoor de dans. Zij wel.

‘Na aankomst in het kamp werden ze vergast,’ het is een zinnetje dat regelmatig voorbij komt in de korte levensbeschrijvingen. Maar soms kwam het niet eens zo ver. Neem het verhaal van Benedictus Swaab. Toen de Duitsers in mei 1940 ons land binnenvielen, leidde dat onder Joden tot paniek, vertelt Luijters in de bij de expositie behorende audiotour. Een deel vluchtte naar IJmuiden, in de hoop een boot naar Engeland te vinden, anderen trokken naar het zuiden, en nòg weer anderen vluchtten in de dood. Een politierapport van 15 mei 1940 beschrijft hoe de politie Benedictus en zijn gezinsleden aantrof: naast elkaar gelegen op matrassen, terwijl de deuren waren afgeplakt en de gasleiding was doorgezaagd, ‘waardoor het gas vrijelijk kon toestromen.’

Bange mensen
Even verderop hangen foto’s van de razzia’s op het Jonas Daniel Meijerplein (27 februari 1941), waarop je bange mensen met hun handen in de lucht ziet, en soldaten met hun geweer in de aanslag.

En soms zijn er brieven, zoals die van Emmy, die ondergedoken zat, even naar buiten ging en vervolgens werd opgepakt. Via Westerbork gaat ze op transport naar Sobibor. Onderweg weet ze nog een brief uit de trein te gooien, die uiteindelijk haar zus in Amsterdam weet te bereiken. ‘Zeg maar dat ik me flink zal houden.’

Als de laatste Joodse familie uit de straat is verdwenen, begint het verval. Sommige huizen krijgen nieuwe bewoners, anderen worden van alle hout ontdaan, vooral in de hongerwinter, of storten uiteindelijk in. Tussen de 1500 à 1600 bewoners van de Rapenburgerstraat zijn vermoord, waaronder 350 kinderen. Maar tien mensen overleven de kampen.

Film en video
In de filmzaal wordt in een doorlopende voorstelling  Rolf Orthels film ‘Ik ben mijn herinnering’ vertoond, waarin Joodse mensen die in de Tweede Wereldoorlog kind waren herinneringen ophalen. De film duurt 75 minuten.

Kijkje in de hoedenfabriek van de gebroeders Verduin, die in de jaren dertig in de Rapenburgerstraat 38-42 was gevestigd. Beide broers vonden de dood in Auschwitz. Stadsarchief Amsterdam

In de expositiezaal worden ook nog video’s vertoond, waarin Joodse ouderen over hun vlucht, deportatie, onderduik èn over de anti-Joodse maatregelen vertellen. Ook staan er schermen waar je op je gemak verhalen kunt beluisteren van mensen die voor voornoemde film zijn geinterviewd, maar nu uitgebreider aan het woord komen.
Zo vertelt Mia van Praag hoe ze met haar moeder en zusje na de oorlog in het huis van een NSB’er mocht wonen. Mia herinnert zich hoe ze op een dag haar vader op straat ziet staan, die net uit de oorlog is teruggekeerd. Ze schrok zich dood en vluchtte naar een vriendinnetje, omdat ze de confrontatie – en de daarbij behorende emoties – niet aan dorst te gaan.

Ook haar zusje Anneke, die als baby bij een gezin was ondergebracht, keerde uiteindelijk terug, al ging het niet van harte. Ze zette het meteen op een brullen, want haar biologische moeder was een wildvreemde vrouw voor haar geworden. Haar pleegouders vroegen nog of ze haar niet konden houden. Uit Mia’s relaas blijkt dat haar moeder door de oorlog flink was beschadigd. “Ik mocht nooit bij haar op schoot. Dan glij je er vanaf, zei ze. Ze kon zich gewoon niet meer geven.”

De tentoonstellingen ‘Rapenburgerstraat 1940-1945’ (hal) en ‘Samen weer aan tafel’ (video’s) zijn gratis in het Stadsarchief Amsterdam te bezoeken. Ze duren tot 17 juni 2018. Het boek ‘Rapenburgerstraat 1940-1945’ van Guus Luijters (Uitgeverij Nieuw Amsterdam) is hier te bestellen.

Tekst: Arnoud van Soest

Written by:

Other posts by

Oneindig Noord-Holland maakt verborgen verhalen zichtbaar samen met:

Bekijk het gehele partneroverzicht