Monumenten opknappen gaat niet altijd van een leien dakje
Het is heel bijzonder om in een Zaans monumentaal huis te wonen, maar je moet er veel tijd en geld in steken. En de ondersteuning laat nog wel eens te wensen over.
>Het is heel bijzonder om in een Zaans monumentaal huis te wonen, maar je moet er veel tijd en geld in steken. En de ondersteuning laat nog wel eens te wensen over.
>Hoe zag jouw huis er 50 of 100 jaar geleden uit? Hoe werd Amsterdam vroeger beschermd tegen overstromingen? En hoe beleefden Amsterdamse vrouwen de Tweede Wereldoorlog? De Amsterdam Time Machine, een publieke onderzoekstool over de geschiedenis van Amsterdam, brengt het verleden tot leven met interactieve kaarten, 3D-visualisaties en slimme dataverbindingen. Zo ontdek je hoe de stad zich door de eeuwen heen ontwikkelde, en wat we daar vandaag de dag van kunnen leren.
>Het boek ‘Bouwen en leven op plan Zuid’ gaat welbeschouwd over één in Amsterdamse Schoolstijl gebouwd woonblok aan de Amsterdamse Amsteldijk, maar het laat zich ook lezen als een geschiedenis van de Rivierenbuurt.
>Over de rietvelden zweeft een bruine kiekendief op zoek naar een ochtendhapje. Kom hier biologische melk drinken, nodigt een bord langs de Broekergouw uit. In de verte luidt een kerkklok. Dwaal mee door het groene Waterland.
>Wie in 1250 vanaf het IJ, waar tegenwoordig het Centraal Station ligt, het Damrak opvoer, zag aan beide zijden een breed oeverland dat tot aan de voet van de dijken liep. Dijken die we nu kennen als Nieuwendijk en Warmoesstraat. Achter die dijken lagen houten huizen met rieten daken, waar rook uit kringelde. Een bakstenen haard verspreidde warmte en je kon er op koken.
>Hoe is het de Marokkaanse migranten en hun nakomelingen vergaan die begin jaren zestig in Alkmaar neerstreken? Joke Bol was er benieuwd naar en sprak zowel Marokkanen van de eerste, tweede als derde generatie.
>Arbeiderspaleizen werden ze genoemd, de sierlijke en kleurrijke woonblokken die architect en kunstenaar Michel de Klerk (1884-1923) ontwierp voor het Amsterdamse Spaarndammerplantsoen (Het Schip) en De Dageraad in De Pijp.
>Nooddorpen, woonscholen, tuindorpen en luxe woonwijken, het hoort allemaal bij de geschiedenis van Amsterdam-Noord, waar inmiddels 100.000 mensen wonen. Pieter Roemer (68) woont er en mag over zijn stadsdeel graag boekjes maken, die hij in eigen beheer uitgeeft.
>Er zijn maar weinig weldoeners in de negentiende eeuw die zoveel voor Amsterdam hebben gedaan als Piet van Eeghen. De stad heeft zowel het Vondelpark, het Prinsengrachtziekenhuis als het Stedelijk Museum – mede – aan hem te danken.
>Woningen, winkels, alles moest weg. De hele buurt tussen de Diemerkade, Hartveldseweg, Jan Bertsstraat tot en met de Coussetstraat moest tegen de vlakte. Meer dan 400 huizen, winkels, cafés, huisartsenpraktijken, bedrijven. Duitse militairen wilden vanaf de bunkermuur bij de Hartveldsebrug een vrij schootsveld hebben. Begin december 1943 viel het besluit, enkele maanden later stond er geen huis meer.
>Wassen in een teiltje, één keer per week douchen in het badhuis en uitgejouwd worden buiten de poorten van je eigen wijk. Tot in de jaren zeventig was dit dagelijkse kost voor de Vogeldorpers van Amsterdam-Noord. In de volksmond werden delen van Amsterdam-Noord ook wel ‘de rimboe’ genoemd. Hier zouden de asocialen wonen, dacht men.
>Een dak boven je hoofd en een boterham in je hand zijn twee dingen die voor veel van ons vanzelfsprekend zijn. Zo’n honderd jaar geleden was dit echter heel anders. Nederland kende heel wat gebieden waar grote armoede heerste. Misschien wel het beroemdste voorbeeld hiervan is de Amsterdamse Jordaan. Deze volksbuurt, die volkszangers en volksverhalen voortbracht, werd een icoon voor de hoofdstad. Het plat Amsterdams dat hier gesproken werd, de Westertoren en Johnny Jordaan vormen het romantische beeld dat velen tegenwoordig van de Jordaan hebben. Wat in dit beeld echter vaak wordt weggelaten is de bittere armoede waarin de Jordanezen leefden.
>In het oudere, noordelijke deel van De Pijp zijn de eerste huizen gebouwd in de jaren zeventig en tachtig van de negentiende eeuw, de tijd die bekend staat om haar ‘revolutiebouw’. Goedkope woningen voor arbeidersgezinnen en kleine middenstanders die door particuliere opdrachtgevers werden gebouwd. Ook toen al gold ‘tijd is geld’, en de huizen werden snel en met goedkope materialen gebouwd. Om lastige grondonteigeningen te voorkomen, volgden de straten de bestaande sloten en verkaveling van de weilanden. De lange rechte straten kregen zo de vorm van een pijp, waarschijnlijk heeft de wijk hier zijn naam aan te danken.
>De kerkbuurt dankt haar naam aan de r.k. schuurkerk welke hier stond vanaf 1757 tot 1929. Het was echter niet de eerste kerk welke op deze plaats stond. Oude documenten vertellen ons dat de kerk uit 1757 gebouwd werd op de fundering van zijn voorganger. Hier begint ook het verhaal van de ‘schuilkerk’ over wiens geschiedenis nog al wat onzekerheden bestaan. De oude in 1884 gebouwde pastorie (HE 6) en de in 1840 aangelegde begraafplaats herinneren nog aan de aanwezigheid van het oude kerkgebouw. Tevens staan we hier op de grens van Holland en Sticht die sinds 1287 na een felle strijd tussen Floris de V en Gijsbrecht van Amstel door de bisschoppen van Utrecht werd vastgelegd.
>De opkomende industrialisatie in Hilversum eind negentiende eeuw bracht grote veranderingen. Het eens zo kleine dorp op de hei onderging een metamorfose. Hilversum werd een middelgrote provinciale stad. De nieuwe huurwoningen moesten voldoen aan strenge eisen. De woningbouwvereniging ‘Arbeidersbouwvereniging Hilversum’ ontwikkelde huizen in de toen nog jonge Bloemenbuurt. De architect Everwijn Verschuyl kreeg de opdracht woningen te bouwen aan de Cameliastraat, Egelantierstraat, Neuweg en Ericastraat.
>Als het aan de Amsterdamse wethouder De Miranda had gelegen, was een groot deel van de Wester- en Bussummerheide een Amsterdamse enclave geworden. Een tuinstad voor 50.000 Amsterdammers waar het goed toeven zou zijn. Nu ondenkbaar.
>Maarten Min aan het woord, een architect geboren en getogen in Bergen.
>