Tsaar Peter de Grote bezoekt Zaandam

De Russische tsaar Peter (1672-1725) kreeg op zeventienjarige leeftijd de macht overhandigd. De jonge tsaar bleek een leergierige en bevlogen leider die het land wilde moderniseren. De handelsvloot van de Republiek stond destijds bekend als een van de beste ter wereld. Dat ontging de tsaar niet. Tweemaal bezocht de leergierige Peter de Grote Noord-Holland: in 1697 en in 1717. Tijdens beide bezoeken deed de tsaar Zaandam aan om de fijne kneepjes van de scheepsbouw te leren.

Book 19 min

De aankomst in Zaandam

In Zaandam maakte Peter de Grote kennis met Nederland. In Rusland had hij in Voronezj, zo’n 500 km van Moskou verwijderd, Hollandse scheepstimmerlieden leren kennen. De tsaar was ook onder de indruk van de Hollandse schepen in Archangelsk en liet daar vanaf 1693 een dok bouwen. Enkele van de Hollandse scheepstimmerlieden waren Zaankanters geweest, die hem over de scheepswerven langs de Zaan hadden verteld. Van maart 1697 tot augustus 1698 maakte Peter deel uit van het zogenaamde Grote Gezantschap: een Russische diplomatieke vertegenwoordiging naar West-Europa. Peter reisde incognito mee, onder de naam Pjotr Michailov. Toen het gezantschap in augustus in Amsterdam arriveerde, haastte Peter zich naar Zaandam, om daar met eigen ogen de scheepswerven te aanschouwen. Volgens het verhaal arriveerde hij per aak via het Kerkerak in Zaandam. Het Kerkerak is de naam van een deel van de Voorzaan aan de kant van de Hogendijk.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over de aankomst: “Reeds in den vroegen morgen werd de reis naar Zaandam voortgezet; omtrent zes uren tot in de Voorzaan en in het Kerkerak genaderd, zag men aldaar Gerrit Kist, een persoon die in Rusland als smid gewerkt had, en toen bezig was in een schuitje te poeren of naar aal te visschen. De Russen hem herkennende, riepen Smid! Smid! Kom bij ons! Hij, opziende, verwonderde zich ten hoogste over het vreemde vaartuig; maar aan boord gekomen moest hij zich nog meer verwonderen in hetzelve den magtigen Czaar van Rusland te zien, die hem zeer vriendelijk bejegende, en zijn voornemen bekend maakte met stellige begeerte, dat hij bij Kist wilde wonen. [… ]Peter was bij de komst van de rivier-aak aan den Dam het eerst van allen met een touw in de hand op den wal gesprongen, en maakte het vaartuig vast. Hij was destijds alleen in schippers kleeding, in een rood wambuis en witte linnen broek. De overige personen waren op het Russisch gekleed. Dat dit een en ander dadelijk opzigt baarde en eene zamenscholing van volk veroorzaakte, zal niemand verwonderen.”

De aankomst van Peter de Grote in Zaandam. Hier zien we hem aan land gaan aan de oostzijde van de Dam in Oost-Zaandam, met op de achtergrond de Oostzijderkerk. Detail uit 19de-eeuwse centsprent. Plaatje 1 van ‘Eenige bijzonderheden uit het leven van Peter den Grooten’, drukkerij T.C. Hoffers te Rotterdam, collectie Gemeentearchief Zaanstad.

Het huisje van smid Gerrit Kist

Van 18 tot en met 25 augustus 1697 verbleef de Russische tsaar Peter de Grote in het achterhuis van smid Gerrit Kist aan het Krimp in Zaandam. Het Krimp was als tweede straat achter de Hogendijk in de 17e eeuw ontstaan als gevolg van de bevolkingstoename in die periode. In grote huizen aan de hoge en droge Hogendijk woonden de rijke scheepsbouwers. In de huisjes langs het laaggelegen, vochtige Krimp woonden en werkten werfarbeiders. Na zijn achtdaags verblijf schijnt Peter ook bij zijn bezoek in 1717 het huisje van Gerrit Kist te hebben bezocht. Dit tegen de zin van Kist, die zei dat nooit huur betaald was voor die week twintig jaar eerder. Het huisje groeide in de eeuwen die volgden uit tot bedevaartsoord voor Russen en kreeg aan het einde van de negentiende eeuw een stenen overkapping. Het zogenaamde Czaar Peterhuisje is tegenwoordig te bezoeken als museum.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over het onderkomen: “Wat deze ook aanvoerde dat zijne geringe woning en de toestand van zijn huisgezin zulks niet toelieten dit baatte niets. De Czaar volhardde, en men besloot derhalve eene weduwe, die in het achterhuisje van de woning van Kist haar verblijf hield, zoo mogelijk te bekoopen, om hetzelve te ontruimen en bij haren vader te gaan wonen, het welk voor zeven guldens gelukte. Dit verblijf, bestaande uit ééne kamer en een daar in uitkomend schuurtje en loodsje, werd nu door den Monarch betrokken, en Kist kreeg stelligen last bij hoog en bij duur, om den Czaar en zijnen hoogen rang aan niemand bekend te maken.”

Het huisje van Gerrit Kist in Zaandam. Detail uit 19de-eeuwse centsprent. Plaatje 2 uit 19de-eeuwse centsprent ‘Eenige bijzonderheden uit het leven van Peter den Grooten’, drukkerij T.C. Hoffers te Rotterdam. Beeld: collectie Gemeentearchief Zaanstad.

De gereedschapswinkel van weduwe Jacob Oomes

Na zijn aankomst op zondag in Zaandam, gaat Peter de Grote op maandag direct aan de slag. Maar om als timmerman te kunnen werken heeft hij gereedschap nodig. Waarschijnlijk is hij goed op de hoogte van de benodigdheden van een scheepstimmerman uit het standaardboek over dit onderwerp uit die tijd van de Amsterdamse burgemeester en cartograaf Nicolaes Witsen (1641-1717). Zijn Aeloude en hedendaegse scheepsbouw en bestier uit 1671 is het handboek waarlangs Peter de Grote het vak van scheepstimmerman wil leren.

Nomen geeft enkele details over Peters gedrag als hij de winkel bezoekt: hij loopt voortdurend heen en weer, bekijkt al het gereedschap en zet twee vrijpostige Jannen de deur uit. Nomen vertelt verder dat de tsaar wegliep met de steel van een bijl in elke hand en dat een kruiwagen nodig was om al het overige weg te brengen naar zijn schip. Hij heeft dus flink wat ingeslagen. Waarom die twee stelen niet op de grote hoop in de kruiwagen mochten, is onbekend. Misschien wilde hij het inmiddels toegestroomde Zaanse publiek op afstand houden. Het eerste object dat Peter de Grote zou hebben vervaardigd met zijn nieuw aangeschafte gereedschap, was een badkuip. Of hij die zelf wilde gebruiken of alleen als een oefenobject zag, vertelt het verhaal niet.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over het bezoek aan de gereedschapswinkel: “Eene der eerste verrigtingen op den volgenden dag, was het koopen van veel timmergereedschap, in den winkel van de weduwe van Jacob Oomes, op den hoogendijk, hetwelk de Vorst zelf naar huis bragt.”

Peter de Grote in de gereedschapswinkel. Hier zien we voorbeelden van het timmermansgereedschap als een trekzaag, enkele boren, een bijl of dissel. De winkel van de weduwe Jacob Oomes lag aan de Hoogendijk vlakbij het Krimp waar Peter logeerde. Detail uit 19de-eeuwse centsprent. Plaatje 4 uit 19de-eeuwse centsprent ‘Eenige bijzonderheden uit het leven van Peter den Grooten’, drukkerij T.C. Hoffers te Rotterdam, collectie Gemeentearchief Zaanstad.

Tsaar Peter te werk als scheepstimmerman

Dat Peter de Grote direct op de dag na zijn aankomst zich laat aannemen op een scheepstimmerwerf, is te lezen in het verslag van Scheltema (rond 1814) en niet bij Nomen in 1697. Scheltema beroept zich op informatie van de stokoude kleinzoon van werfbaas Lijnst Rogge; Adriaan Rogge. De werf van Rogge lag langs de Hogendijk aan de Zaanzijde. Op deze plek zijn in 1996 en in 1998/99 bij archeologische opgravingen restanten van de werven blootgelegd. In de collecties van het Zaans Museum en het Molenmuseum te Koog aan de Zaan bevinden zich maquettes die de situatie in de 17de eeuw reconstrueren. Of Peter de Grote daadwerkelijk gewerkt heeft op deze of een van de andere werven langs de Voorzaan is nu niet meer te achterhalen: het was wel de reden waar hij voor naar de Zaanstreek kwam.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over het werk: “De Czaar heeft zich ook op dien dag laten aannemen, om te arbeiden op de scheepstimmerwerf van Lynst Teeuwiszoon Rogge, gelegen aan den hoogendijk, en aan de Buitenzaan, westzijde, en wel op den naam van Pieter Michaelof. Hij begaf zich toen en later onder het werkvolk, met den bijl in de hand, vermaak scheppende in den meesterknecht te dienen, welken hij gestadig met naauwkeurigheid vroeg naar de namen van de minste deelen.”

Scheepswerf van meestergrootscheepmaker Lijnst Rogge. Collectie Gemeentearchief Zaanstad.

Het bezoek aan de Zaanse ambachtsvrouwen

Nadat Peter de Grote onderdak heeft geregeld voor hemzelf – bij smid Gerrit Kist – en voor zijn gevolg – in een burgerwoonhuis op het Zilverpad – hij gereedschap heeft gekocht en zich aangemeld op de scheepswerf, haast hij zich op de tweede dag van zijn verblijf om op bezoek te gaan bij familieleden van Zaanse ambachtslieden. Volgens het journaal van Nomen, woonde een van de vrouwen – de vrouw van Jan Rensen – aan de Zuiddijk. De Zuiddijk is rivierdijk langs de oostzijde van de Zaandam, die vanaf de dam richting het zuiden loopt. In de zeventiende eeuw waren hier scheepswerven en was de bewoning vanuit de oude kern van Oost-Zaandam, de Klauwershoek uitgebreid in noordelijke en zuidelijke richting.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over het bezoek aan de ambachtsvrouwen: “Hij haastte zich, om de vrouwen en de ouders te bezoeken van de personen, te Moscow en Archangel aan hem bekend geworden. In den voormiddag was hij geweest bij Mary Hitmans de moeder van Thomas Josias, eene arme vrouw, die voor hem een mutsje genever haalde, het welk aangenaam was. Het eenvoudig middagmaal nam hij bij de vrouw van Jan Rensen, aan wien hij in Rusland als bekwaam scheepmaker bijzondere gunst en achting had betoond. Bij eene van dezen ontmoette hij Antje, de vrouw van Arrien Meetje, die hem naar haren man vroeg. Hij roemde op de kennis met denzelven, en dat hij niet verre van het zijne ook een schip had getimmerd. Zij vroeg hem: of hij dan ook Schepenmaker was? Waarop hij met kennelijk genoegen antwoordde: Ja, ik ook een timmerman ben.”

Hier zien we Peter is zijn werkmanskleding bij twee dames in dracht. De rechter vrouw lijkt een kaper te dragen: een hoofddeksel dat typisch is voor de Zaanse klederdracht. Op andere afbeeldingen van deze bezoekjes zijn ook duidelijk de masten van schepen te zien die in de haven van Zaandam in de Voorzaan lagen. Detail uit 19de-eeuwse centsprent Plaatje 5 uit 19de-eeuwse centsprent ‘Eenige bijzonderheden uit het leven van Peter den Grooten’, drukkerij T.C. Hoffers te Rotterdam, collectie Gemeentearchief Zaanstad.

De winkel van lakenkoopman Jan Cornelisz Nomen

De belangrijkste ooggetuige van Peter de Grotes verblijf in Zaandam was Jan Cornelisz Nomen (1646-1724). Hij was lakenkoopman in Zaandam, lid van de vroedschap van West-Zaandam, burgemeester en schepen. Nomens aantekeningen waren voor hemzelf en zijn familie bedoeld en hebben verder geen literaire waarde. Het manuscript bevindt zich tegenwoordig in de universiteitsbibliotheek van Utrecht. Zijn stoffenwinkel was waarschijnlijk gevestigd aan het begin van Hogendijk, ter hoogte waar zich nu het begin van de Czaar Peterstraat bevindt. Op deze afbeelding van zijn stoffenwinkel is het opvallend te zien hoeveel verschillende soorten stoffen hij in zijn manufacturenzaak op voorraad heeft. Het geeft aan dat er een markt en dus klanten waren voor dergelijke luxegoederen in het 17de eeuwse Zaandam. Lang is gedacht dat de afgebeelde klant Peter de Grote voorstelde.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over de lakenkoopman: “Bij de uitgave van dit tweede deel vermeenen wij vooraf te moeten berigten, dat de verhalen omtrent de eerste reis van den Czaar, en voornamelijk aangaande deszelfs verblijf te Zaandam, enz het meest ontleend zijn uit zeker Dagverhaal geschreven door Jan Corneliszoon Noomen, in leven, Lid der Vroedschap en lakenkooper te Westzaandam, hetwelk bij des mans achterkleinzoon den Heer Dirk Volmer, Lid der Vroedschap en koopman te Zaandam, met zorg werd bewaard, aan ons met heuschheid is verstrekt, en zoo als voorheen reeds is vermeld, de eerste aanleiding heeft gegeven zo onze poging, om het bedrijf van Czaar Peter hier te lande bekend te maken.”

Aquarel van de stoffenwinkel van Jan Cornelisz. Nomen in 1697. Vervaardiger: C.W.B. gedateerd: 1845. Collectie Gemeentearchief Zaanstad.

Tsaar Peter bekogeld door Zaanse knapen

Het is inmiddels woensdag 21 augustus. Peter heeft verschillende mensen bezocht, maar heeft vooral interesse getoond in diverse Zaanse ambachten en nijverheden. Hij bezocht niet alleen olie-, zaag-, en papiermolens maar ook de lijnbanen, de zeilmakerijen en ijzer- en kompasmakerswinkels. Het lukt Peter steeds minder goed incognito te blijven, het ‘geheim’ begint uit te lekken. Als eenmaal bij een barbier het verhaal de ronde is gegaan dat de lange man in het gezelschap buitenlanders de keizer van Rusland is. Maar dan is er een incident dat de zaken verder aan het rollen brengt. Peter komt in aanvaring met een aantal Zaanse jongens, waardoor hij genoodzaakt is de Zaanse autoriteiten om hulp te vragen. Over de exacte plek waar het incident zich zou afspelen is de tekst van Nomen niet heel duidelijk, hij noemt de sluis in de Horn als de plek. Maar de sluis in de Horn ligt in de Hogendijk, niet in de Zuiddijk waar het bekogelen begonnen zou zijn. In de Zuiddijk ligt ook een sluisje, wellicht dat beiden sluizen hier door elkaar zijn gehaald.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over het voorval: “Intusschen was er iets gebeurd, het welk van onberekenbare gevolgen hadde kunnen zijn. Peter had pruimen gekocht in den Lagen Horn, en deze in zijn’ hoed gestort hebbende, ging hij al etende met dezelven onder den arm den Dam over, den zuiddijk op. Vele jongens omringden hem; aan eenige die hem behaagden, vroeg hij: Mannetje wilt gij een pruimtje? en deelde ze ui;, andere vroegen dit aan hem en zeiden: Man geef ons ook wat; dezen weigerde hij dit, schijnende, zegt Noomen, zijn vermaak te vinden met dezen te verblijden, genen te verstooren, en zoo wat onrustig te maken, welk laatste wat ruwelijk geschiedde. Hierop sloegen de jongens tot baldadigheid over, en wierpen den Vorst eerst met modder en vuiligheid, daar na met steenen, waar van een hem in den nek trof zoo zelfs dat het hem veel pijn veroorzaakte. De Czaar ging hierop in de herberg, De drie zwanen, en vroeg naar de Burgemeesters, om hierin te voorzien.”

Het voorval met de stenenwerpende jongens. Detail uit 19de-eeuwse centsprent. Plaatje 6 uit 19de-eeuwse centsprent ‘Eenige bijzonderheden uit het leven van Peter den Grooten’, drukkerij T.C. Hoffers te Rotterdam, collectie Gemeentearchief Zaanstad.

Doopsgezinde Vermaning ontvangt de Russische Grootvorst

In 1717 bezoekt Peter de grote nogmaals de Zaanstreek. Bij zijn laatste bezoek werd hij begeleid door Cornelis Calff en zijn zoon Nicolaas, op dat moment behorende bij de belangrijkste Zaanse koopmannen. Peter en zijn gevolg bezoeken een geelgieterij (kopergieterij), een traankokerij en bekeken de boeier die speciaal voor Peter bewaard was omdat hij eraan gewerkt zou hebben 20 jaar eerder. ’s Middags bezoekt men vervolgens de doopsgezinde vermaning waar Cornelis Calff voorganger is. De ‘priester’ op de prent is dus niet zomaar een priester, maar de Zaanse koopman Calff. De doopsgezinde Vermaning Het Nieuwe Huis was in 1687 ontstaan na de fusie tussen de Vlaamse en Waterlandse Doopsgezinde gemeenten van West-Zaandam. Het pand is nog steeds in gebruik als Vermaning.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over het bezoek: Vervolgens bezocht men het bedehuis der Doopsgezinden, als nog het nieuwe buis geheeten. De Czaar betuigde aan Calf, die in deze gemeente leeraar (liefdepreker, vermaner) was zijne begeerte om te hooren, hoe men aldaar leerde, met bijvoeging, dat hij op geene lange preken gesteld was. Calf zeide: dat hij dan de slotsom van alle vermaningen zoude voordragen. Hij trad ten kansel en sprak met waardigheid denk wel, spreek wel en doe wel. Amen. De Vorst zeide: nooit korter, nooit zaakrijker preek gehoord te hebben, en voegde zijnen priester toe: zoo moest gij ook doen, maar gij heb te veel bijspel. Bij het middagmaal had de Czaar zich ook met deelneming over Zaandam uitgelaten. Nergens had hij zoo vele werkzaamheid en zulken uitgestrekten koophandel aangetroffen. Met bijzondere hartelijkheid nam hij afscheid van zijne Zaandammer vrienden. Hij kuschte ze op het voorhoofd met het uitspreken zijne gewone bede: God beware u.

Peter de Grote bezoekt de doopsgezinde vermaning. Detail uit 19de eeuwse centsprent. Plaatje 12 uit 19de eeuwse centsprent ‘Eenige bijzonderheden uit het leven van Peter den Grooten’, drukkerij T.C. Hoffers te Rotterdam, collectie Gemeentearchief Zaanstad.

Spektakel bij de overtoom

Tijdens zijn bezoeken aan Zaandam hebben de Zaankanters Peter de Grote meerdere malen uitgenodigd om het spektakel van het overtrekken van een scheepsromp over de Overtoom van de Achter- naar de Voorzaan bij te wonen. Maar als we de beschrijving van Jacobus Scheltema moeten geloven is Peter niet eenmaal daadwerkelijk toeschouwer geweest. De ene keer was er teveel volk op de been, omdat Peter als een toeristische attractie zelfs Amsterdamse toeristen trok. Een andere keer was Peter veel te ongeduldig om het spektakel af te wachten en een derde keer was de maaltijd zo lang uitgelopen dat de keizerlijke gast geen tijd meer over had.

De overtoom was in 1609 aangelegd om grote scheepsrompen die op de werven op de Achterzaan gemaakt waren naar de Voorzaan te transporteren zodat ze daar afgetimmerd konden worden en op weg konden naar hun afnemers. Het hele gebied dat nu zuidelijk en oostelijk van de Dam en de Hogendijk ligt was toen water waar elke dag door de Zuiderzee en het IJ eb en vloed binnen kwamen. De Dam in de Zaan zelf was ongeveer 42 meter breed, de gebouwde schepen ongeveer de helft zo lang. Het over de Dam trekken van zo’n kolos tussen de bebouwing op de Dam door was daarom een spectaculair gezicht. Vlak na het laatste bezoek van Peter de Grote is de Overtoom in 1719 bestraat en niet meer gebruikt. De naam Overtoom is vreemd genoeg als straatnaam in Zaandam verdwenen.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over het spektakel: “Dit een en ander was door den Czaar bezorgd op den derden van Herfstmaand, wanneer hij te Zaandam was genoodigd, dewijl er wederom een schip zoude overgewonden worden. Men strooide in het algemeen uit, dat de Vorst bedankt had, en niet komen zoude, om hierdoor den toevloed van nieuwsgierigen voor te komen. Hij kwam met den boeijer aan bij de oostzijde, zag den toestel der blokken en touwen, en alles wat voor dit gewigtig werk in gereedheid was gebragt. Toen men bezig was met winden, ging hij in een ijzerwinkel, en kocht aldaar, onder gestadige moeite met nieuwsgierigen, die in het voorhuis kwamen, doch weldra het zelve moesten verlaten, wederom veel gereedschap, het welk hij zelf naar den boeijer bragt, en, tegen de order, over de gespannene touwen. Hier bij te rug gekomen beziet, hij alles nog eens met de meeste aandacht, doch het winden duurde hem te lang; hij loopt naar den boeijer, haalt het zeil op, maakt het nat, aanvaardt het roer, doet de touwen los maken, en vaart heen zonder het kantelen en het afloopen van ‘t schip af te wachten.

Bij den maaltijd werden de Czaar en d’n Czarin door den predikant, Gerardus van Aalst, in korte bewoordingen begroet, het welk met beleefdheid werd beantwoord. De maaltijd duurde zoo lang, dat men niet veel van het overwinden van het schip konde zien. Het gezelschap begaf zich naar het huis van Aaltje Walingius, weduwe van Arend Klaaszoon Bloem, aan den hoogendijk voor den overtoom, om het afloopen van het schip van daar te aanschouwen; doch nu was door het lang wachten het getij verloopen en het schip bleef in den modder steken. De Czaar en de Czarin haastten zich vervolgens zoo bijzonder met hun vertrek, dat verscheidene personen met hen afgereisd, niet met de jagten konden vertrekken en eene andere gelegenheid moesten zoeken.”

Dam met Overtoom te Zaandam. Schilderij uit de eerste helft van de 18de eeuw, vervaardiger J.J. Keyser, collectie Zaans Museum.

Medegezant Menshikoff wordt ondergebracht

Nadat Peter de Grote na acht dagen op 25 augustus besluit Zaandam te verruilen voor een verblijf in Amsterdam op de VOC-werf, komt hij volgens Nomen en Scheltema nog enige malen terug naar Zaandam. Onder andere omdat een aantal man uit zijn gevolg door hem te werk gesteld zijn bij Zaanse bedrijven. De mannen zijn niet de minsten: onder hen graaf Golofkin, prins Kourakin en Alexander Menshikoff zijn vertrouweling. Menshikoff kwam te werken op een mastenmakerij. Waar de mastenmakerij van Gerrit Jans Stuurman precies was, is onbekend, maar op het Krimp waren veel bedrijfjes gevestigd die als toeleverancier voor de werven werkten. Tijdens het eerste bezoek heeft Peter de mannen uit zijn gevolg al onder gebracht in een stenen burgerwoning van Jacob van der Linden op het Zilverpad 9, het lijkt erop alsof de mannen daar gebleven zijn. Het Zilverpad is in 1858 met het Geldelozepad, samengevoegd tot de Gedempte Gracht, die als onderdeel van het project Inverdan nu weer zijn gracht terugkrijgt.

Jacobus Scheltema schrijft in 1814 over Peters medegezant: “Menzikoff werd door den Czaar besteld bij Gerrit Jans Stuurman, op het mastenmaken, de beide anderen bij Paulus Theuwissen, op het bootenmaken. De tolk zeide, aangaande den derden of minst bekenden [prins Kourakin] , den baas: Gij moet dien heer wel tracteren, want hij is een van de grootste heeren, een Prins van Moscovien; het welk Menzikoff, die het Hollandsch kende, afkeurde. De tolk hernam: Het zal dien heer niet schaden dat men wete van welken hoogen stand hij is: hij zal er te meer om geëerd, te beter om behandeld worden. […] Op den negenden kwamen de Russische heeren met hunne goederen te Zaandam, en tegen dadelijk aan den arbeid; de beide bootenmakers klaagden in den beginne bitter over hunne handen, die aan geen werken gewoon waren. Dit herstelde zich echter. De minst bekende hunner werd ziekelijk, en erlangde in Wijnmaand vrijheid, om naar Rusland te rug te keeren. Menzikoff slaagde beter in het werk. Hij werd eens door den Czaar op de mastwerf bezocht, wanneer dezelve hem den dissel of het haalmes uit de handen nam, en trots den besten mastenmaker arbeidde. Hij erlangde vervolgens de gunst, om bij den Czaar op de werf te Amsterdam te komen. Gelofkin bleef onafgebroken te Zaandam, behalve dat hij eens zijnen broeder, die te Utrecht het maken van vuurwerken leerde, bezocht. Voor hen was een huis gehuurd op het Vinkenpad. te West-zaandam, toen en thans nog de steenen kamer genoemd. Zij leefden aldaar, zegt Noomen, lustig en vrolijk, met een’ smulligen kok, een’ muzijkant, die kunstig en fijn speelde, en een’ Priester.”

Peter de Grote en Menzikoff. Detail uit 19de-eeuwse centsprent. Plaatje 6 uit 19de-eeuwse centsprent ‘Eenige bijzonderheden uit het leven van Peter den Grooten’, drukkerij T.C. Hoffers te Rotterdam, collectie Gemeentearchief Zaanstad.

Zaanse molenaars en molenmakers naar Rusland

Peter de Grote was maar kort in de Zaanstreek. Toen hij vertrok was zijn kennis over scheepsbouw een stuk groter, maar ook zijn kennis over die wonderlijke machines: molens. Logisch dat de Tsaar niet alleen scheepstimmermannen, maar ook molenaars en molenmakers meenam naar Rusland. Daarbij waren ook Zaanse papiermolenaars. Die hadden twintig jaar eerder een geweldige uitvinding gedaan (de maalbak of ‘Hollander’) die het maakproces van papier versnelde en de kwaliteit ervan sterk verbeterde.

Tijdens het bezoek van Peter de Grote maalden er zestig papiermolens in de Zaanstreek. Vandaag de dag is er nog precies één actief: molen De Schoolmeester aan het Guispad in Westzaan maakt nog steeds papier zoals dat ten tijde van Peter de Grote gebeurde. In het Molenmuseum is het verhaal van de industriemolens en hun producten te zien. Hier maakt u kennis met het technisch vernuft waarmee de molens werden uitgerust, met de leefomstandigheden van de Zaankanters uit vroeger eeuwen en met de industriële kracht en de schoonheid van de molens.

Molen de Schoolmeester

Molen de Schoolmeester. Foto: Vereniging de Zaansche Molen.

Omslagfoto: Historieprent uit de 19de eeuw. Collectie , Noord-Hollands Archief.

Publicatiedatum: 01/03/2013

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN