Suiker in de koffie: genotsmiddelen uit Oost en West

Tijdens de zeventiende eeuw maakten Nederlanders kennis met allerlei exotische voedingswaren, zoals koffie, thee, suiker en specerijen. Deze goederen werden uit het verre Oost- en West-Indië aangevoerd door de VOC en de WIC, die de overzeese handel beheersten. Het waren echte luxeproducten, die alleen welgestelde Nederlanders zich konden veroorloven.

Halverwege de zeventiende eeuw bestuurde de Nederlandse Republiek een uitgestrekt rijk van koloniën en handelsposten langs de randen van Europa, Azië, Afrika en Amerika. De Hollandse handelsgeest reikte, in de woorden van Vondel, ‘zoo wijd de zonne straelt’ – maar natuurlijk vooral daar ‘waer de winst ons voert’. Dankzij de handel was de Republiek destijds één van de rijkste en machtigste landen van Europa. De groeiende kennis van andere werelddelen werd in het thuisland gepresenteerd in kunstwerken, (rariteiten)kabinetten, tuinontwerpen, boeken en landkaarten. In die wisselwerking met de overzeese wereld schiep de jonge Republiek haar eigen identiteit.

Het gewest Holland profiteerde het meest van de vergaarde rijkdom. Alle handelsstromen kwamen samen in Amsterdam, dat bekendstond als de ‘stapelmarkt van Europa’. Hier woonden de welgestelde regenten, die investeerden in schepen en handelsondernemingen. Maar ook de zeelui, scheepsbouwers, sjouwers, kooplui en winkeliers in de Hollandse steden en de boeren in het achterland werkten hard voor hun geld. Tezamen zorgden ze ervoor dat duizenden Hollandse schepen alle mogelijke producten vervoerden in deze vroege geglobaliseerde wereld.

Aelbert Cuyp, Een opperkoopman van de VOC met zijn vrouw en een Indische bediende, op de achtergrond de retourvloot op de rede van Batavia, ca. 1650-1655. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Compagnieën beheersten de handel

Het Nederlandse overzeese handelsimperium werd beheerst door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en haar Atlantische evenknie, de West-Indische Compagnie (WIC). De in 1602 opgerichte VOC had het monopolie op de handel met Oost-Indië, de WIC op de driehoekshandel met West-Afrika en Amerika. Beide compagnieën kregen in hun eigen gebied volmacht om naar eigen inzicht oorlog te voeren en verdragen te sluiten. De VOC wordt wel als de eerste multinational ter wereld gezien en voerde een eeuw lang winstgevende handel met de Oost. De WIC bleek alleen in de eerste helft van haar bestaan een effectief instrument en werd na zo’n vijftig jaar al failliet verklaard.

Aan het hoofd van de overzeese compagnieën stond een netwerk van Hollandse en Zeeuwse regenten, die onderling de baantjes verdeelden. Overzee werd de monopoliepositie met hand en tand bevochten, waarbij de inheemse bevolking soms een hoge prijs betaalde, maar in het thuisland creëerden zij een welvarende burgersamenleving. Natte gebieden zoals de Beemster en de Schermer werden ontgonnen, om nieuw land vrij te maken voor landbouw en industrie. Amsterdam werd uitgebreid met de grachtengordel, die de hoofdstad maar liefst vijf keer zo groot maakte. Zelfs kleine dorpjes aan de Zaan en de Zuiderzee wisten een graantje mee te pikken van de bloeiende handel.

Jan Broedelet, Een man en vrouw drinken koffie of thee in de tuin, ca. 1690-1700. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Javaanse koffie en Chinese zijde

De handel in Indonesië begon met de overname van de Portugese gebieden door de VOC. De hoofdstad van het VOC-rijk werd Batavia (het huidige Jakarta) op het eiland Java, strategisch gelegen aan de Straat Soenda. Batavia werd een knooppunt tussen de Atlantische en de Aziatische handel, die niet alleen voor de Nederlanders maar ook voor Arabische, Javaanse en Chinese handelaren van groot belang was. Vanuit Batavia verscheepte de VOC Aziatische luxeproducten, zoals zijden stoffen, koffie, thee en specerijen naar de Republiek, waar de goederen gretig aftrek vonden onder de elite.

De VOC legde zelf geen plantages aan, maar wist met een aantal slimme trucjes de teelt van handelsproducten te stimuleren. Door de Javaanse bestuurders te interesseren voor de koffieteelt en aanvankelijk flinke bedragen voor de oogst neer te tellen, verzekerde de VOC zich van een constante aanvoer van de verkwikkende bonen. Op den duur verlaagden ze echter de prijs en ging de VOC over op een systeem waarbij de inheemse bestuurders verplicht tegen vaste bedragen bepaalde hoeveelheden koffie moesten leveren. De Javaanse opperhoofden zetten op hun beurt lokale boeren gedwongen aan het werk met de ontginning en teelt. Tegelijkertijd nam de koffieproductie in de Nederlandse plantagegebieden in Amerika toe. De hogere arbeidsproductiviteit en lagere vervoerskosten in de West betekenden sterke concurrentie voor de koffie uit de Oost.

Dirk Valkenburg, De suikerplantage Waterlant in Suriname, ca. 1698-1718. Collectie Amsterdam Museum.

De prijs van de suikerteelt

Eenzelfde ontwikkeling was te zien in de suikerteelt. Ook deze begon in de streek rond Batavia, op aandringen van de VOC. De suikerplantages werden geëxploiteerd door Chinezen, die uit hun eigen land bekend waren met het verbouwen en verwerken van suikerriet. Maar ook de Javaanse suiker kon niet concurreren met de goedkopere suiker van de Amerikaanse plantages. Daarom werd de Javaanse suiker vooral in Perzië en China afgezet, in plaats van het naar de Republiek te verschepen.

De Nederlandse suikerteelt in de West begon met de verovering van Portugese kolonies in Brazilië. Later wisten Nederlanders suikerplantages aan te leggen in de eigen koloniën in Suriname, Guyana en het Caribisch gebied, die samen al snel meer suiker zouden produceren dan Brazilië. Naast suiker werd er katoen en tabak verbouwd. Zo ontstond de bekende Trans-Atlantische driehoekshandel van de WIC, waarbij schepen uit Europa vertrokken met onder meer wapens en buskruit, om deze in West-Afrika met lokale slavenhandelaren te ruilen voor slaven en goud. De tot slaaf gemaakte Afrikanen werden vervolgens onder erbarmelijke omstandigheden naar Amerika vervoerd, om daar verkocht te worden als plantagearbeiders. Volgeladen met suiker, tabak en katoen vertrokken de schepen vanuit Amerika weer op weg naar huis.

Jacob Marius Adriaan Martini van Geffen, Jongen met grote stengel suikerriet, afkomstig uit een album met 35 tekeningen van landschappen en plantages in Suriname, ca. 1850-1860. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Een modieus drankje

De verwerking van suiker vond grotendeels plaats in Amsterdam. Tientallen suikerraffinaderijen produceerden tafelsuiker uit suikerriet. Winkeliers in koloniale waren verkochten de suiker aan klanten, vele suikerbakkers verwerkten het tot de meest smakelijke producten en zilversmeden vervaardigden prachtige serviezen om het witte genotsmiddel in te bewaren. Was men hiervoor gewend om dranken en etenswaren te zoeten met honing, nu zorgde de nieuwigheid en de extra zoete smaak van rietsuiker ervoor dat het exotische product gretig aftrek vond.

Alleen de bovenlaag van de bevolking was aanvankelijk in staat om regelmatig luxeproducten zoals suiker en koffie aan te schaffen. Koffiedrinken werd een modeverschijnsel. Op tekeningen en schilderijen zien we deftig bepruikte en bepoederde gezichten genieten van een kopje hete koffie, die grappig genoeg uit het schoteltje gedronken werd. Het stimulerende bruine goedje was al snel niet meer weg te denken uit de maatschappij. Nederlanders drinken tegenwoordig zelfs de meeste koffie ter wereld. En om de bittere smaak wat draaglijker te maken, doen we er nog steeds graag een klontje suiker in.

Louis Marin Bonnet, Buste van een jonge vrouw die koffie drinkt, 1774. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Koffie en suiker: een gedeelde geschiedenis

Tijdens opgravingen komen archeologen geregeld objecten tegen die te maken hebben met de handel in koloniale waren. Bijvoorbeeld in wrakken van schepen die tijdens de zeventiende eeuw vergaan zijn in de Noordzee, Waddenzee en Zuiderzee. Zo ontdekten ze dat suikerrietstengels behalve als grondstof voor tafelsuiker ook gebruikt werden als ontluchtingsventiel in tonnen met koffiebonen, tijdens de lange overtocht uit Zuid-Amerika. De relatie tussen koffie en suiker blijkt dus nog intensiever te zijn dan we al dachten.

Zo’n originele suikerrietstengel is samen met een suikervorm, koffie en andere archeologische vondsten te bewonderen in de vernieuwde vaste opstelling van Huis van Hilde. Met de herinrichting geeft het archeologiemuseum de zeventiende eeuw een prominentere plek in de tentoonstelling en in de geschiedenis van de provincie Noord-Holland. Ook zijn een kanon, twee prachtige globes en een imposant scheepsmodel uit deze periode te zien in de nieuwe vleugel. Daarnaast toont het museum twee nieuwe mensfiguren: een Amsterdams koopmanstel uit de zeventiende eeuw, als verpersoonlijking van de rijkdom die de overzeese handel bracht.

Links: Een strooppot en een suikervorm, gebruikt in de Amsterdamse suikerindustrie, 17de-18de eeuw. Collectie Archeologie Amsterdam. Rechts: Vulvormen en strooppotten gevonden bij diverse opgravingen in Amsterdam. Collectie Archeologie Amsterdam.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries
Omslagfoto: Jean-Etienne Liotard, Hollands meisje aan het ontbijt, ca. 1756. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Bronnen:

  • Piet Emmer en Jos Gommans, Rijk aan de rand van de wereld. De geschiedenis van Nederland overzee 1600-1800 (Amsterdam 2012).
  • Kees Zandvliet red., De Nederlandse ontmoeting met Azië 1600-1950 (Amsterdam en Zwolle 2002).
  • Tentoonstelling ‘Suiker’ in het Amsterdam Museum (21 okt 2005 – 19 feb 2006).
  • Tentoonstelling ‘Gezonken schatten’ in Batavialand (18 feb 2017 – 7 jan 2018).
  • Nieuwe vaste tentoonstelling in Huis van Hilde (2021).

Publicatiedatum: 21/07/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.