Scheepvaart over het Haarlemmermeer

Scheepvaart over zee heeft altijd een grote rol gespeeld in de Nederlandse geschiedenis, vooral tijdens de Gouden Eeuw. Dit gold ook voor de binnenvaart via het Haarlemmermeer, die Amsterdam en Haarlem met de grote steden in Zuid-Holland verbond. De vaarroutes gingen dwars door rivieren en vaarten, en langs kolken en sluizen.

Na enkele grote stormvloeden ontstond omstreeks 1477 bij de Vennep een smalle open verbinding tussen het Oude Haarlemmermeer en het Leidse Meer, wat het verkeer voor kleine schepen tussen Haarlem via het Spaarne en Leiden via de Kagerplassen en het riviertje de Zijl mogelijk maakte. Sinds 1591 waren de meren één groot meer geworden en was het ook geschikt voor grote schepen. In de daaropvolgende eeuwen tot aan de droogmaking speelde het Grote Haarlemmermeer een aanzienlijke rol bij het verkeer tussen de groeiende stad Amsterdam en de steden in het zuiden: Gouda, Rotterdam, Dordrecht en Middelburg. De stad Haarlem had een groot belang bij deze scheepvaart en probeerde alle schepen van de noord-zuidroute over het Grote Haarlemmermeer door de Spaarndammersluizen te krijgen.

De vaartuigen gingen dan vanuit Amsterdam over het IJ door de Spaarndammersluizen naar Haarlem, vandaar over het grote meer naar Oude Wetering, dan via het Braassemermeer naar Alphen, door de rivier de Gouwe richting Gouda en verder. Amsterdam was sinds de veertiende eeuw alleen via een overtoom verbonden met het Oude Haarlemmermeer. Een overtoom is een installatie waarbij een schip over land van het ene in het andere water wordt getrokken, met het doel een peilverschil te overwinnen. Het waren vooral de kleine schepen die gebruik maakten van deze overtoom. In 1808 werd de overtoom vervangen door de Overtoomse Sluis.

Schepen op het Haarlemmermeer, gezien vanaf het zuidelijke punt van de Schalkwijkerweg. Collectie Noord-Hollands Archief.

Verbinding tussen noord en zuid

Bij Haarlem tussen het IJ en het Spaarne lag de Kolksluis. De sluis kwam in 1280 gereed en was gemaakt van een meertje (kolk) ontstaan bij een dijkdoorbraak in de Spaarndammerdijk. Het bijzondere van de sluis was dat het de eerste sluis was met deuren aan de zeezijde (het IJ) en deuren aan het binnenwater (het Spaarne), met daartussen een sluiskolk. Nu konden schepen onafhankelijk van het tij de dijk passeren. Eerst nog kleine schepen met gestreken mast, want de sluis had hefdeuren. Pas na 1300 kreeg de sluis puntdeuren en konden grotere schepen zoals de Hanzekoggen passeren. De sluis werd belangrijk voor de inlandse route van Scandinavië naar Vlaamse steden zoals Brugge en Gent. Er werd zoveel mogelijk binnendoor gevaren om de zee te mijden. Naast de Kolksluis was er de Kleine Haarlemmersluis, die gereed kwam in 1519. In het begin van de zestiende eeuw waren deze twee sluizen de enige schutsluizen voor de scheepvaart. De andere sluizen bij Spaarndam waren uitwateringssluizen.

Haarlem had vanwege de scheepsbouw en de economische ontwikkeling van de stad belang bij deze schutsluizen. De bierbrouwerijen, die in Haarlem een belangrijke rol speelden in de handel van de stad, waren afhankelijk van graan en turf voor het brouwen van het bier. Graan werd geïmporteerd uit Scandinavië en turf kwam via het Haarlemmermeer uit Aalsmeer. Naast deze twee sluizen werd in 1569 de Grote (Haarlemmer) sluis gebouwd. Het Haarlemmermeer vervulde dus een belangrijke rol als hoofdvaarweg tussen het noorden en het zuiden van Holland, maar ook verder weg.

Kaart met scheepvaartroutes over het Haarlemmermeer. Blauw is Leiden-Haarlem-Amsterdam, geel is Leiden-Nieuwe Meer-Overtoom-Amsterdam en rood is Gouda-Vennip-Haarlem.

Van trekschuit tot stoomboot

Het Haarlemmermeer was ook belangrijk voor de beurtvaart tussen de steden Amsterdam, Haarlem en Leiden. In de jaren vlak voor de droogmaking (1835-1838) werden er gemiddeld 20.4075 schepen geschut bij de sluizen bij Spaarndam en ongeveer 8.000 schepen passeren de Overtoomse Sluis bij Amsterdam. Bij deze aantallen moeten nog gevoegd worden die van en naar de dorpen aan het meer vaarden en de schepen die vanuit Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant naar Haarlem vaarden. Er waren rond 1839 drie belangrijke vaarroutes over het Haarlemmermeer, die vier steden met elkaar verbonden (op de kaart aangegeven met drie kleuren). Als eerste was er vanuit Leiden via Haarlem een verbinding met Amsterdam (blauw). De tweede route ging vanuit Leiden via de Nieuwe Meer en de Overtoom naar Amsterdam (geel). De derde liep vanuit Gouda langs het eiland de Vennip naar Haarlem (rood).

Na de droogmaking bleef de Haarlemmermeerpolder een rol spelen in het scheepvaartverkeer, via de aangelegde Ringvaart. Tot de komst van de stoomboot moesten de schepen bij het ontbreken van wind gejaagd (door een paard of mensen voortgetrokken) worden. Met de komst van de schutsluis bij Fort Aalsmeer in 1894 werd de polder bereikbaar via het voorkanaal langs de Geniedijk en de Hoofdvaart. Het waren vooral bietenschepen die van de sluis gebruik maakten. De schepen werden speciaal gebouwd met maten die voor de sluis geschikt waren. Omstreeks 1957 werd het gebruik van de sluis voor scheepvaart beëindigd.

Schutsluis bij Fort Aalsmeer. Collectie Noord-Hollands Archief.

Auteur: Drs. Hans Dolman jr. (Haarlemmermeermuseum de Cruquius)
Omslagfoto: Schepen op het Haarlemmermeer. Collectie Noord-Hollands Archief.

Publicatiedatum: 30/07/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.