De Waterwolf bedwongen

Een fietstocht langs de 62 kilometer lange Ringvaart die de gemeente Haarlemmermeer omsluit, biedt een uitdagend vergezicht. Ik steek de Ringvaart per fiets regelmatig over. Vanaf de brug tuur ik dan dromend het water in. Water dat rustig voortkabbelt, op het ritme van de wind en de stroming. Noord-Holland op haar best.

Reusachtig meer

De Ringvaart is een wezenlijk onderdeel van de Noord-Hollandse waterhuishouding. Maar wat velen niet weten, is dat deze vaart een paradepaardje van de Nederlandse geschiedenis is. Binnen de Ringvaart moet ooit een enorm meer zijn geweest met een oppervlakte van bijna zeventienduizend hectare. Daar passen bijna zeventienduizend voetbalvelden in! Een reusachtig meer waarvan de geschiedenis vrijwel vergeten is. Vandaar dat ik mijn zoektocht begon naar de oorsprong van de gemeente Haarlemmermeer.
 
Ik vond een rijke geschiedenis, met een interessante hoofdpersoon. Een man die binnen een paar jaar miljoenen liters water deed verdwijnen. Hij zag als eerste de bodem van het Haarlemmermeer. Hij was het die de gevreesde ‘Waterwolf’ temde. Zijn naam was Jan Anne Beijerinck. Deze geschiedenis wil ik aan u vertellen. Ik zou er nog liever echt bij zijn geweest. Om samen met Jan Anne het water weggepompt te zien worden. Het water dat toen al eeuwen het toneel van zeeoorlogen was geweest. En dat al eeuwen dienst deed als voedselbron.

Het begin van het einde

De wind nam in sterkte toe. Donkere wolken stapelden zich aan de hemel op. De regen kwam met bakken naar beneden. Bliksemschichten deden het water oplichten. Bomen werden heen en weer geslingerd en de takken vlogen in de lucht. Het vee kroop angstig tegen elkaar aan.
 
Een storm was op komst. Amsterdam was rumoerig. De vorige storm had het water van het Haarlemmermeer over de poorten geslagen. Iedereen die nog op straat was haastte zich naar binnen. De poorten werden afgesloten. De Amsterdammers konden niet veel meer doen dan wachten op de komst van de Waterwolf.

Golven zo hoog als heuvels

In 1836 raasde er een hevige storm door Noord-Holland. Het Haarlemmermeer veranderde hierbij in een woeste zee. Hij had honger en was op zoek naar slachtoffers. De golven waren zo hoog als heuvels, schreef de schoolmeester Pieter Boekel later. Het water sleurden hele dorpjes, vee en mensen mee op zijn weg richting de steden. De lijken bonkten de volgende dag tegen de gesloten poorten van de stad. Honderden mensen verdronken die ene nacht. De schade in en buiten de steden was enorm.
 
De dag na de storm deed Pieter Boekel verslag van “het geloei van den orkaan”. Zo verhaalde hij aan zijn omgeving over “het suizend gebruis van het wilde water”. Dat “al stouter en woester voortuimelde, en kokend en klotsend tegen paalwerk en oeverkant aanstormde”. Na een tweede storm in hetzelfde jaar was de maat voor veel mensen vol. Er moest iets aan de constante dreiging van de Waterwolf worden gedaan.

De koning en de ingenieur

De stormen in 1836 hadden de stedelingen en dorpelingen rond het Haarlemmermeer veel angst ingeboezemd. Er werden plannen gemaakt om het meer droog te leggen. Koning Willem I en een paar knappe koppen bogen zich over het mogelijk droogleggen van de ‘zee van Holland’. Willem I zag er wel wat in. Het zuiden had zich in 1830 losgemaakt van het koninkrijk. Een deuk in het ego van de koning, dus was hij op zoek naar een prestigieus project. Iets dat zijn status als koning zou opvijzelen. Het droogleggen van een reusachtig meer paste volgens Willem I wel in het plaatje.
 
De koning was daarnaast geobsedeerd door de industriële vernieuwingen in Engeland. Vooral de stoommachine intrigeerde Willem I. Het Haarlemmermeer voor het oog van de wereld droogleggen met stoommachines, dat idee kon de koning wel behagen. Zijn wil geschiedde. De regering schreef prijsvragen uit voor het beste plan waarmee het meer leeggepompt moest worden. Tientallen plannenmakers vonden hun weg naar het paleis. Om vervolgens zonder zaken te hebben verricht weer naar huis terug te keren. Het hele plan leek in duigen te vallen. De koning kon geen wateringenieur vinden en stuitte bovendien op oproer in de grote steden en op financiële problemen. Het scheelde maar weinig of het meer was er misschien nu nog wel geweest. De komst van Jan Anne op het paleis zorgde echter voor een doorbraak in de drooglegging van de Waterwolf.

Waterbouwkundige

Jan Anne Beijerinck was een opvallende verschijning. Hij was een kleine man. De kleur van zijn haren was pikzwart. Jan Anne had een rond gezicht met hamsterwangen. Op zijn neus rustte een bril. Achter de bril fonkelden donkere ogen met een vaak sombere blik. Er ging geen dag voorbij zonder dat hij zijn lange zwarte jas en vlinderdas droeg. Misschien om wat meer gedistingeerd over te komen, want Jan Anne was vrij grof gebouwd.
 
De watertechnicus kwam uit een protestants nest. Al elf generaties hadden de Beijerincks het beroep van waterbouwkundige. Ook de vader van Jan Anne werkte als een van de eerste ingenieurs bij de Rijkswaterstaat. Maar het vak zou de kleine Jan Anne niet van zijn vader leren. Hij overleed toen Jan Anne zeven jaar was. Het vak leerde hij uiteindelijk van zijn twee ooms. En hij leerde het snel. Op achttienjarige leeftijd trad hij in dienst van de Waterstaat. Tien jaar later zou Jan Anne een van de meest fameuze waterbouwkundigen van Europa worden. Hij had een wonder verricht. Hij was de man die voor het eerst in de wereldgeschiedenis een meer met de oppervlakte van bijna zeventienduizend voetbalvelden in een polder omtoverde.

De eerste voorbereidingen

In 1840 werd Jan Anne officieel aangesteld om het Haarlemmermeer droog te leggen. Hij kon zijn genoegen niet op. Direct verdween de ijverige ingenieur zijn werkkamer in. Een paar dagen later toonde hij zich weer aan het publiek. Met in zijn hand een groot wit vel waarop de ringvaart en de ringdijk getekend waren. De ringvaart omsloot zo nauw mogelijk de oevers van het Haarlemmermeer. Het witte vel met de tekening werd goedgekeurd. Het werk kon beginnen.

Werkgelegenheid

De drooglegging bood werkgelegenheid voor veel arbeiders in Noord-Holland. Om ervoor te zorgen dat de werklieden optimaal konden werken werd iedere avond, in elk seizoen, een kamp opgeslagen. Dit leek gunstig, maar de realiteit was anders. De mannen sliepen in rieten en strooien ‘bedden’, dicht opeengepakt. Ze leefden op brood en jenever. Er waren af en toe vrouwen voor vertier, maar dat zorgde vaak voor meer agressie onder de mannen. In de winter was het steenkoud. De paar mannen die hun gezin hadden meegenomen zagen hoe hun kleine kinderen blauw van de kou en hongerig maar moeizaam de winter doorkwamen. Dikwijls stierven de allerkleinsten.

Gemaal De Leeghwater

De jaren gleden voorbij. De 62 kilometer lange ringvaart was bijna af. Het zwaarste gedeelte van het project moest nog komen; het water uit het meer moest de ringvaart ingepompt worden. Jan Anne leunde tevreden achterover in zijn fauteuil in zijn werkkamer. Hij had zojuist de grootste stoomwerktuigen in de wereld opgetekend. De ingenieur had drie gemalen ontworpen. Het gemaal ‘De Leeghwater’, vernoemd naar een beroemde waterbouwkundige uit de zeventiende eeuw, zou als eerste gebouwd worden.

Nieuwsgierige omwoners

“Onregelmatig en onvoldoende”, noteerde Jan Anne op 21 juli 1845 over het pomphart van Leeghwater. De ringvaart was weliswaar nog niet af, maar het gemaal werd aan het werk gezet. In 1846 was het pomphart verbeterd en mochten de eerste nieuwsgierige omwoners een kijkje komen nemen. Niet lang daarna moest er een dagschema aan te pas komen om de enorme toestroom van het publiek aan te kunnen. De nieuwsgierige menigte bestond niet alleen uit de omwonenden. Mensen kwamen van heinde en verre om Leeghwater te zien pompen. Sommige toeschouwers waren te enthousiast en één moest het met de dood bekopen. In 1847 werd daarom besloten om alleen op donderdag mensen toe te laten. In groepen van telkens tien konden de mensen in alle rust het wonder verricht zien worden. Jan Anne was tevreden.

Cholera

Alles ging als gepland en met de bouw van de twee andere gemalen, de Cruquius en de Lynden, kon worden gestart. Na wat obstakels leken de twee laatste gemalen ook te gaan werken. Voor de werknemers werden huisjes gebouwd, die ze voor een huur van drie tot zes kwartjes konden bewonen. De sjouwers betaalden de minste huur, de machinist het meest. Er ontstonden kleine dorpjes rond de gemalen. Voor de zieken en de gewonden werd een hulpfonds opgericht. De zuinige Jan Anne had het gezag over dit fonds. Een uitbuiter was de ingenieur niet, maar een vetpot was het ook niet bij hem. De lange werkdagen en de werkeloosheid in de winter eisten hun tol. In de winter van 1848-1849 brak de cholera uit.
 
“Ik bevind mij in de treurige noodzakelijkheid Uwe Commissie te moeten berigten, het overlijden van den eersten machinist bij den Leeghwater”, schreef Jan Anne in februari aan de staatscommissie. Er gingen weken van onzekerheid voorbij. Een onderzoekscommissie concludeerde uiteindelijk dat er schoon drinkwater moest komen en vrije visvangst uit het meer. Enkele weken later leek de epidemie te zijn verdwenen.

“Het meer is droog!”

Alle drie de gemalen werkten in het voorjaar van 1849. Twee jaar later keek Jan Anne uit zijn raam. Verheugd liep hij naar buiten en keek over het meer. Daar in de verte zag hij de bodem van de Waterwolf. Het was hem gelukt! Of kwam er toch nog een kink in de kabel? Het meer was nu bijna droog, dat zou voor de arbeiders betekenen dat ze straks zonder werk zouden zitten. Daarom legden de bijna vierhonderd man de werkzaamheden neer: uit angst voor de toekomst en vanwege het harde werk eisten zij meer loon. De zuinige Jan Anne voelde de hete adem van de werklieden in zijn nek. Na maanden van diplomatiek getouwtrek moest de ingenieur inschikken. De lonen werden verhoogd. De mannen namen hun werk weer op, om de laatste hand aan het project te leggen. In 1852 berichtte de Staatscourant “Het meer is droog!”.

Gemaal De Cruquius.

Gemaal De Cruquius.Gemaal De Cruquius.

Jan Anne trok zich terug in zijn fauteuil. Sloot zijn ogen en rookte tevreden zijn pijp. Buiten was er de verwondering van de hele wereld. Deze wereld lag nu aan de voeten van deze man. Hij werd een graag geziene gast aan de Europese hoven. Alle mogelijke waterproblemen werden aan hem voorgelegd. En meestal wist de kleine Noord-Hollandse protestant er wel raad mee.

Een mooie geschiedenis

Op de bodem van het meer kwamen de slachtoffers van de hongerige Waterwolf tevoorschijn. Hij had de strijd verloren. De wolf was getemd en ging zijn oude dag in de ringvaart slijten. Hij had plaatsgemaakt voor wat later de gemeente Haarlemmermeer zou worden.
 
Ik tuur de ringvaart in. De drooglegging van de Waterwolf, een mooie geschiedenis.
 
Auteur: Willemijn RiedijkMeer over de geschiedenis van de Haarlemmermeer is te vinden in het Historisch Museum Haarlemmermeer.

Publicatiedatum: 05/01/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.