De Kleine Haarlemmersluis (Haarlem)

In het westen van Spaarndam liggen nog wat resten van een oude sluis. Je ziet er een deel van een vloeddeur en een stukje van de sluiskolk. Er staat geen druppel water meer in, als het tenminste niet te hard geregend heeft. Ook de waterwegen die van en naar de sluis liepen, zijn gedempt. Wat we hier kunnen zien, zijn de overblijfselen van de zogenaamde Kleine Haarlemmersluis die functioneerde tussen 1519 en 1897. Er liggen en lagen meer sluizen bij Spaarndam, maar deze sluis was de enige die uitsluitend het belang van Haarlem diende.

Lees volgende verhaal

Het Spaarne afgedamd

Na een reeks verwoestende stormen in de twaalfde en dertiende eeuw moest, ter bescherming van het achterland, de open verbinding van het Spaarne met het IJ worden afgesloten. Voor de stad Haarlem was dat een probleem. Schepen, zo belangrijk voor de handel van de stad, konden niet meer onbelemmerd in- en uitvaren. Daarom werd er in 1253 een sluis aangelegd, naast de reeds aanwezige spuisluizen, die op bepaalde tijden schepen kon doorlaten. Maar in de nacht van 30 september op 1 oktober 1514 liet de verwoestende kracht van het water zich weer eens gelden. Een grote storm stak op en de dam in het Spaarne, met sluizen en al, brak door. Het resultaat was een van de grootste overstromingsrampen sinds eeuwen. Maar ieder nadeel, aldus Johan Cruyff, heeft z’n voordeel: door het 150 meter brede gat in de dijk konden schepen Haarlem nu bereiken, zonder oponthoud of sluisgeld. Dit beviel de hoge heren van Haarlem wel.

De Kleine Haarlemmersluis in Spaarndam.

De Kleine Haarlemmersluis in Spaarndam.De Kleine Haarlemmersluis in Spaarndam.

Een conflict

Dit beviel de hoge heren van het Hoogheemraadschap Rijnland allerminst. Rijnland, de eigenaar van de Spaarndammerdijk, was verantwoordelijk voor het drooghouden van de polders tussen Den Haag, Gouda, Amsterdam en Haarlem. Het trof daarom maatregelen om de dijkbreuk zo snel mogelijk te herstellen. Haarlem had echter andere plannen en wilde de vrije vaart van schepen naar de stadskade behouden. De stad stelde daarom voor om niet de dijk bij Spaarndam te herstellen maar die, met sluizen en al, te verleggen tot binnen de stadsgrenzen. Het Spaarne zou dan wel aan weerszijden bedijkt moeten worden. Rijnland was hier fel tegen. Wie zou die bedijking bekostigen en onderhouden? Een belangrijke vraag, want het Haarlems voorstel bracht met zich mee dat er extra kilometers dijk meer bij zouden komen dan nodig was bij herstel van de oude situatie. Bovendien kwamen de zo belangrijke spuisluizen, waar doorheen het overtollig water uit Rijnland naar zee verdween, nu binnen de jurisdictie van Haarlem te liggen. Dat zou kunnen betekenen dat Haarlem Rijnland kon dwingen tot maatregelen die wel in het belang van de stad waren, maar niet in het belang van de ingelanden van het hoogheemraadschap. Het conflict kwam voor het Hof van Holland, dat op 3 november 1514 beschikte dat de dijk bij Spaarndam zo spoedig mogelijk hersteld moest worden, maar dat er bij de bouw van de sluizen rekening gehouden moest worden met Haarlems belangen. De reparatie van de dijk kon beginnen.

Het conflict wordt kwaadaardig

Die herstelwerkzaamheden waren in 1517 nog niet voltooid. In dat jaar beschadigde een storm de dijk opnieuw. Erger was dat langstrekkende Gelderse troepen in juni van hetzelfde jaar het dorpje Spaarndam plunderden en de sluiswerken in brand staken. Die verwoestingen werden op zondag 5 juli daarna voltooid door een troep gewapende Haarlemmers, daartoe opgestookt door het stadsbestuur. Met geweld hoopten zij de vrije doorvaart van de schepen opnieuw mogelijk te maken. Die boosaardige opzet slaagde niet. Andermaal kwam het Hof van Holland tussenbeide in het nu wel volledig uit de hand gelopen geschil tussen Rijnland en Haarlem. De dijk en de sluizen bij Spaarndam moesten hersteld worden zoals al eerder gepland. Haarlem mocht voor eigen rekening en in overleg met Rijnland een schutsluis in de dijk aanleggen voor kleine schepen. Die schepen maakten voordien gebruik van een ‘overtoom’, een hijsinstallatie die deze schepen over de dijk trok. Aldus geschiedde. Haarlem voltooide de bouw van haar Kleine Haarlemmersluis in 1519. Die zou in functie blijven totdat ze in 1897, overbodig geworden door nieuwe sluiswerken, buiten dienst gesteld werd. De nu nog aanwezige restanten dragen de herinnering aan een onaangenaam conflict. Een conflict dat duidelijk maakte dat in het laag gelegen Holland economische belangen van een stad moesten wijken voor het grotere belang van een veilig en droog hoogheemraadschap.

Bron

* G. ’t Hart, ‘Geschiedenis van de Kleine en Grote Haarlemmersluis te Spaarndam’, Haerlem Jaarboek 1967 (Haarlem 1968), pp. 112-135.
 
* Ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

Written by:

Other posts by

Oneindig Noord-Holland maakt verborgen verhalen zichtbaar samen met:

Bekijk het gehele partneroverzicht