Nieuwe canon voert je mee in de Noord-Hollandse geschiedenis

Wie meer wil weten over de vroegste geschiedenis van Noord-Holland, en dan vooral over de tijd dat mensen het schrift nog niet machtig waren, kan sinds kort bij de ‘Canon van de Noord-Hollandse archeologie’ terecht.

De canon is een digitaal magazine dat leerkrachten in het onderwijs kunnen gebruiken, zo vertelt Nienke van Kuijeren, beleidsadviseur erfgoed en archeologie van de provincie Noord-Holland. Zij houdt zich vooral met publieksvoorlichting over erfgoed en archeologie bezig, zoals die bijvoorbeeld wordt gegeven in Huis van Hilde, het op een steenworp van station Castricum gelegen archeologiemuseum van de provincie.

Van Kuijeren: “In het geschiedenisonderwijs moeten bepaalde thema’s worden behandeld, maar hoe leuk is het niet om daar kennis over de eigen regio aan toe te voegen.” Maar de canon is er niet alleen voor het onderwijs, de canon is net zo goed handig voor iedereen die méér wil weten nadat je een bezoek hebt gebracht aan Huis van Hilde of als je er nog naar toe wilt. “De canon is er dus voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Noord-Holland.”

Huis van Hilde krijgt regelmatig schoolklassen op bezoek, die door vrijwilligers worden rondgeleid. Van hen weet ze dat de mensfiguren het meest tot de verbeelding spreken. Dit zijn levensechte figuren met een gereconstrueerd gezicht op basis van een in Noord-Holland gevonden skelet. Je krijgt zo een goed beeld van hoe deze Noord-Hollanders er in de Prehistorie, Bronstijd, of de Middeleeuwen uit zagen. “Dan is het niet alleen meer een vondst uit de grond, maar een mens van vlees en bloed die voor je staat.”

Publiek bekijkt een bronstijdboerderij in de tentoonstelling. Foto: Huis van Hilde.

De vroegste bewoners

‘Huis van Hilde’ is zoals gezegd een archeologiemuseum. Archeologen vertellen het verhaal van mensen die soms duizenden jaren geleden leefden. Ze leggen sporen en voorwerpen bloot waarmee ze het leven van de vroegste bewoners kunnen reconstrueren: potten, sieraden, pijlpunten of botten van dieren. Zo weten we hoe hun huizen en boerderijen er uit zagen, hoe ze hun voedsel verbouwden en wàt ze zoal aten. Ook komen we zo te weten dat een groot deel van de huidige provincie Noord-Holland eeuwenlang onder water heeft gestaan, zodat er in sommige perioden maar op een paar plekken kon worden gewoond.

Hoewel je misschien wel eens geneigd bent te denken dat archeologen het liefst de hele dag in de grond wroeten, wordt in de inleiding van de canon uitgelegd dat je voorwerpen soms maar beter in de grond kunt laten zitten. Van Kuijeren: “Archeologisch erfgoed kun je het beste in de grond laten zitten, want daar zit het al duizenden jaren veilig opgeborgen. Maar we bouwen ook kelders en wegen, en we onttrekken water aan de grond, waardoor archeologische vondsten het risico lopen te vergaan.”

“Er zijn dus redenen om archeologische voorwerpen op te graven. Vandaar dat er een wettelijke plicht is om een opgraving te doen als je iets in de grond verstoort, bijvoorbeeld als je een parkeergarage aanlegt. Wat je opgraaft moet je vervolgens weer netjes bewaren, zodat de wetenschap het kan onderzoeken. Archeologie is namelijk geen schatgraverij, maar een wetenschap.” Het beheren van archeologische vondsten gebeurt ook in Huis van Hilde, in het archeologisch depot van de provincie.

Huis van Hilde, Archeologiemuseum provincie Noord-Holland. Foto: Huis van Hilde.

Landschap en mensen

De canon van Noord-Holland is in tijdvakken verdeeld, van de prehistorie tot pakweg 1950. In elk hoofdstuk wordt (met onder andere landschapskaarten) in het kort uitgelegd hoe het landschap er in die periode bij lag, waar en hoe de mensen in die tijd leefden en je komt meer te weten over een mensfiguur uit die periode.

Zo lezen we dat het noordelijk deel van Nederland 150.000 jaar geleden nog met ijs was bedekt. De Noordzee was in die tijd nog een lege vlakte zonder water. Rond 9000 vòòr Christus begint de temperatuur te stijgen, het ijs smelt en de Noordzee loopt vol. Langzaam ontstaat er iets van een kustlijn met zandbanken en lage duinen, en daarachter ontstaan weer veenmoerassen.

De nieuwe Canon van de Noord-Hollandse archeologie.

De zeegaten

Het landschap zag er overigens héél anders uit in die tijd, want tot aan 1600 vòòr Christus lieten de Overijsselse Vecht en de IJssel hun rivierwater nog bij Bergen in zee stromen. Het zeewater kwam door de zeemonding ook regelmatig ver het land in. Uiteindelijk zal het zeegat dichtslibben tot we alleen een vertakking van de Rijn overhouden, het Oer-IJ, die zijn water bij Uitgeest in de Noordzee loost.

Dan breekt de IJzertijd aan, die van 800 v. Chr tot het jaar 0 duurt. In die periode komt het ijzer in omloop, waarmee je sterkere gereedschappen kunt maken. Het zeegat bij Bergen is inmiddels helemaal dicht en de duinenrij is daar gesloten. Ook de zeemonding naar het Oer-IJ slibt dicht, waardoor het achterland van Noord-Holland niet meer goed kan afwateren. Er ontstaan grote zoetwatermeren in het centrum van het huidige Nederland.

Die zeegaten zijn overigens een verklaring voor het feit dat de duinen langs de Noord-Hollandse kust niet overal even hoog zijn. Ter hoogte van Castricum, waar het Oer-IJ uitmondde in zee, zijn ze lager omdat ze minder tijd hebben gehad om te groeien.

Mensfiguur Hilde zoals ze in het archeologiemuseum in Castricum te zien is. Foto: Huis van Hilde.

Van Almere tot IJsselmeer

Het volgende tijdvak dat de canon behandelt, is de Romeins-Germaanse tijd, die tot 450 ná Christus duurt. Mensfiguur Hilde, naar wie Huis van Hilde is vernoemd, leefde in deze periode in wat we nu Castricum noemen. In deze periode verandert het landschap van Noord-Holland ingrijpend. Via de Vliestroom, die tussen het huidige Vlieland en Terschelling ligt, komen de zoetwatermeren in contact met de Noordzee. Hierdoor stroomt zout water naar binnen en wordt een deel van het veengebied in het oosten van Noord-Holland opgeruimd, waardoor het Almere ontstaat. Later gaat dat de Zuiderzee heten, en nog weer later, na de aanleg van de Afsluitdijk, ontstaat het IJsselmeer.

Een groot deel van Noord-Holland wordt in deze tijd zó nat dat het onbewoonbaar wordt. Er zijn nog dan maar een paar plekken over waar mensen nog wèl kunnen wonen, zoals het hooggelegen Texel, in de buurt van Schagen en in delen van Kennemerland.

Publiek bekijkt de vaste tentoonstelling in Huis van Hilde. Foto: Huis van Hilde.

Onverschrokken Friezen

In de Romeins-Germaanse tijd woont er in Noord-Holland (en Friesland) een Germaanse stam: de Friezen. Zij spreken een taal waar het Nederlands uiteindelijk uit is voorgekomen. De Friezen worden aangevallen door de Romeinen, die dan al grote delen van Europa en Noord-Afrika hebben veroverd. In 28 ná Chr. komen de Friezen tegen hen in opstand, waarna de Romeinen hen voorlopig met rust laten. Overigens handelen Friezen wèl met de Romeinen en nemen ze zelfs dienst in het Romeinse leger. Dat zorgt voor welvaart en zo ontstaan er rijke nederzettingen bij Schagen en Castricum.

In de achtste eeuw wordt Noord-Holland onderdeel van het Frankische rijk en worden de eerste kerken gebouwd. De Vikingen vallen ons land binnen, maar de Friese edelman Gerulf weet ze te verslaan. De Duitse koning benoemt hem tot de eerste graaf van de Hollandse kuststreek, die dan nog West-Friesland heet.

Hoe de boeren verdwenen

Het zou te ver voeren om hier de hele canon te bespreken en daarom maken we een sprong in de tijd, een sprong naar 2000, als Noord-Holland één van de welvarendste gebieden ter wereld is. De canon zegt het zó: ‘Van de bijna anderhalf miljoen mensen die werken, zijn er nog maar zo’n 21.0000 in de landbouw werkzaam. Tweeduizend jaar geleden waren vrijwel alle bewoners boer. De meeste mensen werken nu in de dienstverlening, een sector die tweehonderd jaar geleden nog nauwelijks bestond. En honderdduizenden van hen zijn niet in Nederland geboren, of hun ouders komen uit het buitenland.’ Waarna de canon zich afvraagt ‘wie de Noord-Hollanders in het jaar 2100 zullen zijn.’

Toekomstige generaties zullen in ieder geval méér sporen nalaten dan hun voorzaten die het schrift nog niet machtig waren, zodat archeologen wel de grond in moesten duiken. Het is dus heel goed mogelijk dat de archeoloog van de toekomst gewoon achter zijn of haar beeldscherm kan blijven zitten, als zo’n beeldscherm over 500 jaar al niet hopeloos ouderwets is.

De hierboven besproken canon is hier te vinden.

Auteur: Arnoud van Soest.
Met dank aan Nienke van Kuijeren.

Publicatiedatum: 27/09/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.