Nieuwe ‘bewoners’ in Huis van Hilde: een zeventiende-eeuwse Amsterdamse koopman en vrouw

In Huis van Hilde is een nieuwe vaste tentoonstelling geopend over de zeventiende eeuw. Er zijn bijzondere archeologische vondsten te zien. Speciaal voor deze nieuwe expositie zijn twee mensfiguren gemaakt: een Amsterdamse koopman en vrouw. De figuren zijn gemaakt door Mieneke van Gogh en de bijbehorende historische kleding is gemaakt door Suzanne Spruijt van Het Atelier van Toen.

Twee nieuwe mensfiguren

De twee nieuwe mensfiguren bij de zeventiende eeuw tentoonstelling zijn gemaakt door Mieneke van Gogh. Deze twee figuren zijn, in tegenstelling tot andere mensfiguren in Huis van Hilde, niet gereconstrueerd op basis van een skelet. Twee collega’s van de Provincie Noord-Holland hebben model gestaan voor de figuren.

De twee modellen zijn in het atelier van Mieneke ‘ingescand’. Dit gaat heel nauwkeurig met een scan apparaat. Er wordt daarmee een 3D mensfiguur in de computer gemaakt. Dit wordt gebruikt om het figuur uit een groot blok piepschuim te snijden ofwel te ‘frezen’. Door middel van een frees, een roterend gereedschap, wordt er materiaal weggehaald. Zo kunnen de exacte afmetingen en houdingen worden overgenomen.

Links: Marten Soolmans, Rembrandt van Rijn, 1634, Amsterdam. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: SK-A-5033. Rechts: Oopjen Coppit, Rembrandt van Rijn, 1634, Amsterdam. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: SK-C-1768.

De lichaamshouding werd na overleg bepaald door de opdrachtgever. Tijdens het vooronderzoek werden diverse zeventiende-eeuwse schilderijen bekeken. Uiteindelijk zijn de houdingen van het zeventiende-eeuwse paar gebaseerd op de levensgrote schilderijen van Marten Soolmans en Oopjen Coppit van het Rijksmuseum. Het stel poseerde in 1634 zelfverzekerd voor Rembrandt van Rijn. Mieneke hielp de modellen met de juiste pose aan te nemen: ’denken dat je je zo voelt’.

In het atelier van Mieneke van Gogh. Foto: Mieneke van Gogh

De lichaamsdelen die onder de kleding vallen worden door Mieneke glad gemaakt en voorzien van één laag boetseerpasta. Het hoofd en de armen, ofwel de zichtbare delen, bewerkt ze met dezelfde boetseerpasta. Hiermee maakt ze een levensechte huid na door plooitjes en rimpels te boetseren.

Als dit gedaan is, wordt er van het hoofd en de armen een mal gemaakt. Deze gebruikt Mieneke om een siliconen rubberen afgietsel te maken. Het rubber wordt vervolgens op het piepschuimen figuur geplaatst. Dan worden deze delen tot in detail beschilderd. Ook voor de gelaatskleur werd er nauwkeurig gekeken naar personen op zeventiende-eeuwse schilderijen. Na overleg met de opdrachtgever is er besloten voor een gezonde huid tint met weinig make-up.

In het atelier van Mieneke van Gogh. Foto: Mieneke van Gogh.

De glazen ogen worden gekocht in Engeland. Beide figuren hebben op het hoofd een pruik gemaakt van echt mensenhaar (afkomstig uit Europa). De pruiken worden vooraf opgemaakt en vervolgens op het hoofd geplaatst. Langs de haarlijn steekt Mieneke individuele haren in het rubber om het nog natuurlijker te laten lijken.

De zeventiende-eeuwse man en vrouw moesten zo veel mogelijk lijken op de collega’s die waren uitgekozen om model te staan. Om ze herkenbaar en toch onherkenbaar te maken heeft Mieneke de kleur van de ogen en van het haar omgewisseld. Daarnaast heeft het mannenfiguur op verzoek van de opdrachtgever (in tegenstelling tot het model) een baard gekregen. Mieneke is met deze twee figuren ongeveer twee tot drie maanden bezig geweest. Toen de modellen het resultaat kwamen bekijken, waren ze erg enthousiast. Om zichzelf erin terug te zien en tegelijkertijd onherkenbaar te zijn.

Van Gogh heeft in het verleden ook andere mensfiguren voor Huis Van Hilde gemaakt, waaronder de ‘Kabinet vrouw’ en de ‘Friese krijger’. Voor ‘Cees de Steentijdman’ heeft ze het mannenlichaam bij een hoofd reconstructie gemaakt. Toen ze bij de opening van de tentoonstelling twee vrouwen hoorde praten wist ze dat haar werk geslaagd was. ‘Cees’ was zo levensecht, dat één vrouw tegen de ander zei: ‘daar zou ik zo verliefd op kunnen worden.’

Foto: Suzanne Spruijt.

Historische kleding van het Atelier van Toen

De historische kleding is ontworpen en gemaakt door Suzanne Spruijt van Het Atelier van Toen. De tijdsperiode waarin de kooplieden zijn geplaatst is gebaseerd op het ‘Palmhoutwrak’ dat bij Texel is gevonden. Dit scheepswrak is gedateerd tussen 1650-1665.

Detail van de jurk uit het ‘Palmhoutwrak’, met een duidelijk zichtbare damast patroon. Foto: Emmy de Groot.

De jurk die is teruggevonden in het palmhoutwrak, die vanwege zijn uitbundige kleuren ook wel de ‘toverbaljurk’ wordt genoemd, diende als inspiratie. De jurk is gemaakt van een rijkversierd brokaat met een ingeweven bloemmotief. Voor Suzanne was het een uitdaging om hiervoor de juiste stof te vinden. Motieven verschillen erg per tijdsperiode. Het was daarom belangrijk dat het bloemmotief niet te groot of te klein zou zijn. Andere voorbeelden van een dergelijke stof vond ze in schilderijen als De Virginaalspeelster van Jan Miense Molenaar uit circa 1637.

De virginaalspeelster, Jan Miense Molenaer, ca. 1637. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: SK-C-140.

De jurk is gemaakt van een rijkversierd brokaat met een ingeweven bloemmotief. Foto: Suzanne Spruijt.

Ook voor de andere kledingstukken heeft Suzanne gebruik gemaakt van stoffen getrouw aan de periode. In de zeventiende eeuw werd er bij de gegoede burgerij veel taftzijde gebruikt. De zijde heeft een typische glans die ook op veel contemporaine schilderijen te zien is. Taftzijde is echter heel kwetsbaar. Alles wat een kleermaker doet, elke steek, wordt zichtbaar.

Het kostuum van de heer is gemaakt van zwarte taftzijde. Foto: Suzanne Spruijt.

Allebei de mensfiguren dragen tevens een onderhemd. De onderkleding vormt, net als in de zeventiende eeuw, de bovenkleding. De onderjurk van de dame geeft een volheid in de mouwen, die nodig is om de plooien op de schouders mooi uit te doen staan.

Foto: Suzanne Spruijt.

Op maat gemaakt

Met de hand heeft een kleermaker meer controle over de stof en het model. Daarom zijn de kostuums voor 95% met de hand gemaakt. Alle kleding werd in de zeventiende eeuw op maat gemaakt, confectie bestond nog niet. Om historische kleding correct na te maken moet er daarom ook gebruik worden gemaakt van historische handwerktechnieken. Alleen de zijnaden van de rok zijn met de naaimachine gestikt, voor de rest is alles door Suzanne met de hand genaaid.

Foto: Suzanne Spruijt.

Naaister versus kleermaker

Net als in de zeventiende eeuw was het beroep van een naaister anders dan dat van een kleermaker. Een naaister werkte met linnen en vervaardigde voornamelijk onderkleding, zakdoeken, halsdoeken en kragen. Een kleermaker had kennis van patronen en in de vorm knippen. Hij of zij werkte met duurdere stoffen geschikt voor bovenkleding. Textiel was zeer kostbaar en beiden ambachtslieden zorgden ervoor dat er zo min mogelijk stof verlies was. Suzanne heeft als kleermaker de patronen samengesteld en de bovenkleding vervaardigd. Het linnengoed heeft ze, net als in de zeventiende eeuw, uitbesteed aan naaister Inge van Dijk van Pyl Accessories.

Foto: Suzanne Spruijt.

Proefmodellen en patronen

Vanwege de COVID-19 maatregelen moesten de modellen zelf hun maten opnemen en doorgeven aan Suzanne. Op basis daarvan heeft ze proefmodellen in mousseline (katoen) gemaakt. Tijdens het inscannen van de modellen in de werkplaats van Mieneke had Suzanne de gelegenheid om de proefmodellen door te passen.

Ondanks dat de scans waarheidsgetrouw zijn, zijn de mensfiguren gemaakt van piepschuim en kunnen ze niet bewegen. Dit betekent dat Suzanne op bepaalde punten meer ruimte in het patroon moest opnemen. Anders kon de kleding niet over het hoofd en de schouders worden getrokken. Mieneke en Suzanne hadden regelmatig telefonisch contact om te bepalen welke armen los moesten kunnen. Desondanks konden bepaalde naden pas op zaal worden vastgemaakt, toen de kleding bij het mensfiguur was aangetrokken.

Foto: Suzanne Spruijt.

De patronen van de kleding heeft Suzanne gebaseerd op verschillende historische patronen uit de literatuur, waaronder Patterns of Fashion 3, 4 and 5 van Janet Arnold en Seventeenth Century Women’s Dress Patterns, book 1 and 2 van het V&A Museum.

Uiteindelijk heeft Suzanne meerdere proefmodellen uit mousseline moeten maken totdat ze een goed passend patroon had. Voor de heer heeft ze eerst twee proefmodellen van de kniebroek gemaakt en drie voor het wambuis. Bij het vervaardigen van een wambuis wordt er van oudsher gebruik gemaakt van ingewikkelde kleermakers technieken. Zo bestaat een wambuis uit verschillende lagen stof; met op sommige plaatsen zelfs vier lagen!

De binnenkant van het wambuis. Foto: Suzanne Spruijt.

Toch bleek dit kledingstuk niet het moeilijkst van allemaal te zijn. Van het lijfje van de vrouw heeft Suzanne zelfs vijf proefmodellen moeten maken en drie paar mouwen! Dat het lijfje van de dame zo’n uitdaging zou vormen had ze niet verwacht.

De Amsterdamse koopman

Voor de kleding van de koopman heeft Suzanne zich laten inspireren door het schilderij De Burgemeester van Delft en zijn dochter van Jan Havicksz. Steen uit 1655. De centrale figuur is geheel gekleed in zwart. Zijn witte linnengoed steekt daar scherp tegen af. De hoeveelheid dure verfstoffen en processen om een dergelijke donkere kleur te verkrijgen, maakte van zwart textiel een luxeproduct.

Adolf en Catharina Croeser, bekend als ‘De burgemeester van Delft en zijn dochter’, Jan Havicksz. Steen, 1655. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: SK-A-4981

Accessoires

De schoenen heeft Suzanne bij een ambachtsman in Engeland besteld. Deze heeft ze vervolgens naar Mieneke gestuurd om de voeten te vormen zodat de schoenen zouden passen. Door de schoenen en de kousen moest er vervolgens een gat worden geboord. Hierdoorheen steekt een pin in de voet van de figuren om ze op het podium te bevestigen.

Foto: Suzanne Spruijt.

Het boek in de hand van de vrouw is door een historische boekbinder gemaakt: Astrid Enderman-Beckers van Atelier Libri. De omslag is mede gebaseerd op de vele boekomslagen die in het Palmhoutwrak zijn gevonden.

Foto: Suzanne Spruijt.

De sieraden van de vrouw zijn gemaakt door historisch edelsmid Esther Kalkman van Atelier Zilverlinde. Het zijn kopieën van de sieraden te zien op Rembrandts portret van Maria Trip uit 1639. Alle sieraden zijn gemaakt van verguld zilver. De oorhangers en broche zijn gezet met ioliet en daar hangen parels aan. De hanger heeft in het midden een grote ronde saffier.

Portret van een vrouw, mogelijk Maria Trip, Rembrandt van Rijn, 1639. Collectie Rijksmuseum, objectnummer: SK-C-597

Thuis in Huis van Hilde

Zoals we het echtpaar in Huis van Hilde tegenkomen, kunnen we ons voorstellen dat ze in hun eigen woning zijn. De dame is onderweg een boek te lezen of er iets in te schrijven. En de heer heeft de onderste knoop van zijn wambuis losgeknoopt, zodat hij straks makkelijk kan gaan zitten. Met deze twee nieuwe ‘bewoners’ is de nieuwe zeventiende eeuw vleugel van het museum compleet.

Auteur: Judith van Amelsvoort

Met dank aan:

Nienke van Kuijeren, Provincie Noord-Holland, Huis van Hilde, Mieneke van Gogh en Suzanne Spruijt, Het Atelier van Toen.

Vanaf 2021 is de vaste opstelling van Huis van Hilde vernieuwd. Met deze herinrichting geeft het archeologiemuseum de zeventiende eeuw een prominentere plek in de tentoonstelling.

Met het inrichten van de nieuwe vleugel vol met vondsten uit de zeventiende eeuw wordt nu het hele chronologische verhaal verteld van de geschiedenis van de provincie Noord-Holland. Onder andere een kanon, twee prachtige globes, een prachtig scheepsmodel en mooie zeehandelsvondsten uit deze periode zullen te zien zijn in deze nieuwe vleugel. Ook toont het museum in de nieuwe vleugel twee nieuwe mensfiguren: een koopmanstel uit de zeventiende eeuw. Meer info: Vaste Tentoonstelling Vernieuwd – Huis van Hilde.

Publicatiedatum: 21/06/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.