Hendrikus Colijn: een leven voor de politiek

Antirevolutionair staatsman Hendrikus Colijn (1869-1944) begon zijn lange carrière in de binnenlanden van koloniaal Indonesië. Hij bekleedde topfuncties voor de regering en Shell, en loosde als premier Nederland door de crisisjaren tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Een veelbewogen leven, dat begon in het gehucht Burgerveen in de Haarlemmermeer en eindigde in ballingschap in een kuuroord bij Ilmenau.

Hendrikus Colijn werd op 22 juni geboren, acht maanden nadat zijn ouders Anthonie Colijn en Anna Verkuyl getrouwd waren. Hij werd geboren aan de Aalsmeerderweg in Burgerveen, een gehucht aan de rand van Haarlemmermeer. Hij groeide op in een gezin waar de ouders gereformeerd waren en behoorden tot de kerk die was voortgekomen uit de Afscheiding van 1834. Zijn vader was boer, maar in dit beroep wilde Colijn niet verder. Hij koos het beroep van onderwijzer en ging als volontair werken bij het schoolhoofd Valkenburg in Nieuw-Vennep. Maar na een jaar hield hij het voor gezien.

Colijn wilde soldaat worden en volgde een officiersopleiding. In 1892 vond zijn benoeming plaats als tweede luitenant van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Na zijn huwelijk met zijn nicht Helena Groenenberg vertrokken zij in september naar Nederlands-Indië (het huidige Indonesië). Indië bood de weg van een snellere promotie. In 1894 nam Colijn deel aan de Lombokexpeditie en ontving hiervoor de Militair Willemsorde vierde klasse. In 1895 meldde hij zich aan voor dienst in Atjeh en onderscheidde zich door zijn bestuurscapaciteiten; vanaf 1897 hield hij zich bezig met bestuurszaken in enkele delen van Atjeh. Daarnaast nam hij aan enkele expedities deel en ontving daarvoor de eresabel voor getoonde dapperheid.

Hendrikus Colijn tijdens zijn functie als voorzitter van de ministerraad, 1937. Fotocollectie Rijksvoorlichtingsdienst, Nationaal Archief.

Koloniale politiek

In 1904 ging hij met verlof naar Nederland en werd ontvangen door Koningin Wilhelmina en koningin Emma. Ook had hij zijn eerste gesprek met minister-president Abraham Kuyper over koloniale politiek. In hetzelfde jaar keerde hij terug als adjudant van de tot gouverneur-generaal benoemde J.B. van Heutsz. Na van 1905 tot 1907 diverse bestuursopdrachten te hebben uitgevoerd, verliet hij de militaire dienst als majoor en werd benoemd tot secretaris van het gouvernement van Nederlandsch-Indië, belast met betrekking tot de gewesten buiten Java en Madoera. In deze hoedanigheid reisde hij door de diverse delen van Indië.

Hij bekleedde deze functie tot 1909 toen hij als lid van de Tweede Kamer werd verkozen. Al snel werd hij in 1911 als minister van Oorlog benoemd. Hij reorganiseerde het leger en zorgde voor een versnelde mobilisatie. In 1912 kwam daar nog het ministerschap van marine waarbij hij een ontwerp maakte voor uitbreiding van de vloot. In 1913 trad hij af met het gehele kabinet Heemskerk. Meteen na zijn aftreden maakte hij een wereldreis naar onder meer Rusland, China en Indië.

Civiele en militaire autoriteiten poseren t.g.v. de uitreiking van de mobilisatiekruizen te Den Haag, 1925. In het midden prins Hendrik, daarnaast de ministers Colijn en van Dijk. Fotocollectie Elsevier, Nationaal Archief.

De Tweede Kamer in

In 1914 volgde de benoeming tot directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM), dat later een dochteronderneming van Shell zou worden. Ondanks dat Abraham Kuyper hem had opgeroepen om zich te wijden aan de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), koos Colijn om financiële redenen voor de functie bij de BPM. Wel bleef hij betrokken bij de politiek als lid van de Eerste Kamer en om voor de Nederlandse belangen tijdens de Eerste Wereldoorlog te zorgen. Het ging daarbij vooral om de neutraliteit. Begin 1919 werd hij uitgenodigd om deel uit te gaan maken van de leiding van de Koninklijke Shell groep, waarvoor hij voor enkele jaren naar Londen vertrok. In 1920 werd Colijn directeur van de Koninklijke Petroleum Maatschappij en lid van de raad van beheer van Shell.

Deze functies oefende hij uit tot 1 april 1922, waarna hij zich geheel aan de politiek ging wijden voor de ARP. Hij aanvaardde meteen de functie van politiek hoofdredacteur van het ‘antirevolutionaire dagblad’ De Standaard, waarvoor hij vele artikelen zou schrijven als hij geen ministerpost had. In 1923 werd hij minister van financiën en voerde harde bezuinigingsmaatregelen door. Hoewel de ARP drie zetels verloor bij de verkiezingen van 1925, trad op 4 augustus 1925 onder zijn leiding het eerste Kabinet-Colijn aan. Op 14 november werd dit kabinet echter demissionair, vanwege het al dan niet voortzetten van het gezantschap bij het Vaticaan.

Portret van minister van staat Colijn, gemaakt ter gelegenheid van zijn benoeming tot ere-doctor aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, 1930. Fotocollectie Elsevier, Nationaal Archief.

Werk en steun

Tot 1929 was Colijn lid van de Eerste Kamer. Na in 1926 een politieke oriëntatiereis door Europa gemaakt te hebben, kreeg hij de leiding van de Nederlandse delegatie voor de internationale economische wereldconferentie in Genève. Hij bleef in deze functie tot 1932. Na zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer werd hij in 1929 weer lid van de Tweede Kamer. Hij werd fractievoorzitter van de ARP en in dezelfde periode werd hij voorzitter van de Zuiderzeeraad, een adviesorgaan van de regering dat zich bezig hield met de nieuwe Zuiderzeewerken en steunregelingen voor de vissersbevolking. In 1929 werd hij ook benoemd tot minister van Staat. Bij de in die tijd optredende economische wereldcrisis riep hij op om tot harde bezuinigingsmaatregelen te komen.

Na de verkiezingen van 1933 formeerde hij een nieuw Kabinet-Colijn op brede basis onder rechtse leiding, om de crisis te bestrijden door bezuinigingsmaatregelen door te voeren om de gave gulden te behouden. De Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP), de ARP, de Christelijk Historische Unie, de Liberale Staatspartij en de Vrijzinnig-Democratische Bond namen deel aan dit kabinet. Er werden ernstige inspanningen gedaan om tot bezuinigingen en werkverschaffing te komen, maar de kabinetten Colijn zijn daar sinds 1933 maar ten dele in geslaagd.

Buitengewone Deputaten vergadering in Tivoli te Utrecht, waarbij H. Colijn wordt gekozen als leider van de Anti-Revolutionaire Partij, 1920. Fotocollectie Elsevier, Nationaal Archief.

De gouden standaard

Colijn wilde een sluitende begroting en behoud van de gave gulden op basis van de gouden standaard, een stelsel waarbij de waarde van geld vastgelegd is in goud, in afwachting van een wederopleving van de wereldeconomie. Hier stond tegenover dat verschillende economische sectoren zoals land- en scheepsbouw om overheidssteun vroegen en de werkeloosheid en werkverschaffing ook stijgende overheidsuitgaven noodzakelijk maakten. Het was eigenlijk een onoplosbaar dilemma dat voor 1940 ook niet opgelost werd.

In 1934 kwam het tot onlusten onder werkelozen in Amsterdam tegen het kabinetsbeleid. Ook was er sprake van een crisis van de democratie, met het opkomen van het fascisme en de toenemende staatsinvloed. Colijn hield echter vast aan de parlementaire constitutionele monarchie en behoud van de grondwettelijke vrijheden. Ondanks de door Colijn gevolgde economische politiek, moest de gulden in 1936 gedevalueerd worden en de gouden standaard losgelaten. Daarna kon de economie zich weer langzaam herstellen, waardoor Nederland in de jaren die volgden uit de crisis klom.

Schiphol: de bemanning van ‘De Uiver’, het winnende vliegtuig van de Londen-Melbourne race, samen met hun familie en Minister-president Colijn, 1934. Beeldcollectie van het Historisch Archief Haarlemmermeer, Noord-Hollands Archief.

Kritiek op Colijn

In 1937 werd een derde Kabinet-Colijn gevormd. Colijn kon zijn bewind voort zetten, maar kreeg steeds meer kritiek. Niet alleen vanuit de Tweede Kamer, maar ook van in zijn kabinet zittende ministers. Dit kwam met name aan het licht in zijn vierde kabinet. Het waren de minister van economische zaken M.L.P. Steenberghe en zijn collega op sociale zaken C.P.M. Romme die meer geld wilden vrijmaken voor de werkverschaffing, terwijl er ook steeds meer geld werd gevraagd voor uitgaven op Defensie. Op 30 juni 1939 bood dit kabinet zijn ontslag in, nadat er onenigheid was over een sluitende begroting.

Colijn vormde een vijfde kabinet buiten de partijen om, een zogenaamd zakenkabinet, dat weliswaar uit enige politieke figuren bestond, maar was aangevuld met mensen uit het zakenleven. Onder hen was echter geen rooms-katholiek, sociaal- of vrijzinnig democraat. Dit kabinet was geen lang leven beschoren. Na een motie van de RKSP in de Tweede Kamer over de samenstelling en het optreden van het kabinet, werden Colijn en zijn ministers gedwongen tot aftreden. Het betekende het einde van Colijns leidende rol in de Nederlandse politiek. Daarna werd hij gekozen in de Eerste Kamer en vervulde hij diverse werkzaamheden voor de Volkenbond.

In de kamerbankjes van de Tweede Kamer. Links De Geer, rechts Colijn. Fotocollectie Rijksvoorlichtingsdienst, Nationaal Archief.

Een nieuwe realiteit

In de eerste maanden vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog sprak Colijn met enkele vooraanstaande staatsmannen, zoals Winston Churchill en Paul Reynaud, over de Nederlandse neutraliteit. Hoewel Colijn pessimistisch hierover was en van mening was dat Nederland minder kans had buiten de oorlog te blijven dan in 1914, werd hij toch verrast door de snelle capitulatie na de Duitse inval.

In een hoofdartikel in De Standaard veroordeelde hij het vertrek van de Koningin en het Kabinet-De Geer naar Londen. Hoewel hij later hierover van mening veranderde, sprak hij bovendien in zijn brochure ‘Op de grens van twee werelden’ over een voorlopig machtsevenwicht van Duitsland in Europa. Hoewel hij geen enkele sympathie voor een volgens hem goddeloos machtsregime had, vond hij wel dat het Nederlandse volk zich bij deze realiteit moest neerleggen om een zo groot mogelijke zelfstandigheid te veroveren binnen de nieuwe situatie. Pas ‘dan kunnen we zeggen dat ons verlangen blijft uitgaan naar de constitutionele monarchie onder het Huis van Oranje’.

Berghotel Gabelbach, waar Colijn zijn laatste levensjaren doorbracht, ca. 1932-1935. Via Wikimedia (CC BY-SA 4.0).

Verbannen naar Weimar

In de beginmaanden hield Colijn redevoeringen door het hele land. Er ontstond een nieuw elan onder de antirevolutionairen. Een aanvaarden van de Duitse suprematie misschien, maar geen berusting. In september kwam er een verbod op massabijeenkomsten. De ARP groeide van 70.000 leden in mei 1940 naar meer dan een kwart miljoen een jaar later. De bezetter constateerde een anti-Duitse stemming bij de aanhangers van Colijn. In dezelfde periode zag Colijn zelf in dat hij zowel met het artikel in De Standaard als met zijn brochure de politieke besluiten onjuist had ingeschat. Hij betuigde zijn spijt hierover op een massabijeenkomst in september 1940.

Op 30 juni 1941 werd hij gevangengenomen omdat hij volgens de Duitsers spionage had gepleegd voor Engeland in de Eerste Wereldoorlog en in de periode tot 1940. Eerst verbleef hij enkele weken in Valkenburg en daarna werd hij op last van Hitler naar Berlijn gebracht om verhoord te worden. Naar Nederland mocht hij niet terug, omdat hij tot verzet tegen de bezetters kon aanzetten. Na de verhoren werd hij naar een kuuroord bij Ilmenau, in de buurt van Weimar, verbannen. Hier verbleef hij tot zijn dood op 18 september 1944. Een gedenksteen bij hotel en spa Gabelbach herinnert aan Colijns laatste levensjaren als gedwongen hotelgast.

‘Colijn-stein’ bij hotel Gabelbach. Foto: Hejkal, via Wikimedia (CC BY-SA 3.0 de).

Auteur: Drs. Hans Dolman jr. (Haarlemmermeermuseum de Cruquius)

Publicatiedatum: 25/11/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.