04 juli 1934

Jordaanoproer

Aan het begin van de 20e eeuw was het behelpen in de arme, vieze en drukbevolkte Jordaan. Door de economische crisis van 1929 verloren veel arbeiders hun baan en waren aangewezen op een staatsuitkering om rond te komen. Die uitkeringen werden alsmaar verlaagd, totdat op een gegeven moment de maat vol was. In juli 1934 barstte de bom in de Amsterdamse volkswijk.

Per 1 juli 1934 werden de staatsuitkeringen voor de zoveelste keer verlaagd door de regering Colijn. Bij het uitbetalen, twee dagen later, werd duidelijk wat deze verlaging inhield. Amsterdamse werklozen ontvingen nu iets meer dan 11 gulden per week, een bedrag waar men nauwelijks nog van kon rondkomen. De uitbetaling verliep rustig, maar de volgende dag stond in het communistische dagblad De Tribune een oproep tot grootscheeps protest. Diezelfde avond nog liep een bijeenkomst van het communistische Werklozen Strijd Comité op de Rozengracht uit op rellen op straat. De ongeveer 300 aanwezigen raakten slaags met de politie en in de Jordaan werden barricaden opgeworpen en politieagenten bekogeld. De volgende dag, donderdag 5 juli, had het geweld zich verspreid over de stad. Er waren demonstraties van werklozen in de Pijp, de Kalverstraat, rond de Nieuwmarkt en in Noord, die uitliepen op gevechten met de politie. Ook in de Jordaan was het weer raak. De Jordaanbewoners maakten het de politie moeilijk door barricaden op te werpen en bruggen op te halen. Toen speciale troepen werden ingezet door de overheid, was het oproer snel neergeslagen. Op wat kleine ongeregeldheden na, was de rust weer hersteld in Amsterdam. Voor de arme werklozen veranderde er echter niets, zij hadden voortaan slechts te berusten in hun situatie.

Gerelateerd artikel

Armoede in de Jordaan