‘Zout water geeft het zoetste brood’

In 'Eens ging de zee hier tekeer', het nieuwste boek van historica Eva Vriend, kan de lezer meeleven met het lot van de Zuiderzeevissers. We leren vier generaties van de Spakenburgse familie Hopman kennen, waarvan de gezinsleden elk op geheel eigen wijze omgingen met de afsluiting van hun geliefde Zuiderzee.

Op 28 mei 1932 werd de Vlieter, het laatste gat in de ruim 30 km lange Afsluitdijk, gedicht. Botters voeren voortaan niet meer op de zilte Zuiderzee, maar op een afgesloten zoetwaterplas. De haring, ansjovis en bot waren voorgoed vertrokken. Ervoor in de plaats kwamen aal, snoekbaars en wat witvis, vissoorten die weinig gegeten werden en dus veel minder opbrachten. Voor de vissers, kruiers, scheepsbouwers en rokerijen rondom de Zuiderzee was het een harde klap. De afsluiting betekende in veel dorpen de genadeslag voor de toch al tanende visserij. Veel voormalige vissers vroegen een steunuitkering aan, jongeren lieten zich massaal omscholen, bijvoorbeeld naar beroepen in de bouwtechnische richtingen. Daar viel brood in te verdienen.

Hoewel er al langer plannen lagen, was de afsluiting van de Zuiderzee een direct gevolg van de watersnoodramp van 1916. Een harde januaristorm had het waterpeil tot grote hoogten opgestuwd. Dijken braken, een groot deel van Noord-Holland kwam onder water te staan. Eemnes en Spakenburg werden getroffen door zware overstromingen; in Muiderberg, Naarden en Baarn stonden de straten blank. De schade bleef daar beperkt tot vee en huisraad, maar op het eiland Marken vielen zestien doden. Beelden van de ramp gingen het hele land door en veranderden voorgoed de kijk op die levensgevaarlijke Zuiderzee. De roep om afsluiting werd steeds groter en de regering kwam in 1918 tot een definitief besluit. De Zuiderzeewet werd aangenomen, waarin besloten werd tot de aanleg van de Afsluitdijk en inpoldering van de Zuiderzee. Een plan van ingenieur Cornelis Lely (1854-1929), met toen nog onvoorziene gevolgen voor de vissersbevolking.

Ontwerp tot afsluiting der Zuiderzee over Wieringen, 1898. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Een botterkerkhof in de haven

In alle dorpen rondom de voormalige Zuiderzee moesten vissersfamilies op zoek naar nieuwe middelen van bestaan. In Eens ging de zee hier tekeer volgt Eva Vriend het wel en wee van vier Zuiderzeefamilies uit Urk, Volendam, Spakenburg en Wieringen. Hun levensgeschiedenissen staan symbool voor een groter verhaal over de karakteristieke visserscultuur, het behouden van de eigen identiteit in een periode van grote verandering en een overheid die er héle andere ideeën over de beste koers voor het land op na houdt.

Zo mogen we binnenkijken bij vier generaties van de familie Hopman uit Spakenburg. Visser Gijs Hopman was aan het begin van de twintigste eeuw van de Zuiderzee uitgeweken naar de Noordzee. Hij werd loggerman en besloot zelfs zijn kapiteinsdiploma te halen aan de visserijschool in Enkhuizen. Zijn ambitie was om kapitein te worden van een eigen Noordzeelogger. Maar Gijs’ bang aangelegde vrouw Jaopie zag een verhuizing naar de westkust niet zitten, dus bleef het gezin in Spakenburg wonen. Ze woonden vlakbij de haven en maakten de watersnoodramp van 1916 van dichtbij mee.

Twee vrouwen en een meisje in klederdracht in de Spakenburgse haven, 1955. Streekarchief Gooi en Vechtstreek te Hilversum.

Gebonden aan zijn dorp wendde Gijs zich weer tot de Zuiderzeevisserij, mede omdat de loggerij door de Eerste Wereldoorlog stil was komen te liggen. Ondanks de plannen voor de afsluiting van de Zuiderzee werd de vloot in Spakenburg niet kleiner. Er waren nu eenmaal weinig alternatieven voorhanden. Ook Gijs bleef de Zuiderzee trouw. En met de groeiende afzetmogelijkheden in het Gooi leverde de Zuiderzeevisserij nog best wat op ook. Toch diende hij zodra het kon een steunaanvraag in bij de Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet, een regeling die ingesteld was voor iedereen die hinder zou ondervinden van de afsluiting. Zijn eerste aanvraag uit december 1927 en een tweede uit januari 1929 werden beide afgewezen. De reden? Gijs’ oudste zoon Jochem was inmiddels ook gaan vissen, waardoor het gezinsinkomen nu hoog genoeg was om van rond te komen. Gijs, en met hem vele andere vissers die in hetzelfde schuitje zaten, was verontwaardigd. Het was toch duidelijk dat hij door de afsluiting gedupeerd werd? Een derde aanvraag, met daarop de noodkreet ‘Zou de Rijksdienst rekening willen houden met de strenge kou van deze winter?’, werd eindelijk gehonoreerd. Gijs kreeg een tegemoetkoming van 5 gulden per week.

De jaren direct na de afsluiting in 1932 leverden tot ieders verbazing nog enkele goede visseizoenen op. Snoekbaars betrok de zoete wateren van het IJsselmeer en de palingen werden groter en vetter. Jochem Hopman zorgde ervoor dat hij snel een visserijvergunning voor het IJsselmeer kreeg. Vader Gijs vulde intussen zijn zoveelste steunformulier in. Met het formulier uit 1937 bezegelde hij zijn lot: ‘Gaat visscherij voorgoed staken’, het woord ‘voorgoed’ dik onderstreept. Bovenaan schreef hij ‘spoed’, met een veelzeggend uitroepteken erachter. Hij was één van de ruim vierhonderd vissers uit Bunschoten-Spakenburg die er tussen 1930 en 1947 mee stopte. Om havengelden te omzeilen, lieten velen hun schepen mistroostig zinken, waardoor er een botterkerkhof bij de Spakenburgse haven ontstond. Terwijl zoon Jochem zijn weg zocht als IJsselmeervisser, zou Gijs voortaan berustend voor zich uit staren op een bankje in de haven.

Een botter op de scheepswerf van de Gebroeders Zijl in de Nieuwe Haven van Spakenburg, 1942. Utrechts Archief.

Van vader op zoon

Jochem verdiende genoeg om zijn vrouw Jannetje en hun zes kinderen van te onderhouden. In de wintermaanden beunde hij bij op de Noordzee. Zoon Cees Hopman, de vierde in de rij, deed voor Eens ging de zee hier tekeer hun Spakenburgse familiegeschiedenis uit de doeken. Als visserszoon bewaart hij nog altijd warme herinneringen aan de boot van zijn vader. Bunschoten-Spakenburg lag nog aan het open water van het IJsselmeer toen Cees er in 1938 geboren werd, maar zout was het al niet meer. Tegen de tijd dat Cees ging nadenken over zijn toekomst, doemde de uitgestrekte kleivlakte van de Zuidelijke Flevopolder in de verte op. Een carrière als visser zat er voor Cees niet meer in.

Cees had, net als zijn oudste broer, zijn werkzame leven bij Polynorm kunnen slijten, een dochteronderneming van Philips die prefabhuizen van beton en metaal produceerde. Deze fabriek had zich in 1948 in Bunschoten-Spakenburg gevestigd, aangetrokken door de voordelige bedrijfsgrond en goedkope arbeidskrachten in het dorp. Maar Cees wilde iets anders. Hij ging studeren. Elke ochtend nam hij de bus naar Nijkerk, waar hij eerst de ambachtsschool en later de middelbare technische school bezocht. Het leren ging hem makkelijk af en beviel hem beter dan het onzekere vissersbestaan. Maar toen vader Jochem na 1960 de visserij definitief verliet, daalde het gezinsinkomen. Het werd tijd dat Cees zijn steentje ging bijdragen.

Zo startte Cees tijdens de wederopbouwjaren een bedrijf in cv-installaties, samen met een neef uit het dorp. Heinen & Hopman bracht het Groningse gas naar de Spakenburgse huishoudens, die in deze tijd steeds meer te besteden kregen. De omzet groeide en het bedrijf ging ook buiten Spakenburg leveren. Hun aanbod aan klimaatsystemen breidde alsmaar uit. Ze deden zulke goede zaken, dat de visserij voor Cees niet eens meer een optie was. ‘Vader vond het jammer, maar hij wilde ook nuchter zijn’, zegt Cees erover. Met zijn vrouw Riek aan zijn zijde leek zijn leven aan wal daarmee uitgetekend. Hun vier kinderen zouden in het bedrijf van hun vader gaan werken, met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee Cees’ vader Jochem en grootvader Gijs ooit aan boord van hun vaders botter stapten. Het Spakenburgse nest bleek te warm om te verlaten.

Johan Briedé, Huizer botters op de Zuiderzee, 1929. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

De zilte zee blijft betoveren

Visserszoon Cees Hopman was voorbestemd voor een leven op zee, maar had het roer omgegooid. Sommige telgen van de andere vissersfamilies uit Eens ging de zee hier tekeer leefden ondertussen in een compleet andere wereld, waarin de vis nog centraal stond. Op het eerste gezicht lijken de vier families uit verschillende dorpen weinig met elkaar gemeen te hebben, maar er is toch iets dat ze bindt. Allen delen dezelfde liefde voor hun woonplaats en hun erfgoed, de historie van de Zuiderzee. Tot op de dag van vandaag putten ze inspiratie uit de verhalen van hun voorouders, die de zilte zee bevisten. De Zuiderzee is een deel van hun identiteit geworden. En als de visserszonen ’s nachts wakker liggen, denken ze nog dikwijls aan diezelfde zee. Aan de deinende golven en de jeugdige nachten aan boord bij hun vader.

Historica Eva Vriend weet in Eens ging de zee hier tekeer dat nostalgische beeld van de oude Zuiderzeedorpen en hun bewoners als geen ander op te roepen. Ze combineert historische feiten met persoonlijke verhalen, wat de vertelling enorm verlevendigd. Zo nu en dan kan de lezer verstrikt raken in de grote hoeveelheid namen, maar dat heeft Vriend opgelost door het plaatsen van de vier stambomen voorin het boek. Verder leest Eens ging de zee hier tekeer heerlijk weg, soms zelfs een beetje té fijn. Dat komt mede door het grote romantische verlangen naar het verleden dat uit de persoonlijke verhalen van de vier families spreekt. Een gevoel dat Vriend in het slotwoord prachtig samenvat met de zinsnede: ‘Dat waren nog eens tijden.’

Ansjovisserij in de haven van Enkhuizen, voor 1932. Collectie Provinciale Atlas, Noord-Hollands Archief.

Vriend schrijft zich bewust te zijn van de beeldvorming over de Zuiderzee, waarin de waarheid nogal eens het onderspit delft. Het clichébeeld van een oer-Hollands vissersvolk, dat op zondag netjes in klederdracht ter kerke ging, wordt in het boek echter alles behalve onderuit gehaald. De historische feiten die dit traditionele beeld in twijfel trekken, zal je dan ook snel weer vergeten zijn. Wat bijblijft na het lezen van het boek is het dromerige verlangen naar een verloren wereld, waar je zelf nooit deel van hebt uitgemaakt. Dat is op zich mooie prestatie, maar niet iets wat nog nooit eerder gedaan is. Daarmee stapt Vriend in een traditie van schrijvers, die zich sinds de negentiende eeuw aan de pittoreske Zuiderzeedorpen vergaapt hebben. Allen deelden dezelfde drang tot het vastleggen van deze oude wereld, voordat hij voorgoed verdwenen zou zijn. Het enige verschil is dat deze wereld tegenwoordig al niet meer bestaat. Op feestdagen kun je in sommige dorpen nog terecht voor een vismarktje of een klederdrachtshow, maar het karakteristieke is er wel af. En dan is het eigenlijk toch ook maar weer goed om boeken te hebben als Eens ging de zee hier tekeer, die de personages uit de dode archiefpagina’s weer tot leven kunnen wekken, al is het maar voor even.

Eens ging de zee hier tekeer is voor €24,99 verkrijgbaar bij uitgeverij Atlas Contact.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Publicatiedatum: 30/03/2020