De goedheiligman en de gehoornde: het verhaal van Sint en Piet

Sinterklaas is weer in het land. Het begin van een feestelijke periode voor alle kinderen, maar ook van het voeren van verhitte discussies over de toekomst van Zwarte Piet. Ad Geerdink, ‘klasoloog’ en directeur van het Westfries Museum, werpt in de lezing ‘De vele gezichten van Sinterklaas’ op humoristische wijze licht op de geschiedenis van Nederlands populairste traditie.

Als zelfbenoemd ‘klasoloog’ heeft Ad Geerdink het in november en december razend druk. De Zwarte Pietendiscussie volgt hij op de voet. Jarenlang heeft Geerdink intensief historisch onderzoek verricht naar de herkomst en vorming van het Sinterklaasfeest. Tijdens een lezing in het Hoornse Foreestenhuis neemt hij zijn toehoorders mee op een reis door meer dan duizend jaar historie, waarin al snel duidelijk wordt dat de ontwikkeling van het Sinterklaasfeest niet heeft stilgestaan.

Sint Nicolaas komt aan per sleepboot Titan in de haven van IJmuiden, 1963. Collectie Gemeente Velsen, Noord-Hollands Archief.

Opvliegende katholieke bisschop

Wie op zoek gaat naar de herkomst van Sinterklaas, moet ver in het verleden duiken. ‘Onze’ Sinterklaas (een samentrekking van Sint-Heer-Nikolaas) draagt alle kenmerken van een katholieke bisschop: staf, mijter en ring. En inderdaad, in de heiligenkalender van de katholieke kerk treffen we op 6 december de naam aan van de heilige Nicolaas van Myra (280-342 of 354). Een bisschop uit het oostelijk deel van het Romeinse Rijk, in de tijd dat de overgang naar het christendom plaatsvond. Nicolaas was zelfs aanwezig tijdens het Eerste Concilie van Nicea (325), een poging om overeenstemming te bereiken over de leer van de kerk. Dit weten we omdat in de annalen een incident is opgetekend, waarbij Nicolaas op de vuist ging met een andere bisschop.

Ondanks zijn opvliegende karakter groeide Nicolaas binnen twee eeuwen na zijn overlijden uit tot een van de belangrijkste heiligen van de katholieke én orthodoxe kerk. Tot op de dag van vandaag is er een Russisch spreekwoord, dat zegt: ‘Mocht God ooit sterven, dan hebben we altijd Nicolaas nog.’ Pelgrims uit heel Europa bezochten zijn laatste rustplaats in Myra, totdat dit gebied in de elfde eeuw bedreigd werd door de komst van de islamitische Saracenen. Een aantal inwoners van de Italiaanse havenplaats Bari besloot het stoffelijk overschot van de heilige Nicolaas op te halen en naar Bari te vervoeren. De overblijfselen werden in 1089 in de Basilica di San Nicola veiliggesteld. Nog ieder jaar houden de inwoners van Bari op 9 mei een processie om de aankomst van Nicolaas te herdenken.

Sint Nicolaas brengt de drie jongelingen tot leven, ca. 1500.

Kinderheld moet onderduiken

Aan de heilige Nicolaas worden zoveel wonderen toegedicht, dat hij ook wel bekendstaat als ‘de wonderdoener’. Hij is de beschermheilige van de zeelui, van de jonge, ongetrouwde vrouwen en van de kinderen. Deze laatste rol dankt hij aan de legende van de drie jongelingen, waarin drie scholieren onderweg waren en een slaapplek zochten. Toen ze aanklopten bij een herberg werden ze door de herbergier annex slager vermoord, in mootjes gehakt en in een pekelvat gestopt. Sint Nicolaas hoorde hiervan, ging naar de herberg toe en wist de jongelingen levend en wel uit het pekelvat te halen.

Sint Nicolaas en zijn wonderdaden werden traditioneel op zijn sterfdag, 6 december, geëerd. Op 5 december kochten ouders op de populaire Sint Nicolaasmarkten traktaties voor hun kinderen. ’s Avonds zetten de kinderen hun schoentje, om daar in de ochtend van 6 december een traktatie in te vinden. Toen het protestantse geloof rond 1600 staatsgodsdienst werd, moest het katholieke Sinterklaasfeest ondergronds. Veel steden verboden de Sint Nicolaasmarkten, in Tiel werd het schoentje zetten zelfs verboden. Een boete op de verkoop van ‘Klaaskoek’ leidde in Amsterdam tot het Oproer der Elfjarigen (1663). Het mocht dan niet meer in het openbaar, maar binnenshuis werd het Sinterklaasfeest gewoon doorgevierd.

Jan Steen, Het Sint-Nicolaasfeest, 1665-1668. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Zwarte Sinterklazen

Met het weghalen van alle katholieke elementen uit de openbare ruimte, veranderde ook Sinterklaas van vorm. Een bisschop kon écht niet meer, dus ontstond er een tendens waarbij de helper van Sinterklaas zijn rol ging overnemen. Deze helper was destijds een zwart geschminkt, demonisch figuur, soms met hoorns op zijn hoofd en dierenhuiden om zich heen geslagen, die kinderen schrik aanjoeg. In veel Duitstalige en Oost-Europese landen maken deze angstaanjagende figuren nog steeds deel uit van de viering. In Oostenrijk draagt hij de naam Krampus, in Nederlandse dorpen werd hij wel de Bullebak genoemd.

De symboliek van het tweetal was duidelijk: Sinterklaas stond voor het goede, zijn zwarte helper voor het kwaad. En het goede overwint altijd, zo wordt duidelijk uit oude prenten waarop de demonische helper steevast in ketens is afgebeeld. Ook toen de figuur van Sint Nicolaas uit de viering wegviel, bleef dit hulpje de kettingen bij zich houden, samen met een zak en een roe. Deze Bullebak (of ‘zwarte Sinterklaas’, zoals hij door journalist Arnold-Jan Scheer genoemd wordt) trok langs de deuren en joeg kinderen met zijn rammelende kettingen schrik aan. Tegelijkertijd deelde hij cadeautjes uit, waardoor het een zeer ambivalent figuur was.

Een vers uit Enkhuizen uit 1850 herinnert nog aan de Bullebak of zwarte Sinterklaas:

Gerust kunt ge u nu buiten wagen
     Geen zwarte kop
Met huiden om het lijf geslagen
     En hoornen op.
Geen ketens ramm’len langs de keijen
     Als van een beer,
Gij hoort geen deur, geen schot rammeijen
     Geen angstkreet meer.

Sint Nicolaas en de gehoornde Krampus bezoeken een gezin in Oostenrijk. Illustratie uit een Oostenrijkse krant, 1896.

Zo zwart als roet

Halverwege de negentiende eeuw werd vrijheid van godsdienst verankerd in de Nederlandse grondwet. De katholieke figuur van Sinterklaas keerde terug, vaak vergezeld door zijn zwarte helper. Maar niet iedereen was dol op de angstaanjagende zwarte sinterklazen. De katholieke onderwijzer Jan Schenkman (1806-1863) wilde het feest opnieuw definiëren. In zijn boek Sint Nicolaas en zijn knecht (1850) gaf hij de Sinterklaasviering vorm vanuit het kind. Het boek beantwoordde vragen die kinderen hadden en legde daarmee belangrijke elementen van het Sinterklaasfeest vast, zoals de aankomst per stoomboot, de intocht, het grote boek en het bezoek aan school.

In Schenkmans prentenboek verscheen ook voor het eerst de Zwarte Piet zoals wij die kennen. In het boek wordt hij ‘knecht’ genoemd en is hij ‘zo zwart als roet’. De naam van deze helper verschilde aanvankelijk per streek, maar uiteindelijk raakte de term ‘Zwarte Piet’ (een middeleeuwse naam voor de duivel en tevens een populair spel uit die tijd) steeds meer in gebruik. Ook zijn uiterlijk werd steeds meer gelijkgetrokken. Rond 1920 droeg Zwarte Piet overal in Nederland zijn karakteristieke pagepakje met zeventiende-eeuwse molensteenkraag.

Sinterklaas en Zwarte Piet op school in Volendam, begin 20ste eeuw. Zwarte Piet draagt een soort tulband en een versierd  jasje. Het uiterlijk van Piet heeft nog niet zijn bekende vorm aangenomen. Fotocollectie Zuiderzeemuseum.

Rechterhand van Sinterklaas

In de jaren twintig en dertig kreeg Zwarte Piet steeds meer het uiterlijk van een stereotype zwart persoon, gekenmerkt door dikke rode lippen, oorringen en donker kroeshaar. Zo was men in veel westerse landen voor de oorlog gewend om mensen met een negroïde uiterlijk af te beelden. Ook de Amerikaanse traditie van blackface, waarin blanke mensen op het podium mensen van Afrikaanse afkomst uitbeeldden, heeft wellicht zijn invloed op het uiterlijk van Zwarte Piet gehad.

Die Piet is dan nog altijd de boeman, die stoute kinderen in de zak stopt om mee te nemen naar Spanje, en daarmee de tegenhanger van de gulle Sinterklaas. Daar is de afgelopen decennia verandering in gekomen. De straffende, angstaanjagende Zwarte Piet paste na de oorlog niet meer in onze opvoedingsidealen. Vanaf de jaren zestig kreeg Piet een steeds warmer karakter. Hij veranderde in de altijd vrolijke, acrobatische en enigszins ondeugende rechterhand van Sinterklaas. Ook is er tegenwoordig niet meer sprake van één Piet, maar van een veelvoud aan Pieten met eigen taken en menselijke karakters.

Onder invloed van de Zwarten Pietendiscussie is er de afgelopen jaren flink geëxperimenteerd met het uiterlijk van deze Zwarte Pieten. Een aantal stereotype kenmerken, zoals de rode lippen en oorringen, zijn inmiddels verdwenen. Bij een relatief klein deel van de bevolking bestaat de wens om Zwarte Piet nog verder aan te passen, hoewel uit onderzoek blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders hier liever niet in meegaat. Hoe het uiterlijk van Zwarte Piet en het Sinterklaasfeest de komende jaren verder zullen evolueren, valt nog te zien. Maar het voortbestaan van Sint en Piet staat volgend Ad Geerdink niet ter discussie. ‘Want,’ zo besluit hij, ‘Sinterklaas is onsterfelijk voor wie in hem gelooft.’

Zwarte Pieten van het opleidingsorkest van de IJmuider Harmonie spelen mee in de fanfare bij de aankomst van Sinterklaas, 1991. Collectie Gemeente Velsen, Noord-Hollands Archief.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Publicatiedatum: 29/11/2019