De Beemster: de droogmaking en wat er aan vooraf ging

Extra werkgelegenheid, nieuwe landbouwgrond en veel meer veiligheid tegen het water. Dat was wat de Beemster moest opleveren. Maar de droogmaking ging niet zonder slag of stoot.

In het verzoekschrift dat de initiatiefnemers voor de droogmaking van het Beemstermeer indiende bij de Staten van Holland, werd vooral op het algemene belang van het project gehamerd: extra werkgelegenheid, nieuwe landbouwgrond en veel meer veiligheid tegen het water. Op 21 mei 1607, minder dan twee weken na de aanvraag, kreeg de Beemster Compagnie het octrooi toegewezen. Maar aan de ingebruikname van het nieuwe land ging heel wat vooraf.

Veenbeekje wordt waterwolf

Door grootschalige ontginning en bijbehorende bodemdaling van de veengronden was het veenriviertje de Bamestra in de loop van de middeleeuwen uitgegroeid tot een onstuimig meer. Hoewel de Beemster van belang was voor de scheepvaart en visserij, ging van al dat water een grote dreiging uit. Door de oostwaartse opwaaiing van het water bij de heersende westenwinden, had vooral de Zeevang veel te lijden. De beste manier om het water te temmen, was vanzelfsprekend inpoldering van het meer. Een eerste plan door de zoon van de graaf van Egmond, sneuvelde in 1600 in de Staten van Holland. Toch werd er een onderzoek ingesteld naar de kosten van de droogmaking en de belangen van de omliggende plaatsen.

 

Beemstermeer, detail van de kaart van Jacob van Deventer van Holland en Zeeland (circa 1570)

Beemstermeer, detail van de kaart van Jacob van Deventer van Holland en Zeeland (circa 1570). Bron: Noord-Hollands Archief. 

De Beemster Compagnie

Haalde het verzoek van Lamoraal van Egmond uit 1600 het niet, zeven jaar later ging het anders. Op 14 april 1607 sloten in Den Haag vijftien personen een ‘contract van compagnie’ om gezamenlijk een octrooi voor de droogmaking van de Beemster aan te vragen. De heren beloofden samen de kosten verbonden aan de octrooiverlening te zullen dragen en richtten de Beemster Compagnie op. De samenstelling van deze compagnie bestond uit twee groepen. Allereerst deed een clubje mee bestaande uit kapitaalkrachtige Amsterdamse kooplieden rondom de Antwerpse broers Dirck en Hendrik van Oss. De tweede groep bestond uit hooggeplaatste ambtenaren bij de Staten van Holland, zoals de broer van raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt. Zonder steun van de Staten zou het project niet slagen. Kortom, de vijftien bedijkers behoorden tot de crème de la crème van de Hollandse economische, politieke en bestuurlijke elite en waren stuk voor stuk gefortuneerde en invloedrijke mannen.

 

Portret van Dirck van Oss, circa 1583

Portret van Dirck van Oss, circa 1583. Collectie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Polderjongens

In het najaar van 1607 werd een start gemaakt met de aankoop van een strook land rond het hele meer voor de aanleg van de ringvaart en de ringdijk. De ringdijk werd gegraven door ploegen ingehuurde ‘polderjongens’. Dergelijke ploegen telden tien tot twintig man, vaak afkomstig uit dezelfde streek of plaats. De polderjongens vonden onderdak in ketens bij het werk waarin een keetbaas en zijn vrouw voor hun natje en droogje zorgden. Op deze manier waren in de zomer van 1608 enkele duizenden arbeiders overal rond de Beemster aan de slag. De investeerders wilden zo snel mogelijk land voor hun geld zien en daarom werd de arbeiders weinig tijd gegund. Zij moesten bijvoorbeeld het werk aan de ringdijk en ringvaart in de buurt van Purmerend binnen tien dagen voltooien. Voor het tracé Neck-Spijkerboor stond 35 dagen. Eind 1609 was de bodem van de Beemster bereikt. Daarna konden de molens met het leegmalen van het meer beginnen.

Tegenslag wordt overwonnen

Helaas sloeg het noodlot toe. Tijdens een zware noordwesterstorm op 22 januari 1610 begaf de Waterlandse Zeedijk het op drie plekken. De ringdijk van de Beemster bleek niet tegen het binnenstromende zeewater bestand. De schade was enorm. Ruim de helft van de ringdijk ging totaal verloren en de rest was zwaar beschadigd. Het hele project hing aan een zijden draadje. Gelukkig zaten de leden van de Beemster Compagnie niet bij de pakken neer. Nieuwe investeerders en bestuurders werden aangetrokken om de tegenslag te overwinnen. Uiteindelijk betekende de storm van januari 1610 een vertraging van twee jaar. In het voorjaar van 1612 viel de Beemster helemaal droog. De bewoners uit de omgeving trokken de uitgestrekte modderige vlakte in om voor de laatste keer met de blote hand in de overgebleven poelen een maaltje vis te verschalken.

 

Kavelkaart van de Beemster door Lucas Sinck (1625)

Kavelkaart van de Beemster door Lucas Sinck (1625). Bron: Noord-Hollands Archief.

Beemster Biddag

Op donderdag 30 juli 1612 vond in de grote zaal van slot Purmersteijn de eigenlijke toewijzing van de kavels plaats. In twee korven werden briefjes met de namen van de investeerders en briefjes met de kavelcombinaties gestopt. Na beide korven goed geschud te hebben, verrichtte landmeter Sinck met opgerolde mouwen de eigenlijke trekking. Hij combineerde steeds briefjes uit beide korven. De flinke oppervlakte van de kavelcombinaties betekende dat ze vaak in handen van meerdere investeerders kwamen. Hoewel er in de polder nog veel moest gebeuren, markeerde de dertigste juli 1612 toch de voltooiing van de droogmaking. Deze datum werd voortaan jaarlijks met een Biddag herdacht. Vanaf 1830 wordt de Biddag gehouden op de laatste zondag van juli en is het tevens het begin van de Beemster kermis. Een traditie die tot de dag van vandaag voortduurt.

 

De Beemster

De Beemster. © Nanette de Jong

Dit is een verkorte tekst van Hoofdstuk 1 geschreven door Diederik Aten uit het boek 400 jaar Beemster 1612-2012 (niet meer leverbaar).

Dit verhaal maakt deel uit van de campagne Werelderfgoed.
Klik hier om terug te gaan naar het thema De Beemster.