De Inrichting van de Beemster: Hollands polderparadijs

De bestuurders van de Beemster dachten heel zorgvuldig na over de ruimtelijke ordening van de droogmaking. In samenspraak met enkele landmeters ontwierpen zij een 'masterplan'. Weinig werd aan het toeval overgelaten.

Praktisch én esthetisch

Bij de landinrichting werd met verschillende factoren rekening gehouden. Iedere kavel diende aan een weg en een sloot te liggen zodat het land varend en rijdend toegankelijk was. De waterhuishouding stelde ook zijn eisen. Er was een stelsel van brede sloten nodig om het overtollige water naar de molens langs de ringdijk af te voeren. Het ging er ook om gunstige omstandigheden te scheppen voor de stichting van dorpen. Naast allerlei praktische overwegingen, speelde de schoonheid van het landschap een belangrijke rol bij het gekozen ruimtelijke ontwerp. Als de Beemster onaantrekkelijk werd gevonden vormde dat immers een domper op het succes van de onderneming.

Kavelkaart van de Beemster

Kavelkaart van de Beemster

Orde, regelmaat en harmonie

De landmeters lieten zich voor de inrichting van de Beemster inspireren door de esthetische beginselen en idealen uit de klassieke oudheid en Italiaanse Renaissance. In traktaten uit die tijd worden orde, regelmaat en harmonie als de belangrijkste principes van de architectuur en landschapskunst beschouwd. Opvallend is ook de gelijkenis tussen het ‘masterplan’ van de Beemster en het ontwerp van een ideale Hollandse stad van de hand van de wiskundige Simon Stevin. Kern van Stevins stadsplattegrond zijn vierkante bouwblokken. In het centrum vinden we een grote markt, het stadhuis, een grote kerk en enkele andere centrale functies. Bij dit alles mag zijn praktische insteek niet ongenoemd blijven. Bochtige straten werden bijvoorbeeld door sommigen mooier gevonden omdat ze steeds nieuwe gezichten boden, maar je kreeg daarmee ook huizen en erven met een lastige vorm, aldus Stevin.

Ideale stad volgens Simon Stevin in zijn Vande Oirdeningh der Steden (circa 1605)

Ideale stad volgens Simon Stevin in zijn Vande Oirdeningh der Steden (circa 1605)

Klein en groot kruis

Net als bij Stevins stadsplan vormt het vierkant de basisvorm van het ontwerp van de Beemster. In de ‘Kavelcondities’ werden alle afmetingen in de droogmakerij nauwkeurig omschreven. In het raster van zuivere vierkanten en rechthoeken snijden de lijnen elkaar op vaste afstanden van ca. 900 en 1800 meter (‘klein kruis’ en ‘groot kruis’). De laanbeplanting met bomen vormde een integraal onderdeel van het architectonische ontwerp. De landmeters Sinck en Staets die verantwoordelijk waren voor de inrichting van de Beemster, werkten tijdens de droogmaking ook aan de grote stadsuitbreiding van Amsterdam. Daar moesten zij rekening houden met de bestaande eigendomsverhoudingen, de stadsverdediging en de aanwezigheid van voorsteden en zo meer. Hiermee vergeleken vormde de Beemster een bijna volmaakte leegte waarin zij relatief de vrije hand hadden. Het resultaat was een monumentaal architectonisch landschap dat als een afspiegeling op polderschaal van de perfecte Hollandse stad beschouwd kan worden.

 

Luchtfoto van de Beemster

Luchtfoto van de Beemster Bron: www.entoen.nu (luchtfoto Pandion/Peter Bolhuis)

Een officiële internationale erkenning van dit alles kreeg de polder in 1999 door de plaatsing op de Unesco Werelderfgoedlijst. In het betreffende besluit van het World Heritage Committee wordt de Beemster geroemd als een “masterpiece of creative planning, in which the ideals of antiquity and Renaissance were applied to the design of a reclaimed landscape.

Dit is een verkorte tekst van een deel van Hoofdstuk 1 geschreven door Diederik Aten uit het boek 400 jaar Beemster 1612-2012 (niet meer leverbaar).

Dit verhaal maakt deel uit van de campagne Werelderfgoed.
Klik hier om terug te gaan naar het thema De Beemster.