De verdwenen buitenplaatsen van de Beemster

De Amsterdamse kooplieden beschouwden grondbezit in de Beemster als meer dan alleen een goede investering. Zij zagen de nieuwe droogmakerij ook als een rustoord voor in de zomermaanden. Op begaanbare afstand van de stad bouwden een reeks grotere en kleinere buitenplaatsen.

Deze buitens verdwenen één voor één in de achttiende en negentiende eeuw, vrijwel zonder een spoor achter te laten…

Bouwen met VOC-geld

De strakke geometrie van het nieuwe polderlandschap van de Beemster appelleerde aan de Renaissancistische ideeën over geordende natuur en landschappelijke schoonheid. Het nieuwe land nodigde uit tot de bouw van buitenplaatsen met een strakke tuinaanleg en mooie perspectieflijnen. De kring van rijke kooplieden met VOC-geld rond de gebroeders Van Oss – die het initiatief en de financiering van de droogmakerij op zich hadden genomen – sloeg enthousiast aan het bouwen. Ze ‘dansten en banketteerden’ weldra vol overgave in hun ‘lieve lustpriëlen’, schreef Vondel in een gedicht voor zijn vriend Charles Looten, op wiens buiten aan de Volgerweg de dichter meer dan eens te gast was.

De Buitenpartij, schilderij van Dirck Hals (1627)

De Buitenpartij, schilderij van Dirck Hals (1627) Bron: Rijksmuseum Amsterdam.

Zeventiende-eeuws society paradijs

Rond 1640 telde de Beemster zo’n vijftigtal buitenplaatsen. De meeste van deze lusthoven waren gelegen aan de Volgerweg. Volgens Jan Adriaansz Leeghwater, betrokken bij de droogmaking van de Beemster, was er “geen vermakelijker en lustzinniger weg in Holland” dan de Volgerweg in de Beemster. Men vergaapten zich aan de statige huizen omgeven door fraai aangelegde tuinen, visvijvers en bomenlanen. Een van de weinig resterende herenhuizen die zijn ontsnapt aan de slopershamer, is landhuis Rustenhove aan de Volgerweg 25. Het statige pand was ooit het voorhuis van de 17de eeuwse buitenplaats ‘Jupiter’. De buitenplaats kwam in de 18de eeuw in handen van de familie Loten die al een ander buiten aan de Volgerweg bezat, genaamd “Wel te Vreeden”. Op dit buiten, gebouwd voor Charles Loten was Joost van den Vondel een graag geziene gast. Zijn aangename bezoeken aan de Beemster inspireerde hem tot het schrijven van een lofdicht op de Beemster. Ook andere bekende dichters uit de zeventiende eeuw verbleven er graag, zoals Barlaeus en Pieter Cornelisz. Hooft.

Landhuis Rustenhove, Het enige resterende herenhuis uit de glorietijd van de grote Beemster buitenplaatsen.

Landhuis Rustenhove, Het enige resterende herenhuis uit de glorietijd van de grote Beemster buitenplaatsen. Foto: Marianne Slot-Dekker

Buitengewone allure

Eén buitenplaats stak alle anderen naar de kroon: het paleisje “Vredenburg” van de steenrijke Amsterdamse zijdekoopman Frederik Alewijn aan de Zuiderweg 68. Pieter Post, architect van het Mauritshuis en Huis ten Bosch, ontwierp een imposant woonhuis met een classicistische gevel bestaande uit pilasters en een fronton. De buitenplaats behoorde tot een van de meest ambitieuze particuliere bouwprojecten uit die tijd. Vredenburg is om een andere reden uniek: het is de enige Beemster buitenplaats waar afbeeldingen van bewaard zijn gebleven. In het Museum Betje Wolff is de originele maquette uit 1643 te zien. Samen met de prenten is hierdoor een goed beeld te krijgen van de allure van het landhuis en de fraai aangelegd tuinen. Slechts de naam van de Vredenburgerweg herinnert nu nog aan dit roemrijke landgoed. In 1819 werd Vredenburg – twee jaar na de dood van een directe nazaat van Frederik Alewijn –door de erfgenamen afgebroken.

Buitenplaats Vredenburg in de Beemster (1654-1656)

Buitenplaats Vredenburg in de Beemster (1654-1656) Bron: Noord-Hollands Archief.

Einde van een tijdperk

In de tweede helft van de achttiende eeuw verschoof de voorkeur voor een strakke, geometrisch aangelegde tuin naar een meer natuurlijke en romantische landschapsstijl uit Engeland. Het vlakke polderlandschap van de Beemster liet zich moeilijk rijmen met deze nieuwe mode. De stedelijke elite week uit naar de duingronden van Kennermerland, de bosrijke zandgronden van het Gooi of het kronkelige rivierlandschap van de Vecht. Toen de landerijen bovendien steeds minder opbrachten, konden de erfgenamen de hoge kosten van onderhoud van hun familiebezit niet meer dragen. De beroerde economische situatie na de Franse tijd gaf het laatste duwtje aan menig patriciër om de generatielange aanwezigheid van zijn familie in de Beemster op te geven. Rond 1810 was nog maar een handjevol buitenplaatsen over.

Maquette van buitenplaats Vredenburg (Museum Betje Wolff)

Maquette van buitenplaats Vredenburg (Museum Betje Wolff) Foto: Marianne Slot-Dekker

Dit is een verkorte en aangepaste tekst van Hoofdstuk 8 geschreven door Kees van der Wiel uit het boek 400 jaar Beemster 1612-2012 (niet meer leverbaar).

Dit verhaal maakt deel uit van de campagne Werelderfgoed.
Klik hier om terug te gaan naar het thema De Beemster.

Publicatiedatum: 25/03/2014