Burgzand Noord is deel van het gebied dat de ‘Rede van Texel’ wordt genoemd. In de zeventiende eeuw konden schepen wachten op gunstige wind om verder te zeilen. Dat kon soms wel 18 tot 20 weken duren. Het gebied lag relatief beschut achter het eiland Texel, zes kilometer buiten Oudeschild. Ondanks die beschutte ligging, ging het wel eens flink mis. Zo zijn er tijdens een storm in 1660 mogelijk wel honderd schepen vergaan, zo schrijft de RCE in een rapport dat in mei 2025 uit kwam.
Naar schatting hebben op de Rede van Texel tussen de 500 en 1000 scheepsrampen plaatsgevonden. Het lukte niet altijd om de lading te bergen, of de waardevolle masten en kanonnen er af te halen. Schepen dreven soms af en verdwenen uit zicht, vooral tijdens stormen, waarbij wel eens tientallen schepen tegelijk vergingen. Inmiddels zijn er in het gebied Burgzand Noord zestien wrakken geïdentificeerd, die allemaal de status van Rijksmonument hebben gekregen, waaronder de BZN 17, dat beter bekend staat als Palmhout- of Jurkenwrak.

Dit kaartje laat zien waar het Palmhoutwrak en nog zo’n 15 andere scheepswrakken zijn gevonden. Het hele gebied is tot rijksmonument verklaard.
Steigergaas
In afwachting van een beslissing over wat er met het wrak moet gebeuren is het wrak in 2016 en 2020 met steigergaas afgedekt op plekken waar de meeste vondsten werden verwacht. Onder dat gaas hoopt het zand zich op en op die manier wordt het wrak tegen erosie beschermd. In 2024 werd er aanvullend onderzoek gedaan. Inmiddels weten we dat het Palmhoutwrak een houten zeilschip uit het midden van de zeventiende eeuw was. Vermoedelijk was de koopvaarder zwaar bewapend, vanwege de gevaren die het schip op zee kon tegenkomen, zoals oorlogen, kapers en zeerovers.
Aan de hand van de lading, die onder anderen uit palmhout, mastiek (hars), anijs en Mediterraan aardewerk bestond, voer het schip waarschijnlijk via de Straat van Gibraltar van en naar het Middellandse Zeegebied. Op de heenweg voeren dit soort handelsschepen met graan en ijzer uit het Oostzeegebied, op de terugweg namen ze luxe aardewerk, specerijen, zijde en tapijten mee naar Nederland.

Baardmankruik met kurk en inhoud. Deze vondst is gedaan tijdens de campagne uit 2024. Foto via RCE.
De Texelse sportduikers, die het wrak in 2009 vonden, hebben bijna 1500 objecten uit het wrak gehaald, waaronder mediterraan aardewerk, maar ook textiel, zoals twee jurken, kaftan (lang, wijd en los vallend kledingstuk), kousen en tapijt. Verder tientallen boekomslagen, 200-300 stammen palmhout, een kist met mastiek, anijs, zilveren objecten, navigatie-instrumenten, lantaarns, gouden knopen, zalfpotten (met de zalf er nog in), kanonnen en medische instrumenten.
De vondsten zijn inmiddels overgedragen aan het archeologisch depot van de provincie Noord-Holland en een deel is opgenomen in de vaste tentoonstelling van museum Kaap Skil op Texel. Bij het onderzoek dat de RCE in 2024 deed, zijn nog eens ongeveer driehonderd voorwerpen geborgen, waarvan diverse op de tentoonstelling in Huis van Hilde zijn te zien.

De jurk uit het Palmhoutwrak, 2022. Beeld via Wikimedia Commons, vervaardiger: Frouke Ecomare, CC BY-SA 4.0.
Vier scenario’s
De Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed heeft vier mogelijkheden (scenario’s) op een rijtje gezet wat je met het Palmhoutwrak kunt doen. Je kunt helemaal niks doen, dus ook de afdekking van steigergaas niet meer onderhouden. Daarmee geef je het scheepswrak op. Dat gaat echter in tegen internationale verdragen die je verplichten cultureel erfgoed onder water te beschermen. De Tweede Kamer gaat het niet leuk vinden, het zal nationaal en internationaal ophef veroorzaken en het is slecht uit te leggen aan de buitenwereld.
Je kunt er ook af en toe duikers naar toe sturen om het wrak in de gaten te houden en het afdekgaas onderhouden (tweede scenario). En dan maar hopen dat je in de toekomst met nieuwe technieken en methoden nog meer informatie uit het wrak kunt halen.

Duikers aan het werk. Foto via RCE.
In het derde en vierde scenario graaf je het wrak op, of beter gezegd, berg je de hele lading, want het wrak zelf is te slecht om in zijn geheel te lichten en zal dus sowieso opgegeven worden. Met een opgraving doe je sportduikers, specialisten en musea een groot plezier en wordt alles zo goed mogelijk gedocumenteerd en geanalyseerd. Nadeel is dat je de vindplaats vernietigt. Het is namelijk goed mogelijk ‘dat er in de toekomst nieuwe methoden en technieken zijn die meer kennis zullen opleveren,’ zo schrijft de RCE.
Opgraven betekent wel dat dat het Rijk met extra geld over de brug zal moeten komen, want anders gaat het ten koste van andere taken die de RCE uitvoert op het gebied van maritieme archeologie. De kosten worden voorlopig geschat op 15 miljoen voor een opgraving die over zes jaar wordt uitgesmeerd, met campagnes van twee tot drie maanden of 17 miljoen euro al je er twee tot drie jaar over doet, met campagnes van vier maanden.
Het rapport ‘De BZN17 op koers!’ is op de website van de RCE terug te vinden.
Auteur: Arnoud van Soest
Publicatiedatum: 27/07/2026
Vul deze informatie aan of geef een reactie.