Standwerker Kokadorus liet zijn publiek vooral lachen

Standwerkers, je komt ze nauwelijks meer tegen op de markt. En zeker niet van het kaliber van Kokadorus.

Standwerkers zijn marktkooplieden die er een hele show van maken om hun producten aan te prijzen. Dat kan bijvoorbeeld een apparaatje zijn waarmee je allerhande groenten razendsnel kan snijden. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog heeft elke markt wel een paar standwerkers.

Bram Polak is er zo een. Hij is zo goed dat hij in mei 1949 de wisselbeker wint op de eerste Bevrijdingsmarkt die op het Amsterdamse Amstelveld wordt gehouden. Een verslaggever van Het Parool  beschrijft hoe Polak zijn publiek inpakt. ‘Kan je je fiets meebrengen bij de Bijenkorf! Nee. Stallen kost een dubbeltje extra. Bij mij? Neem je fiets mee, midden in me winkel. Zal me een zorg zijn! Je hond ken je ook meebrengen.’

Vandaag verkoopt Polak scheermesjes. De manier waarop hij vertelt hoeveel dat moet kosten, is typerend voor hoe een standwerker te werk gaat. Alsof je het voor niets krijgt. Dat gaat zo: ‘Niet voor twee kwartjes, niet voor negen stuivers, veertig cents, nog voor geen zeven stuivers, dertig cent, negen, acht, zeven, zes, voor 25 cent ken je ze kopen.’ En alsof het niet op kan, doet hij er ook nog een puzzel bij die normaal tien gulden moet kosten. Tenminste, dat zegt-ie. ‘Neem mee mensen, een pakje scheermesjes met een puzzle er bij.’

Markt op het Amstelveld. Uit: Zondagsblad van het Nieuwsblad voor Nederland. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Meijer Linnewiel

De beroemdste standwerker aller tijden staat ook op datzelfde Amstelveld, ook al zal hij uiteindelijk door het hele land trekken om feesten en congressen met zijn woordkunst op te luisteren. Meyer Linnewiel wordt op 13 juni 1867 in Leeuwarden geboren, maar zal beroemd worden onder zijn artiestennaam Kokadorus, een samentrekking van de namen van zijn grootouders (Ko en Ka) en de naam van zijn vader: Dorus.

Als vrij snel vertrekt het gezin naar Amsterdam en als tienjarig jochie verkoopt Kokadorus al met een kameraadje lucifers in de Kalverstraat. Een politieagent jaagt hem daar weg, omdat straatventen nu eenmaal verboden is. Blijkbaar heeft het jochie talent, want de agent die hem wegstuurt staat te schuddebuiken van de pret, ‘zoals dat lucifersjochie zijn koopwaar aanprees’, zo meldt zijn biograaf Jan Feith.

Studioportret van een jonge Kokadorus, ca. 1900. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Maandagmarkt

Op veertienjarige leeftijd debuteert Kokadorus op het Amstelveld, waar het elke maandag markt is. Hij is best zenuwachtig en verlegen om al die vreemde mensen toe te spreken. Met neergeslagen ogen prijst hij zijn waren aan. Gelukkig blijven er genoeg mensen staan en al gauw komt ‘de leuke brutaligheid van een Amsterdamschen straatjongen terug.’

Uiteindelijk groeit Kokadorus uit tot een standwerker, die met een puntmuts op zijn hoofd en met een bekkenslag zijn publiek bespeelt. Als een komiek (Louis Davids noemt hem ‘de masseur van onze lachspieren’) die zijn spraakwaterval lardeert met veel joodse gein en verwijzingen naar de politiek. Een man met een waterval van kwinkslagen, die razendsnel zijn koopwaar het publiek in smijt, van portemonnees tot sleutelringen, van bretels tot theelepeltjes.

Zijn assistent Nathan van den Berg, alias Cheffie, haalt, met een rode fez op zijn hoofd en een uitgestreken snoet, het geld op. Cheffie heeft hij in de binnenlanden van Sumatra opgeduikeld, zo mag hij er graag bij vertellen.

Toeschouwers luisteren naar Kokadorus tijdens de markt op het Amstelveld. ca. 1910. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Hare Majesteit

Kokadorus kan smakelijk vertellen over zijn contacten met de groten der aarde. Neem Hare Majesteit, die altijd blij is als de standwerker even bij haar aanloopt. ‘Kokadorus, ik raak zo’n beetje door alles heen.’ Ja, natuurlijk had ze ook bij een andere koopman haar bestelling kunnen plaatsen, maar ja, vindt maar eens een koopman die zo eerlijk is als Kokadorus, die de beste spulletjes verkoopt en ook nog eens spot- en spotgoedkoop is. ‘Wat heb je al zo meegebracht, Kokadorus,’ wil ze weten. Helaas heeft hij alleen zijn beroemde bretels bij zich, maar dat vindt de koningin helegaar niet erg, want Prins Hendrik is toevallig net toe aan een nieuw stel. ‘En je weet dat de Prins geen andere bretels wil dragen dan de beroemde bretels van Kokadorus.’

Kokadorus is in zijn tijd zo’n beroemdheid, dat de schrijver Jan Mens hem portretteert in zijn boek Koen (1941). Op een maandagmorgen vertrekt Koen naar het Amstelveld, met een pakje brood en twaalf centen in zijn zakdoek geknoopt. De jongen houdt van de Maandagmarkt, vanwege het gezellige geroezemoes en het lawaai. ‘Om te beginnen heb je Kokadorus. Daar kun je je een broek bij lachen. Het gaat er niet om wat hij verkoopt. Nee, het gaat er om hoe hij dat doet.’

Kokadorus prijst zijn waren aan. Tekening van P. v. Geldorp, 1906. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Krokodillenleer

Met open mond luistert Koen hoe de man zijn publiek bespeelt. ‘Deze portefeuille, dames en heren, is niet gemaakt van runderleer en niet van kopleer, niet van de zuivere leer en niet van apenleer – maar hij is gemaakt van echt gepatenteerd krokodillenleer! Het echte krokodillenleer, geschoten door Kokadorus himself in de binnenlanden van Vlooienburg! Cheffie, m’n knecht, heeft er nog littekens van overgehoue. Chef, laat je littekens eens zien!’

Kokadorus houdt zo’n portefeuille omhoog. ‘Hier, dames en heren, bevindt zich een vak voor de lommerdloten; en hier een voor de banknoten. Heb je geen banknoten dan gooi je ‘m vol met hazelnoten, heb je geen hazelnoten dan neem je apenoten, als ’t maar wat is…’

Nou, Koen heeft zo’n portefeuille eens van hem gekocht. Het kostte maar een dubbeltje, maar thuis blijkt het een vod van ordinair bordpapier te zijn. Toch, ondanks die strop mag hij graag naar de beroemde standwerker luisteren. Zelf weet de koopman ook wel wat hij verkoopt. In zijn memoires heeft hij het over ‘boerenkinkels die zich door zijn mooie smoessies den nietswaardigsten rommel in hun handen laten stoppen.’

Martin Monnickendam, Markt op het Amstelveld. In het midden de bekende standwerker Meijer Linnewiel alias Kokadorus, 1917. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Mirakels

In oktober 1906 viert Kokadorus zijn 25-jarig jubileum. In een open koets met twee paarden rijdt hij het Amstelveld op. Hij heeft een paar grote kisten bij zich met spulletjes die hij wil verkopen, ‘mirakels’ noemt hij het zelf. Maar van verkopen komt voorlopig niet veel, want  de menigte dringt zich op, menig hoed wordt gedeukt, menig ledemaat wordt gekneusd.

Maar dan is het dan toch de beurt aan de feestcommissie van marktbond Mercurius, die Kokadorus in het zonnetje zet, hem een zware zilveren medaille opspeldt en een reuzenkrans omhangt. Luide hoera’s stijgen op uit de menigte, die door een politiemacht in bedwang moet worden gehouden.

Die ochtend heeft Kokadorus al vele gelukstelegrammen, bloemstukken en kistjes met sigaren in ontvangst mogen nemen, maar tijdens de huldiging op het Amstelveld leest hij met veel plezier voor welke hooggeplaatste personen hem allemaal hebben gefeliciteerd: president Roosevelt, de Tsaar van Rusland, Koning Edward en generaal Van Heutsz. Het kan niet op.

De viering van Kokadorus’ 25-jarig jubileum op de markt op het Amstelveld, 15 oktober 1906. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Laat ze lachen

In 1909 verschijnt het eerste boekje over zijn leven en verklapt hij aan zijn biograaf wat een marktredenaar in huis moet hebben. Een onuitputtelijke dosis humor, daar begint het mee. ‘De mensheid houdt van ’n mop.’ Hoe je die mop vertelt doet er niet toe, ‘als je ze maar laat lachen.’ Goed, je wilt wel wat verkopen, maar wat heb je aan het beste artikel, ‘wanneer je koopers niet blijven staan? Verkoop ze dus eerst wat moppen, dan pas je artikels’, doceert ‘professor’ Kokadorus.

‘Op politieke toespelingen zijn de mensen dol,’ zo weet hij uit ervaring. Maar je moet ook je publiek kennen. ‘Voor een deftig publiek heb je de boel weer heel anders voor te dragen dan voor een troepje boeren.’

In zijn biografie haalt hij herinneringen op aan een schoolmeester die hem wel honderdmaal per dag over de maan vertelt. ‘En dan wou-ie hebben, dat ik er naar toe zou lopen.’ Volgens Kokadorus is de maan, die hij liefkozend juffrouw Luna noemt, de grootste zwendelaarster van het heelal. ‘Ze leent iederen avond van de zon een paar halve-stukjes voor haar muntgasmeter en betaalt ze nooit terug. Daarom durft ze zich ook nooit overdag te laten zien!’

Dichter worden

Ook de politiek wordt op regelmatig de hak genomen. ‘De Tweede Kamer maakt een wet, die vervolgens naar de Eerste Kamer gaat. Als ze daar geen bui hebben om d’r lang over te zeuren, is de wet aangenomen. Tot slot moet de Koningin er nog een klap op geven. ‘Nu, om dan maar voor goed een eind aan al dat geharrewar te maken, zegt Ze maar dat ’t goed is. Tot slot wordt de wet gepubliceerd in het Staatsblad, waar alleen de Koningin advertenties mag plaatsen, als ze om een werkster verlegen is.’

En passant legt hij in zijn memoires uit hoe je ‘dichter’ moet worden. ‘Dan heb je niks anders te doen, dan een paar bretels van me te koopen, die doe je aan je broek, als je zoo een ding hebt, dan wordt je dichter.’

Tot slot geeft hij een zotte opsomming van wat hij zoal verkoopt, zoals ‘een partij onbruikbare atlassen van de Balkanstaten’ en ‘een hoop lommerdbriefjes van wijlen Rembrandt.’

Kokadorus tussen zijn klanten op het Amstelveld, ca. 1930. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Zes paarden

Kokadorus weet overigens als hoe hij de wereld zal verlaten: in een koets met zes paarden, die zeven omgangen om de beurs zal maken. ‘Dat kan-ie niet velen en dan zakt-ie dus voor goed in mekaar.’

Hij beschrijft hoe de stoet over ’t Rokin gaat, waar ’t zóó smal is, dat de lui mekaar in ’t water duwen, waardoor dan de lang gewenschten demping van ’t Rokin ineens tot stand gekomen is.’ En eindelijk, als de kuil dicht is, volgen de kransen. Op die van de marktkooplui zal staan: ‘Lekker fijn, hé? Ben je dood. Nou hebben wij een stukkie brood.”

‘Professor’ Kokadorus overlijdt op 26 mei 1934. Hij is 67 jaar geworden en wordt op de Israëlitische begraafplaats van Muiderberg begraven. In oktober 1977 wordt, op initiatief van twee Amsterdamse studentenverenigingen, een bronzen beeld van hem geplaatst. Op het Amstelveld, waar anders.

Het beeldje van Kokadorus door Erica van Eeghen op het Amstelveld. In de achtergrond de Amstelkerk. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Tekst: Arnoud van Soest

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van Delpher, het krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek.

Publicatiedatum: 23/06/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.