Het gele goud van het piskruikenwrak

Wat we tegenwoordig door de wc spoelen, was vroeger goud waard. Menselijke urine werd gebruikt voor het wassen en vilten van kleding en was daarmee eeuwenlang een onmisbaar onderdeel van de textielindustrie. Het zogenaamde ‘piskruikenwrak’ voor de kust van Texel, dat ooit honderden kruiken vol met urine bevatte, vormt het levende bewijs voor deze geurige geschiedenis.

Book 6 min

In 1999 ontdekten Texelse duikers een nog onbekend scheepswrak voor de kust van Texel. Het schip was een Nederlandse straatvaarder, die vermoedelijk rond 1700 vanaf de Rede van Texel richting de Middellandse Zee vertrok. Zoals destijds vaker gebeurde, werd het schip waarschijnlijk overvallen door storm en eindigde het op het Burgzand, op de bodem van de Waddenzee. De scheepsconstructie en delen van het dek bleven echter goed bewaard, waardoor de duikers driehonderd jaar later een mooi kijkje in een zeer compleet en ongeschonden scheepswrak kregen.

Nederlandse schepen op de rede van Texel; in het midden de ‘Gouden Leeuw’, het vlaggenschip van Cornelis Tromp, 1671. Collectie Amsterdam Museum.

In het wrak werden minstens tien kanonnen met bijbehorende houten rolpaarden (onderstellen) aangetroffen. Dit soort wapens waren nodig om de vracht onderweg tegen piraten te beschermen. Het schip bevatte diverse handelswaar, waaronder messing vingerhoedjes, rolletjes zijde en allerlei smeedijzeren gereed­schappen. Ook stonden er voorin het ruim een aantal kisten met gladde leistenen, die waarschijnlijk als schrijfleien gebruikt werden. Maar de grootste en bijzonderste vondsten waren toch wel enkele honderden Spaanse olijfamforen. De aardewerken kruiken waren veilig verpakt in stro om hun kostbare lading te beschermen tegen vallen en stoten.

De amforen waren veilig verpakt in stro. Foto: W. Stellingwerf, Archeologie West-Friesland.

Hoewel de amforen oorspronkelijk olijven en olijfolie uit het Middellandse Zeegebied vervoerden, bevatten de kruiken van het ontdekte scheepswrak iets totaal anders. Zodra de kurken stoppen van de amforen werden afgehaald, werden de duikers overvallen door een zeer sterke urinelucht. Vermoedelijk hebben de kruiken na hun olijftransport in Nederland een tweede leven gekregen als urinecontainers. Dankzij deze opmerkelijke vracht kreeg het schip al snel de bijnaam ‘piskruikenwrak’.

Een selectie amforen uit het piskruikenwrak. Foto: W. Stellingwerf, Archeologie West-Friesland.

Geld stinkt niet

Maar wat deed een zeventiende-eeuws schip met zo’n enorme lading urine aan boord? Om die vraag te beantwoorden, duiken we diep in de drek van het verleden. En dan blijkt dat onze voorouders heel anders omgingen met menselijke ‘drekstoffen’. Ze werden niet zo snel mogelijk, en vaak met enige walging, weggespoeld, maar gekoesterd om hun kwaliteiten. Ontlasting was als bron van stikstof, fosfaat en kalium uitstekend geschikt als mest voor het land. Niet voor niets klaagde een inwoner van Utrecht in 1877 over het lozen van menselijke ontlasting in de stadsgrachten. Niet vanwege de hygiëne, maar omdat het zonde was om zulke prachtproducten te verspillen.

Urine had weer heel andere kwaliteiten. Dankzij het hoge gehalte aan ammoniak hielp het bij het ontvetten van wol en leer, om het klaar te maken voor bewerking. Daar kwam men al vroeg achter. Zo bestond er in het Romeinse Rijk een levendige handel in menselijke urine, waarbij openbare latrines (toiletten) het ‘gele goud’ opvingen en verkochten aan wasserijen en wolbewerkers. Het schijnt zelfs dat sommige Romeinen hun tanden met urine poetsten, omdat de ammoniak het gebit zou bleken. Er viel destijds zoveel geld mee te verdienen dat de Romeinse keizer Vespasianus een speciale belasting op urine invoerde, onder het motto ‘pecunia non olet’ (geld stinkt niet).

De urine in Romeinse openbare wc’s werd vaak opgevangen en doorverkocht. Via Wikimedia (publiek domein).

Van laken tot pak

Ook in de tijd van het piskruikenwrak werd urine nog volop gebruikt in de textielindustrie. Zeep was er nog niet, dus werd urine vermengd met water als wasmiddel gebruikt. Het was wederom de ammoniak die de ergste vlekken uit kleding kreeg, waardoor wasserijen gretig vaten urine inkochten. Ook in de leerindustrie was er vraag naar urine, omdat het destijds gebruikt werd om het leer zachter te maken en haren te verwijderen. De urine uit het piskruikenwrak was echter bedoeld voor de lakenindustrie. Dat weten we omdat in de amforen met urine ook bentoniet is aangetroffen, een fijne witte kleisoort die een cruciale rol vervulde in het proces van wolbewerking.

Amfoor met kurk uit het piskruikenwrak. Foto: W. Stellingwerf, Archeologie West-Friesland.

Tegenwoordig denken we bij het woord ‘laken’ aan beddengoed, maar vroeger werd daar een stevige wollen stof mee bedoeld, waar kleding van gemaakt werd. Van schaap tot laken reisde de wol eerst langs de drapenier, die de wol inkocht en liet wassen. Vervolgens gingen de ververs aan de slag om de wol een mooie kleur te geven. Daarna werd de wol opnieuw gevet, gekaard en tot een draad gesponnen, waar de lakenwever een mooie lap stof van mocht maken. Er zijn aanwijzingen dat bij het wassen en verven van de wol al urine gebruikt werd, maar bij de laatste stap was het echt onmisbaar: het vollen (vilten) tot lakense stof.

Twee stalen van bruin laken waarop nog vaag twee ingeweven strepen te zien zijn, 1667. Collectie Museum De Lakenhal, Leiden.

Het vollen werd gedaan met urine en klei in een grote bak warm water. Dat gebeurde aanvankelijk met de voeten, waardoor het beroep van volder niet erg populair was. Gelukkig namen vanaf de zeventiende eeuw volmolens (ook wel ‘stinkmolens’ genoemd) het smerige klusje van de volders over. Door het vollen kromp de stof en werd de wol compacter en steviger. Om het keurmerk van lakense stof te verdienen, werd één zijde van de stof opgeruwd met kaardebollen (een soort distels), om een zacht en pluizig laagje te krijgen. Na controle en goedkeuring kreeg de stof een lakenloodje (keurmerk) en mocht het door de drapenier verkocht worden.

Het vollen van wol op een 18de-eeuwse Schotse gravure. Via Wikimedia (publiek domein).

Kruikenzeikers

Steden als Haarlem, Leiden en Tilburg hadden in de tijd van het piskruikenwrak een bloeiende textielindustrie. In Haarlem was de textielnijverheid zelfs de op één na grootste industrie van de stad, na de bierbrouwerij. Haarlem stond bekend om haar linnen en damast, in Leiden en Tilburg werd vooral lakense stof geproduceerd. De inwoners van Tilburg hebben er zelfs de twijfelachtige bijnaam ‘kruikenzeikers’ aan overgehouden, die herinnert aan het gebruik van urine in het bewerken van wol.

Deze drie steden zullen ongetwijfeld grote afnemers zijn geweest van de handelswaar die het piskruikenwrak ooit vervoerde. Maar omdat de kostbare vracht zijn doel nooit zou bereiken, weten we niet zeker waar het schip naartoe op weg was. De vondst op de zeebodem gunt ons nu inzicht in een bijzonder ambacht uit het verleden. En misschien kan het ons zelfs inspireren tot nieuwe, duurzame ideeën om onze kleine boodschap een grotere toepassing te geven.

Lakenloodje met het wapen van Leiden, 17de eeuw. Collectie Museum De Lakenhal, Leiden.

Meer lezen over de archeologische vondsten die in 2021 in Noord-Holland zijn gedaan? Alle archeologische ontdekkingen worden jaarlijks verzameld in de Archeologische kroniek van Noord-Holland. In het boek staan foto’s en beschrijvingen van bijzondere opgravingen en spectaculaire vondsten.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

Publicatiedatum: 24/11/2022

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

1 reactie
  • Martin Busker schreef:

    Als jullie nog tijdelijk een kruikenzeikerd beeldje willen lenen of een foto ervan willen hebben. Zeg het maar

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN