‘Gestuurd door storm en winden, geen redding was te vinden’

In de strenge winter van 1849 trok de Durgerdammer visser Klaas Bording met zijn twee zoons erop uit om bot te kloppen op de dichtgevroren Zuiderzee. Niet wetende dat ze pas twee weken later weer voet aan wal zouden zetten. Hun barre tocht op een ijsschots, overgeleverd aan de elementen, spreekt nog steeds tot de verbeelding.

Als de Zuiderzee in de winter bevroren was, zaten vissers zonder inkomsten. Veel van hen trokken daarom met sleeën en netten het ijs op, om te vissen op bot. In het dikke ijs hakten ze een groot wak, waardoor ze op de bodem netten konden spannen. Vervolgens sloegen ze met houten kloppers op het ijs. Deze manier van vis vangen werd daarom ‘botkloppen’ genoemd. Door de doffe dreunen zwommen de vissen verschrikt de netten in. Dan was het nog slechts een kwestie van de vangst binnenhalen.

Althans, zo gemakkelijk ging het meestal. De Durgerdammer visser Klaas Bording (45) en zijn twee zonen Klaas (19) en Jacob (17) hadden minder geluk. Op zaterdagochtend 13 januari 1849 liepen ze met hun gereedschap de bevroren Zuiderzee op. Bij Muiden vonden ze een goede visplaats, waar veel bot zat. Vanwege de grote vangst besloten ze tot midden in de nacht door te vissen, zich niet bewust dat de dooi was ingezet. Wat zouden ze een mooie opbrengst hebben!

Vissers bezig met botkloppen op het ijs van de Gouwzee, ca. 1910. Collectie Waterlands Archief.

Krimpend ijs

Rond twee uur ’s nachts kwamen de Bordings erachter dat ze op een ijsschots zaten, die al een heel eind was afgedreven van het vasteland. De wind stuurde ze steeds verder de open zee op. Zondagavond bevonden ze zich al ten oosten van Marken, zonder manier om terug naar huis te komen. Geheel afhankelijk van de wind dobberden ze midden op zee. Het laatste stukje roggebrood was inmiddels op en de wanhoop begon toe te slaan.

De dooi bleef doorzetten en hun ijsschots werd steeds kleiner. In de dagen die volgden moesten de Bordings een aantal keer overspringen op een sterkere ijsschots, om niet in het ijskoude water te belanden. Hun honger en dorst lesten ze met rauwe bot en regenwater. Een gedeelte van de vangst werd overboord gegooid om de druk op de ijsschots te verlichten. Ze hielden vijftig botten over, waar ze nog dagen mee moesten doen.

Abraham van Pelt, De visser Klaas Bording met zijn twee zoons op een ijsschots, ca. 1849 – 1895. Collectie Zuiderzeemuseum.

Noodkreet

Ondertussen was een botter uit Durgerdam uitgevaren om de Bordings te zoeken. Zonder kennis van de locatie van de ijsschots en zonder de wetenschap of de drie mannen nog in leven waren, leverde zoektocht echter weinig op. Drie dagen later keerde de botter weer terug naar huis. De Bordings passeerden in die tijd het Enkhuizerzand, Urk en Schokland. Soms zagen ze vanaf hun ijsschots in de verte mensen lopen en riepen ze om hulp, maar hun noodkreten werden niet gehoord.

Op zaterdagmiddag 27 januari kwamen ze in de buurt van Vollenhove, aan de oostkust van de Zuiderzee. Om aandacht te trekken bonden de Bordings een koffieketel en een halsdoek in de mast van hun slee. Ze werden gespot door terugkerende haringvissers, die direct hulp gingen halen. Om zes uur ’s avonds zette het drietal dan eindelijk voet aan wal in Vollenhove, waar ze onderdak kregen om van hun barre tocht te herstellen. Ze waren sterk vermagerd en hadden geen gevoel meer in hun onderlichaam.

Anonieme schilder, Klaas Bording en zijn beide zoons op een ijsschots, 1849. Collectie Zuiderzeemuseum.

Eind goed al goed?

Ruim een week later werd Klaas herenigd met zijn vrouw. Moeder Bording was per botter afgereisd naar Vollenhove om haar man en zonen op te zoeken. En geen moment te vroeg, want een dag later overleed zoon Klaas aan de gevolgen van de tocht. Ook met vader Bording ging het niet goed. Hij had moeite om te herstellen en overleed drie weken na zijn zoon. Jacob zou als enige overlevende naar zijn woonplaats Durgerdam terugkeren.

Moeder Bording bleef als arme weduwe met vijf kinderen en een hoop schulden achter. Om haar financieel te ondersteunen werden zowel in Vollenhove als in Waterland commissies opgericht. De barre tocht en de heldhaftige redding spraken zo tot de verbeelding, dat er meer dan 5000 gulden werd ingezameld. Veel mensen leefden met de Bordings mee. Zoon Jacob ontving een deel, hun botter werd gerepareerd en het resterende deel werd belegd. De rente hiervan werd tweemaal per jaar uitgekeerd aan de weduwe Bording.

De grafsteen van Klaas Bording, met daarop het verhaal van zijn barre tocht, is te zien in het Zuiderzeemuseum. Foto: Sarah Remmerts de Vries.

Vissersverhalen

Het verhaal van de redding verscheen in verschillende kranten en groeide uit tot één van de bekendste waargebeurde Zuiderzeeverhalen. Het vormde een inspiratie voor kunstenaars, maar ook voor dominees, die in de redding van de vissers de genadige hand van God zagen.

De Zuiderzee is inmiddels afgesloten en daarmee is een einde gekomen aan het botkloppen. Maar de legende van de Bordings leeft nog altijd voort. Tegenwoordig wordt het verhaal verteld in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen, waar de klompen en de grafsteen van Klaas Bording te zien zijn. Maar ook in Durgerdam en Vollenhove is het verhaal van de drie vissers die veertien dagen op een ijsschots doorbrachten nog altijd springlevend. Een koude vertelling met een warm einde.

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bron: Zuiderzeemuseum

Publicatiedatum: 15/06/2020