Frisse neus halen langs de Amstel: Van ’t Kalfje naar Oostermeer

Even de spreekwoordelijke ‘frisse neus halen’ is er soms noodgedwongen niet bij. Maar loop of fiets dan in gedachten even mee met een mooi tochtje van de Berlagebrug in Amsterdam naar de Bullewijk in Ouderkerk aan de Amstel. Pakweg tien kilometer met verrassende verhalen. Deel 3: van ’t Kalfje naar Oostermeer, langs buitenplaatsen als een plaatje.

Bij het passeren van het Kleine Kalfje kijk je als vanzelf even de Kalfjeslaan in. Van oudsher een door bomen omzoomde lange verbinding (Loopvelt geheten op oude kaarten) tussen de Amstelveenseweg en de Amstel. Een paar kilometer wandelen door weids polderland – zo was het vroeger tenminste toen aan het eind bij de Amstelveenseweg uitspanning De Uitkijk lonkte.

Prentbriefkaart van rond 1900 met café de Uitkijk aan het eind van de Kalfjeslaan. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Wij vervolgen onze tocht van ‘t Kalfje richting Ouderkerk. Rechts zie je na huisnummer 164 op de Amsteldijk-Noord een onderbreking van de bebouwing. Hier ligt een weiland met een verhaal.

Kostverloren

In de jaren dat Rembrandt hier rondwandelde zag hij een buitenplaats met de allure van een echt kasteel. Inclusief toren, slotgracht en een indrukwekkende tuin. Kostverloren heette het. Jan Benningh, die rond 1500 onder meer burgemeester van Amsterdam was, vertoefde hier. Althans in de zomermaanden. De stad was goed bereikbaar en toch was hij hier echt buiten.

Op de plek waar het park rond Kostverloren was ingericht, zijn eind vorige eeuw archeologische onderzoekers voorzichtig gaan graven. De tuin bleek in de loop van de eeuwen meermalen qua inrichting te zijn veranderd. De onderzoekers troffen tot hun verbazing exotische schelpen uit de Cariben, Brazilië en Afrika aan. Evenals koraal en bergkristal. Dat was hier in Holland iets heel bijzonders in de vroege 18e eeuw.

Kostverloren in de tijd dat het Ruysschenstein heette, rond 1630. Collectie Noord-Hollands Archief.

De tuin van deze buitenplaats moet rond 1730 zo indrukwekkend zijn geweest dat er hele gedichten aan zijn gewijd. Er zou hier bijvoorbeeld een ‘lustvertrek’ in de tuin hebben gestaan, wat wellicht op grotwerk met een schelpengalerij kan duiden.

Kostverloren was een van de eerste buitenplaatsen die rond Amsterdam zijn verrezen. Dit buiten heeft in de loop van de tijd onder meer ook Ruysschenstein geheten. Nieuwe eigenaren, nieuwe namen vaak. Na een brand rond 1650 is Kostverloren herbouwd, maar zoals de naam al aangeeft, dat was een dure grap in de drassige bodem van Amstelland. Ruijsdaal heeft Kostverloren nog als een ruïne getekend.

In 1822 ging Kostverloren definitief tegen de vlakte. De slopershamer sloeg toe. Slechts weiland resteert ons van het sprookjesachtige kasteeltje aan de Amstel. Maar gelukkig hebben we het kasteel nog op papier.

Tekening van het Huis Kostverloren zoals het was in de vroege 17e eeuw. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Verbannen

Wandelend of fietsend langs de Amstel krijg je zo’n 2½ km verder, rechts aan de voet van de Amsteldijk, een monumentje in de vorm van een naald. Een banpaal uit begin 17e eeuw. Wie zich in Amsterdam had misdragen en uit de stad was verbannen, kon hier niet ongestraft passeren. Want als je tot verbanning was veroordeeld moest je tot een mijl buiten de hoofdstad blijven. De in die jaren gehanteerde Duitse mijl beslaat ongeveer 7½ kilometer. Dat is de afstand van hier tot de toenmalige stadsgrens van de hoofdstad.

In 1736 moet dit het beeld geweest op de Amsteldijk-Noord: op de voorgrond de banpaal met rechts op de achtergrond de ‘lustplaats Tulpenburg’. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Wie zich dat terdege realiseerde was Baruch de Spinoza (1632-1677). De filosoof Baruch was namelijk in joodse kringen beschuldigd van ‘afschuwelijke ketterijen’ en over hem was de cherem uitgesproken, op grond waarvan hij uit Amsterdam werd verbannen. Zijn ouders waren uit Portugal naar Amsterdam gevlucht. Baruch verdiende zijn brood met het slijpen van brillenglazen en lenzen voor microscopen. Maar onsterfelijk is hij geworden vanwege zijn opvattingen over mens en God. Hij was een vrijdenker. En dat botste met het orthodoxe geloof.

Tulpenburg(h)

De banneling vond naar verluidt enige jaren onderdak in Tulpenburg, een buitenverblijf van Dirck Tulp (1624-1682) en zijn vrouw Anna Burgh. Anna had in 1650 de hofstede Klein Kostverloren aan de Amstel geërfd en haar echtgenoot Dirck liet het geheel uitbreiden en opknappen en noemde het naar hen beiden: Tulp en Burgh.

Tulpenburg kwam in 1717 in handen van David de Pinto. Een van de hoogstaande bezoekers van deze hofstede was stadhouder Willem IV. Dat was in de zomer van 1750. Volgens een tijdgenoot liet hij zich vergezellen van een garde van zestien man te paard.

Na de dood van David de Pinto deed zijn zoon het complex van de hand. Dat wil zeggen het herenhuis, koetshuis, stallen, ‘orangehijs, thuijnmanswoning, speelhuijsen, cabinetten, grotwerken, fontijnen met de landerijen daaragter’. Me dunkt.

Tulpenburg kreeg vervolgens de ene eigenaar na de ander en in 1784 kocht Frederik Kaal het buiten. Dit was niet het enige buiten dat Kaal wist te verwerven. Hij had er naam mee gemaakt, want hij liet de vroegere lusthoven strippen van alles wat er nog te verkopen viel. De restanten van het pand gingen tegen de vlakte. Rond het eind van de 18e eeuw liep het economisch gezien minder goed in ons land dan tevoren, zodat er minder geld beschikbaar kwam voor dure buitenverblijven. Van Tulpenburg is dan ook niet meer over dan een plaatje.

Buitenverblijf Tulpenburg, toebehorend aan de heer David del Pinto, ca. 1750. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Herenboerderij

Een halve kilometer verder richting Ouderkerk komen we bij een ‘levende’ buitenplaats: Wester-Amstel. Anders dan Kostverloren en Oostermeer, waar we straks langs komen, straalt Wester-Amstel iets vriendelijks uit. Een ‘opgepimte boerderij’ noemde iemand het. Een charmante herenboerderij.

Daarmee is meteen het ontstaan van buitenplaatsen aangegeven. Want de grote trek van de rijken naar buiten begon met kopen van een hoeve, liefst aan de rivier zodat je er vanuit de stad makkelijk heen kon varen. In zo’n hoeve richtte je dan een ‘heerschapskamer’ in. Chique aangekleed natuurlijk. Bedoeld als zomers onderkomen.

Hofstede Wester-Amstel aan de Amsteldijk, 18e eeuw. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

De volgende stap was om hier buiten een compleet eigen zomerverblijf neer te zetten. Eerst gebeurde dat nog in een boerenstijl, maar al gauw moest het allemaal groter, imposanter. Een beetje zoals het pand dat de notabelen aan de grachten bewoonden.

De ligging aan het water was belangrijk, omdat het gebruikelijk was in het voorjaar allerlei spullen (servies, beddengoed) van de stad mee te nemen naar het buitenverblijf, de zomerresidentie. Transport per schip ging veel eenvoudiger dan vervoer over de slechte, modderige wegen en paden. In de herfst voer de hele inboedel dan weer terug naar de stad.

Wester-Amstel

Nicolaas Pancras, Amsterdams notabele, liet in de 17e eeuw Wester-Amstel bouwen op een stuk grond waarop tevoren twee boerderijen hadden gestaan. Pancras koos voor een ‘langrompgebouw’ met een stenen voorhuis en een achterhuis van hout voor de paarden en de koets.

Het leek een verloren zaak toen deze buitenplaats in 1776 in handen kwam van Frederik Kaal. Aan de sloop van Wester-Amstel was Kaal gelukkig nog niet toe gekomen toen Jean de Neufville zijn oog op deze buitenplaats liet vallen. De Neufville kocht Wester-Amstel en opende er een herberg.

Een tafereel van vermoedelijk rond 1900. Man met paard onderweg langs de Amstel, met rechts het fraaie hek van Wester-Amstel en op de achtergrondmolen De Zwaan bij Ouderkerk aan de Amstel, foto Jan Zeegers. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Dat werd geen succes en het pand kreeg in 1792 een nieuwe eigenaar: de regent Antonius Quirinus van Persijn (1767-1842). Deze Amsterdammer knapte de buitenplaats op. Hij liet een deel van het park in de toen modieuze Engelse landschapsstijl inrichten. Later kreeg het buiten andere eigenaars en Wester-Amstel kwam in 1900 op een veiling in handen van reisbureau-eigenaar Lissone.

De nieuwe eigenaar liet op zijn beurt de gebouwen en het omliggende park opknappen. De opvallende theekoepel met zes kanten in het uiterste zuidelijke hoek van het park bij de Amsteldijk dateert van rond 1900. Nakomelingen brachten het complex onder in de stichting J.Ph.J.F. Lissone. Het park is vrij toegankelijk, enthousiaste vrijwilligers zorgen voor het onderhoud.

Oostermeer

Een halve kilometer verder staat Oostermeer te pronken. Hier zou je eigenlijk alleen in een koetsje langs mogen rijden om in stijl te blijven. Met van die klikklakkende paardenhoeven. Dat zou passen bij de grandeur die deze buitenplaats uitstraalt.

Het is hier in 1648 begonnen met de aanschaf door een Amsterdamse koopman van een terrein met enkele woningen aan de dijk. Hier zette hij zijn buitenhuis neer dat hij Oostermeer noemde, om de simpele reden dat het oostelijk van het Pancras(Bankras)meer lag.

Dat meertje is midden 19e eeuw gedempt. Maar dat heeft geen gevolgen gehad voor de naam van Oostermeer. Het buiten kwam in andere handen en Willem Bus die het in 1727 van zijn moeder erfde heeft er de woning laten bouwen die we nu zien. Het herenhuis en de tuin waren ingericht conform de stijl van Lodewijk XIV.

Zo tekende Jacoba Johanna Elisabeth Kruimel rond 1812 Oostermeer. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Nicolaas Freher, die Oostermeer in 1757 kocht, heeft het buiten verfraaid door de bouw van een theekoepel en een aanlegsteiger in de Amstel met een schuitenhuis voor enkele pramen. Opnieuw raakte Oostermeer in andere handen, van wie een de toen befaamde tuinarchitect Leonard Springer aantrok om het park aan te passen aan de eisen van de (toenmalige) tijd. Dat wil zeggen dat hij de aanwezige symmetrische lijnen wist te combineren met de landschappelijke Engelse stijl, zoals ook op tal van andere buitenplaatsen gebruikelijk was.

Iedere trotse bezitter van een buitenplaats drukte er op de een of andere manier een eigen stempel op.

Goudstikker

Wie Oostermeer sinds 1930 een nieuwe impuls gaf was Jacques Goudstikker, kunsthandelaar. Goudstikker kocht een week na Oostermeer ook kasteel Nijenrode in Breukelen. Maar hier aan de Amstel wilde hij wonen. Met zicht op molen De Zwaan aan de overzijde van de rivier en daarnaast de Ouderkerkse begraafplaats Karssenhof. Daar heeft hij zijn in 1937 overleden vrouw begraven.

Goudstikker is in 1940 tijdens de overtocht naar Amerika overleden na een val in het vrachtruim van een schip.

Het statige landhuis Oostermeer gezien vanuit het park. Collectie Noord-Hollands Archief.

Als joods bezit confisqueerden de Duitse bezetters Oostermeer en richtten het in als hoofdkwartier voor generaals van de Luftwaffe. De uitgebreide kunstcollectie van Goudstikker verdween naar Duitsland. De weduwe van Goudstikker heeft Oostermeer medio vorige eeuw verkocht. De buitenplaats is opnieuw fraai gerestaureerd en er is een parkbos ingericht met tennisbanen en een speelweide. Dat alles ligt verborgen achter een opvallend smeedijzeren hek dat dateert van het begin van de 18e eeuw.

Intussen bereiken we de grens van Ouderkerk aan de Amstel. Op naar de Bullewijk.

Dit was het derde deel van de wandeling langs de Amstel. Lees hier alle delen:
1. Van Berlage naar vrijend paartje
2. Van vliedende zorgen naar de kalfskop
3. Van ’t Kalfje naar Oostermeer
4. Van Ouderkerk naar Ouderkerk

Tekst: Jan Maarten Pekelharing

Publicatiedatum: 07/05/2020