Naakte halzen en kappersjolijt

Ze mogen weer open, de kappers, mits je reserveert. En geen coronaklachten hebt. Een periode waarin je twee maanden lang de kappersschaar niet mag hanteren, is lang niet voorgekomen. Zelfs in de Tweede Wereldoorlog werd er gewoon doorgeknipt, zo blijkt als we in de geschiedenis van de Noord-Hollandse barbiers duiken.

Maar we beginnen dit historische overzicht in het Haarlem van 1906. Zoals er jaren geleden vaak werd gemopperd dat onze taal vergeven is van de Engelse woorden, zo vond men toen dat het met die Franse woorden in de Nederlandse taal wel een onsje minder mocht. ‘Meisjesleerlingen’ van een Haarlems gymnasium richten zich in 1906 tot cuisiniers en patissiers  met het verzoek om ‘als je blieft’ niet van die vreemde woorden te gebruiken. Je kunt je ook gewoon kok noemen in plaats van cuisinier. De cuisiniers en patissiers voelen daar echter weinig voor, maar de coiffeurs vinden het eigenlijk ook wel een beetje aanstellerij en besluiten hun bedrijf voortaan in een winkel in plaats van in een salon uit te oefenen. (De Tijd, 25/07/1906).

Dat de zeden nog niet verwilderd zijn in 1927 (de losbandigheid zou pas in de jaren zestig toeslaan, en dan nog maar in bepaalde kringen) blijkt uit een bericht in Het Volk van 16 maart van dat jaar. Onder het kopje ‘Het verleidelijk naakt der wassen beelden’ schrijft de verslaggever van het ‘Dagblad voor de arbeiderspartij’ over een brief die hij in de katholieke ‘Nieuwe Haarlemsche Courant’ heeft aangetroffen, waarin een lezer de coiffeurs en kappers zijner stad dringend vraagt om voortaan de naakte halzen te willen bedekken van de wassen etalagepoppen, waarmee de coiffeurs hun kapkust aanprijzen. Hulde! voegt de verslaggever van Het Volk er met enige ironie aan toe.

Kapsalon D. Soellaard aan de Gedempte Oude Gracht 62 te Haarlem, 1909. Collectie Kennemerland, Noord-Hollands Archief.

Duitsche kappers

In 1933 ontstaat er in Hilversum beroering omdat zich daar steeds meer ‘Duitsche’ kappers vestigen, die de markt voor de daar reeds lang gevestigde kapperszaken ‘ondermijnen’. De Gooise kappers schrijven daarover een brief aan de Kamer van Koophandel, maar die raadt de kappers aan zich tot hun eigen Nederlandschen Kappersbond te wenden, ‘daar de Kamer van Koophandel voor het verzoeken om dergelijke maatregelen niet het meest geschikte instituut is.’ Zeven jaar later zullen er nog meer Duitschen deze kant op komen, en dan niet alleen maar kappers, maar dat is een ander verhaal.

Op 10 september 1934 bericht het ‘Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië’ over een gruwelijke zaak waarbij een jong, 18-jarig meisje in een Haarlemse kapperszaak is ‘geworgd.’ De dader heeft de kas met honderd gulden meegenomen en ook nog geprobeerd de kapperswinkel in brand te steken. Een half jaar later wordt de dader, een vroegere kappersbediende, opgepakt. De officier van justitie eist levenslang.

Dames in kapsalon aan de Madelievenstraat te Amsterdam, jaren zestig. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Katholieke kappers

Behalve knippen gaan de aanstormende kappers ook wel eens uit hun dak. Katholiek dagblad De Tijd meldt dat 30 april 1939 in Huize ‘De Liefde’ aan de Amsterdamse Da Costakade een kappersexamen plaatsvindt voor leerlingen van de Ned. R.K. Kappersvakschool. Hoe rijk het Roomsche leven toen nog was, blijkt uit het feit dat het examen is georganiseerd door R.K. Kappers-Patroonsvereniging St. Franciscus van Assisië en R.K. Kappers-Bediendenbond St. Cosmos. Maar om 20 uur worden de scharen en krulijzers opgeborgen en zal – houd u vast – ‘de jolijt hoogtij vieren.’

Maar dan breekt de oorlog uit. Al op 3 augustus 1940 laten de Haarlemse kappers zich van hun sociale kant zien, want dan doet de Haarlemse afdeling van de Nederlandse Kappersbond een oproep aan haar leden om kappersgereedschap te doneren (‘mits in bruikbaren staat’) ten behoeve van de kappers in Rotterdam en Middelburg, die slachtoffer van de oorlog zijn geworden. Wie nog wat kappersbenodigdheden over heeft, kan dat opgeven bij het secretariaat in de Oranjestraat, dat nog over een telefoonnummer van vijf cijfers beschikt.

Het internationale dames- en herenkapconcours in Maastricht, 1968. ”Wals de Vienne” is de naam van het kapsel, waarop Cecile Dassen zich met haar model Diane ten volle concentreert. Foto: ANP Historisch Archief.

Overigens wordt er in de oorlog gewoon doorgeknipt, want we kunnen er natuurlijk niet als holbewoners gaan bijlopen, bezetting of niet. In september 1942 vindt in het Haarlemse Concertgebouw een kapconcours plaats, waar ruim tachtig kappers uit het hele land aan meedoen. Méér dan duizend bezoekers zien de kappers zwoegen op een bruidskapsel.

In oktober 1948, drie jaar ná de oorlog, vindt in het Haarlemse Krelagehuis wederom een kapconcours plaats, waarbij vijftig kappers wedijveren om een prijs voor het beste watergolfkapsel. 54 kappers nemen ’s avonds deel aan een wedstrijd in ‘ijzerondulatie’, die muzikaal wordt omlijst door het kwartet Jan Corduwener.

De oorlog suddert nog lang na, want in september 1954 vertrekken drie Nederlandse kappers, waaronder de heer Keitz uit Haarlem, naar Stockholm om aldaar deel te nemen aan een internationaal kapconcours. Ze geven daar ook een demonstratie, waarmee ze de dankbaarheid van Nederland willen tonen jegens het Zweedse volk voor de in de oorlogsjaren en ook tijdens de watersnoodramp geboden hulp.

Reclame voor de kapsalon van Léon Ellerbroek, ca. 1950-1980. Collectie Vereniging Oud Hoorn.

Spiralerig haar

Beroemde kappers, althans kappers van min of meer bekende Nederlanders, houden zich overigens niet alleen in het Gooi of in de Amsterdamse grachtengordel op. Op 29 april 1964 reist een verslaggever van De Volkskrant naar Hoorn af voor een reportage over kapper Léon Ellerbroek.

Léon kapt namelijk internationaal vermaard topmannequin annex fotomodel Loes Hamel. Waarom ze helemaal naar Hoorn reist om heur haar te laten doen, wil de verslaggever weten. ‘Gewoon, omdat hij het fijn doet.’ Dat is natuurlijk een antwoord van lik-me-vessie, dus na enig doorvragen legt Hamel, die net is teruggekeerd uit New York, uit dat ze van zichzelf van dat gekke spiralerige haar heeft. En dat Leon de enige is die ‘die rare krul’ eruit kan halen.

Ellerbroek, op dat moment 31, is de zoon van een Hoornse dorpskapper. Aanvankelijk ziet hij niets in het kappersvak, maar als zijn vader overlijdt, en zijn moeder het alleen niet aankan, volgt hij zijn vader toch maar op. Hij doet aan wedstrijden mee, haalt de ene na de andere prijs en verbouwt de winkel tot een puike kap- en schoonheidssalon. Zijn klanten komen helemaal uit Amsterdam en Haarlem om zich door hem te laten knippen. En dat voor zo’n ‘rimpelloze provinciestad als Hoorn’, noteert de verslaggever met hoofdstedelijke arrogantie.

Kapper Louis van Wijk aan het werk in zijn kapsalon aan de Van Oosten de Bruijnstraat 209 te Haarlem, 1992. Collectie Fotoburo de Boer, Noord-Hollands Archief.

De grote stad

Maar Léon voelt zich ook een beetje te groot voor Hoorn, want hij heeft het wel een beetje gehad met die ‘dorpse mentaliteit met al zijn kleine vooroordelen’. ‘Je moet de mensen hier eigenlijk steeds opvoeden, terwijl dat in een grote stad al niet meer nodig is.’ Nee, die sociale controle, en dat iedereen op een dorp alles van elkaar af weet, dat vindt hij maar niks. Binnen twee jaar, zo kondigt hij aan, vertrekt hij naar Amsterdam, als hij zijn zaken in Hoorn, Enkhuizen en Medemblik tenminste met een gerust hart aan zijn personeel over kan laten.

Wie denkt dat je bij de kapper behalve een knipbeurt ook terecht kunt voor een verse voorraad moppen, komt bedrogen uit, want in december 1993 maken acht kappers in Beverwijk, Heemskerk, Velsen en Zaanstad een excursie langs drie bedrijven die betrokken zijn bij het verwerken van gescheiden huisvuil in Noord-Holland. De bewuste kappers zijn geselecteerd omdat ze bekend staan als ‘zaken waar waarde aan het gesprek met de kapper wordt gehecht.’ Het Afvalverwijderingsbedrijf IJmond-Zaanstad hoopt via de kappers een eind te kunnen maken aan hardnekkige geruchten dat scheiden geen zin zou hebben omdat alles uiteindelijk toch in één grote oven zou worden verbrand (Limburgsch Dagblad, 2 december 1993).

Kapsalon Figaro Pasquale Capone aan de Begijnensteeg 10 te Amsterdam, 2008. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Figaro Figaro

In een artikel over Noord-Hollandse kappers mag de kleurrijke, uit Italië afkomstige herenkapper/charmeur Figaro Pasquale, die een kleine, pittoreske kapsalon dreef  vlakbij het Amsterdamse Begijnhof, natuurlijk niet ontbreken. Pasquale, die al die jonge kappers maar prutsers vindt, berekent honderd gulden voor een knipbeurt. Maar daar krijg je dan ook wat voor: een hoofdmassage en wasbeurt door zijn assistente, een mooi verhaal van de barbier himself en een ‘klaasje’ wijn. Ja, dan wil het nog wel eens gezellig worden.

Figaro Pasquale vindt dat elk dorp een barbier moet hebben. ‘Een man moet een plek hebben waar hij kan praten. Over vrouwen, auto’s, politiek, de mooie dingen van het leven. Een plek waar een man tot rust komt.’ En dan nog wat: ‘Waar kan een man nog terecht om zich te laten scheren?’ Hij raadt jongeren, die zich in het ambacht van barbier willen bekwamen, dan ook aan om zich eerst maar eens met scheren bezig te houden. ‘Daar knapt een mens van op.’ (Limburgsch Dagblad, 7 maart, 1994).

Tekst: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 11/05/2020