Februaristaking: ‘Het was een gewone man, die niet tegen onrecht kon’

In afwachting van de heropening heeft het Amsterdamse Verzetsmuseum haar nieuwe tentoonstelling over de Februaristaking alvast via de website toegankelijk gemaakt.

De tentoonstelling ‘Wees moedig!’ vertelt het verhaal van drie strijdbare Amsterdammers, Coba, Willem en Joop, die meehielpen de Februaristaking van 1941 te organiseren. Ze moesten daar een hoge prijs voor betalen. Willem en Joop werden gefusilleerd, Coba zat de rest van de oorlog gevangen.

Razzia op het Jonas Daniël Meijerplein, februari 1941. Er waren twee razzia’s, waarbij in totaal 425 joodse jongemannen zijn opgepakt. Collectie NIOD, via Beeldbank WO2.

Willem Kraan

Willem Kraan is stratenmaker en actief lid van de Communistische Partij van Nederland (CPN) als hij het initiatief neemt tot de Februaristaking. Die algemene staking  is een reactie op twee razzia’s op 22 en 23 februari 1941 op het Jonas Daniel Meijerplein, waarbij in totaal 425 joodse mannen met grof geweld werden opgepakt, om vervolgens in concentratiekampen te worden omgebracht.

Kraan is diep geschokt als hij getuige is van de razzia. Huilend vertelt hij zijn kameraad Piet Nak wat hij heeft gezien. Ze besluiten dat het tijd wordt om in opstand te komen. Op de avond voorafgaand aan de staking roept Nak op een CPN-vergadering op de Noordermarkt ‘dat wij in Amsterdam in een straat met onze Joodse vriendjes en vriendinnetjes hebben gespeeld. Het zijn Amsterdammers, Nederlanders en daarom moet de boel morgen plat!’

Op dat moment is de CPN overigens al illegaal, want als de Duitsers Nederland binnenvallen verbieden ze de communistische partij meteen. Al snel vormen de communisten de eerste georganiseerde verzetsgroep van Nederland.

Willem Kraan. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Openlijk protest

De staking die de volgende dag uitbreekt en die twee dagen duurt, zal de geschiedenis ingaan als het enige massale en openlijke protest tegen de Jodenvervolging in Europa. De Duitse bezetter slaat hard terug, honderden mensen worden gearresteerd, negen mensen worden gedood.

Willem Kraan wordt al snel opgepakt. Vanuit de gevangenis schrijft hij zijn vrouw en dochter: ‘Beloof mij beiden dat jullie niet verdrietig zullen zijn en sterk en gezond zullen blijven, want jullie Willem is ook zo gezond als een vis.’ In werkelijkheid wordt hij zwaar gemarteld. Uiteindelijk wordt hij met een groep verzetsmensen berecht en ter dood veroordeeld.

Ronald Ockhuysen, die zes jaar als hoofdredacteur voor voormalig verzetsblad Het Parool werkte, sprak een aantal nabestaanden en maakte daar voor het Verzetsmuseum een zestal podcasts van. Zo sprak hij ook met Frank, een neef van Willem Kraan. Willems broer was zijn vader. Zijn moeder, die in Den Haag opgroeide, en daar twee joodse echtparen heeft helpen onderduiken, moest overigens niets van de Amsterdamse familie van haar man hebben, want dat waren allemaal communisten. Pas later, als zijn ouders zijn overleden, gaat Frank naar herdenkingen en verdiept hij zich in de materie. ‘Meestal staak je voor betere arbeidsomstandigheden,’ vertelt hij  Ockhuysen, ‘maar het bijzondere aan deze staking is dat arbeiders niet voor zichzelf staakten, maar staakten uit protest tegen wat er met de Joden gebeurde.’

Frank Kraan, een neef van Willem Kraan. Foto: Marc Driessen.

Joop IJisberg

Joop IJisberg is tramconducteur en op 25 februari 1941 roept hij in alle vroegte in de tramremise zijn collega’s op om niet uit te rijden. Ook stapt hij in rijdende trams om zijn collega’s op te roepen het werk neer te leggen. Doordat de trams niet uitrijden, weet iedereen die dag dat er gestaakt wordt. Tienduizenden mensen, in en buiten Amsterdam, leggen het werk neer en gaan de straat op.

Negen maanden na de staking, op 14 november 1941, pakt de Sicherheitspolizei Joop IJisberg op en brengt hem naar het Huis van Bewaring bij het Leidseplein. Via briefjes, die hij in de zomen van zijn wasgoed meesmokkelt, houdt hij contact met zijn vrouw Too. Zo vraagt hij of ze zijn rijbewijs wil verlengen, voor als hij vrij komt. Maar hij komt niet vrij. In juli 1942 krijgt hij de doodstraf. Hij vraagt gratie aan, maar dat mag niet baten. ‘Bidden en smeken jullie voor mij om begenadiging,’schrijft hij zijn vrouw. ‘Ik ben nog veel te jong. En jij en de kinderen hebben mij nog veel te hard nodig. Ik hoop nog steeds eens bij jullie terug te mogen komen.’

Joop IJisberg. Uit familiearchief.

Gefusilleerd

3 ½ maand later krijgt zijn vrouw Too een kort briefje waarin staat dat het vonnis is voltrokken. Gillend en huilend valt ze op de grond. Op 19 november 1942 is Joop gefusilleerd op vliegveld Soesterberg, samen met 16 anderen, waaronder Willem Kraan.

Haar dochter Toos is vier jaar als de oorlog uitbreekt. Van het moment dat haar vader werd opgepakt, herinnert ze zich alleen de laarzen van de mannen die haar vader kwamen ophalen. ‘Ik was heel klein en voelde de angst van mijn moeder.’

Aan Ockhuysen vertelt Toos dat haar moeder later weinig over haar verdriet heeft verteld. Ze wilde er de kinderen niet mee belasten. Na de oorlog moet Toos hard werken om haar gezin te onderhouden. ’s Avonds gaat ze naar vergaderingen, want ze zet zich in voor een nieuw gezondheidscentrum. Ze is altijd maar bezig, met werk, gezin en vergaderen. Uiteindelijk stort ze in en beseft ze dat haar vaders verzetsdaad ook op haar leven heeft beïnvloed. ‘Er zit wat op je schouders, het idee dat je wat voor de maatschappij moet doen, ook al is mijn bijdrage bescheiden geweest.’

Toos is heel trots op haar vader. Trots op het feit dat hij de moed had in actie te komen tegen de Jodenvervolging. ‘De Duitsers hadden nog nooit zoiets meegemaakt.’ Ze vindt het goed dat  het Verzetsmuseum aandacht schenkt aan de Februaristaking. ‘Mensen vergeten.’ Maar het ideaal ‘dat alle mensen het goede willen’ is ze inmiddels wel kwijt.

Toos Haks-IJisberg, dochter van Joop IJisberg. Foto: Marc Driessen.

Geen held

Ockhuysen spreekt ook haar zuster Tinie én diens dochter Marjan de Boo. Tinie ziet haar vader niet als een held. ‘Het was een gewone man, die niet tegen onrecht kon. Hij vond dat hij dit moest doen.’ Maar hij zal, toen hij aan de Februaristaking meedeed, niet hebben beseft dat hij zijn daad van verzet met de dood zou moeten bekopen, zoals de Joden zich ook geen voorstelling konden maken van de gruwelen die hen te wachten stonden. ‘Zoiets misdadigs kun je je toch niet indenken? We weten het nu, maar dat het zo ernstig zou worden, wisten we niet.’

Het heeft Tinie wel  aan het denken gezet. ‘Oorlog komt niet uit de lucht vallen. Dat wordt georganiseerd, dus moet je blijven opletten. Laat je niet alles aanpraten, maar denk zelf na.’ Dochter Marjan vult haar aan: ‘Maar je moet wel waakzaam zijn en er iets voor doen om de vrijheid te behouden. Dat kun je niet in je eentje, maar het is ook niet vanzelfsprekend.’

Marjan is secretaris van het comité dat de jaarlijkse herdenking van de Februaristaking organiseert. Ze haalt haar inspiratie uit de verzetsdaad van haar overgrootvader,  waarbij tienduizenden arbeiders tachtig jaar geleden de straat op gingen om te laten zien dat ze het niet pikten. ‘Je kunt het naar het nu doortrekken: waar ben ik het niet mee eens, voor wie wil ik opkomen.’

Links: Tinie IJisberg. Rechts: Marjan de Boo. Foto’s: Marc Driessen.

Coba Veltman

Coba Veltman is typiste bij de communistische krant als de oorlog uitbreekt. Ze bezoekt eerder genoemde CPN-vergadering op de Noordermarkt. Omdat ze thuis een stencilmachine heeft staan, wordt haar gevraagd een pamflet voor de staking te maken. ‘Staakt!! Staakt!! staakt!!’, roept het pamflet. ‘Leg het gehele Amsterdamse bedrijfsleven een dag plat, dan zal de Duitse bezetting moeten inbinden. Weest moedig!’

Op de achterkant van het pamflet  wordt uitgelegd wat de aanleiding van de staking is: omdat honderden ‘Grüne Feldpolizei’ zich razend, tierend, ranselend en schietend op weerloze Joodse mannen hebben gestort, die vervolgens met ruw geweld in arrestantenwagens werden gesmakt om weggevoerd te worden naar ‘een onbekend verschrikkingsoord.’

Opvallend is dat de passieve houding van de Joodse Raad al meteen wordt gehekeld. Met name de voorzitters Asscher en Saarlouis en opperrabijn Cohen moeten het ontgelden omdat ze ‘kruiperig de schuld der Joden’ aanvaard zouden hebben ‘en verdere krachtige verdedigingsmaatregelen en strijd de kop poogden in te drukken door het voor te stellen, dat nu weer ‘rust’ zou intreden.’ En dan volgt een passage die typerend is voor het communistische spraakgebruik: ‘Deze groot-kapitalisten zijn bang voor het opleggen van een zoengeld en hun duiten zijn hun liever dan het Joodse werkende volk!’

Coba Veltman. Uit familiearchief.

De opstellers van het pamflet geven overigens blijk van een vooruitziende blik, want vervolgens schrijven ze: ‘Deze Jodenpogroms zijn een aanval op het gehele werkende volk!!! Zij zijn een inzet voor een verder te verscherpen onderdrukking en terreur!!!’ De typemachine waarop Coba het pamflet typte maakt deel uit van de tentoonstelling.

Op 25 februari, in alle vroegte, verspreidt ze de oproep in tramremises en bij bedrijven in de Jordaan. De volgende ochtend gaat ze de straat op met een nieuw pamflet, waarin wordt opgeroepen om weer aan het werk te gaan nu de staking zo’n succes is geworden. Bij die gelegenheid wordt ze gearresteerd. Tijdens haar verhoor gaat ze nog in discussie met de mannen die haar verhoren. ‘We hebben nooit last van Joden gehad. Ze zijn bij ons gewone mensen als ieder ander.’ Uiteindelijk gaat ze voor een half jaar de gevangenis in en in juli 1942 wordt ze naar vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück gestuurd.

In dat kamp heeft ze verschillende baantjes, waarbij ze stof voor sokken en voedselresten mee kan smokkelen, die ze met de vrouwen van haar barak deelt. Soms pikt ze een krant van bewakers, zodat ze haar kampgenoten op de hoogte kan houden van het verloop van de oorlog. Uiteindelijk, in april 1945, wordt ze door het Zweedse Rode Kruis gered en via Zweden, waar ze kan aansterken, keert ze naar Nederland terug.

Het pamflet dat Coba typte en vermedigvuldigde, waarin tot de Februaristaking wordt opgeroepen. Collectie NIOD.

Coba’ schoondochter

Gusta Olivier-Vonk is Coba’s schoondochter en ze schreef na Coba’s overlijden een boekje over haar schoonmoeder, ‘Haar leven was strijd’. Gusta had al vaker verzetsmensen geinterviewd en wilde iets doen met Coba’s aantekeningen. Coba vond immers altijd al dat de wereld moest weten wat de nazi’s hadden gedaan en hoe ze miljoenen joden hadden vermoord in de concentratiekampen.

Gusta hielp haar vader als jong meisje al met het verspreiden van de in de oorlog illegale krant De Waarheid. ‘Dat was mijn kans om ook wat te doen tegen de nazi’s, ook al is het maar een kleine bijdrage geweest,’ zegt ze tegen Ockhuysen.

Door gesprekken met Duitse vluchtelingen die vóór de oorlog naar Nederland waren gevlucht, wist ze wat de nazi’s uitspookten. ‘Toen de Duitse soldaten binnenmarcheerden, ik was elf jaar, heb ik nog op de grond gespuugd. De meeste mensen hadden geen idee van wat er in Duitsland gebeurde.’

Coba Veltman met een groep vrouwen in herstellingskamp Scatos in Göteborg, Zweden. Coba is de middelste in de witte bloes en overgooier. Collectie Verzetsmuseum Amsterdam.

Ziekenbarak

Gusta vertelt hoe Coba vlak voor haar dood in 1976 huilend vertelde hoe ze een keer aan een transport naar de gaskamer was ontsnapt door zich in de ziekenbarak schuil te houden. En hoe ze zich daar schuldig over voelde. ‘De aantallen moesten kloppen, dus voor mij hebben ze een ander genomen,’ zei ze. Dat vond ze verschrikkelijk.’

Gusta is trots op al die Amsterdammers die destijds al stakend in verzet kwamen tegen de Jodenvervolging. ‘Je kunt wel zeggen dat de Duitsers als gevolg van die staking veel mensen hebben opgepakt, maar in de hele wereld is nog nooit zo’n massaal protest geweest.’ Het was dan ook niet voor niets dat koningin Wilhelmina Amsterdam toestemming gaf om het credo ‘Heldhaftig, vastberaden, standvastig’ aan het stadswapen toe te voegen.

Gusta Olivier-Vonk. Foto: Marc Driessen.

Kleindochter Hanka

Hanka, een kleindochter van Coba, is vernoemd naar de verpleegkundige die in de ziekenboeg van Ravensbrück Coba’s leven heeft gered toen ze tyfus kreeg. Ze kon zich daar ook schuilhouden als er weer eens een transport dreigde, want ‘hier durven de Duitsers toch niet te komen.’

Als meisje van acht jaar zat Hanka wel eens aan tafel met haar oma, die haar soms verhalen uit het kamp vertelde. ‘Maar dan zei ze er meteen bij: oh, dat had ik niet mogen vertellen, daar ben je nog te jong voor.’ Later zou ze voor haar eindexamen Duits van de Mavo een werkstuk maken over een boek dat ze van haar oma over Ravensbrück had gekregen. Verder dan het eerste hoofdstuk, waarin de brute verkrachting van een zigeunermeisje wordt beschreven, is ze nooit gekomen. ‘Vooral toen ik besefte dat oma in dat kamp had gezeten.’

Virtuele expositie

Dit artikel is gebaseerd op de tentoonstelling ‘Wees moedig!’ van het Amsterdamse Verzetsmuseum  en op de podcasts die Ronald Ockhuysen voor het Verzetsmuseum maakte. Zij zijn hier te beluisteren.

Aangezien het museum vanwege de coronamaatregelen nog even gesloten is, heeft het Verzetsmuseum een virtuele expositie op haar website geplaatst. Het is even puzzelen om je door de expositie te navigeren; voor je het weet zit je het plafond te bestuderen. Het verdient aanbeveling om links onderin de pagina het rondje met ‘afspelen’ aan te klikken en af en toe te pauzeren. Door op de groene rondjes te drukken kun je de begeleidende teksten lezen. Helaas zijn niet alle documenten te vergroten, maar dat probleem laat zich oplossen door ze op te slaan. Zo zijn ze beter te bekijken.

Tekst: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 01/03/2021