Oneindig Noord-HollandBeleef de geschiedenis van jouw provincie
NL | EN

De duivel op het ijs

Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1930) besloot in 1893 en 1894 een oproep te plaatsen in verschillende kranten. Als verzamelaar van oude volksverhalen vroeg hij of mensen hun lokale sprookjes en sagen naar hem wilde opsturen. Hij zal verrast hebben opgekeken van de honderden reacties. Vooral van arts Cornelis Bakker (1863-1933) uit Broek in Waterland ontving hij veel Noord-Hollandse volksverhalen, die op zijn beurt de verhalen verzamelde onder zijn patiënten. Een paar spannende volksverhalen spelen zich af in de ijskoude winter, waar twee schaatsers de duivel ontmoeten op het ijs. Lees en huiver...

De duivel als schaatser

Dit verhaal speelt zich af in het hart van de winter. Het vroor dat het kraakte en het IJ lag dicht. Zo ver het oog kon zien, was het water in alle tinten van wit, grauw en zwart bevroren. Toen het avond werd streek een lichte mist over de koude ijsvlakte. Het was een voorbode van sneeuw en de heldere glans van de eerste sterren verdwenen uit het zicht. Het was stil op het ijs. De vogels waren al een paar dagen geleden naar de stad uitgeweken. Slechts enkele schaatsers gleden op dit late uur in de verte voorbij, hun contouren verhuld in de nevel.

Panzer lette niet op hen. Hij was bezig om spiering te kloppen op het ijs. Bij het wak, dat hij met zijn bijl in het ijs had gehakt, klopte hij aandachtig een aantal spieringen op. Toen hij opkeek zag hij een deftig heer op de schaats komen aanrijden. De slanke, rijzige gestalte was gekleed in een lange zwarte jas. Onder een ouderwetse driekantige steek leek zijn smalle gezicht nog bleker en de scherp geknipte puntbaard nog zwarter. Panzer was een arme sloeber, anders zou hij op deze koude avond niet aan het spiering kloppen zijn geweest. Daarom wist hij maar al te goed dat hij zijn kans moest grijpen en sprak de man aan. “Een bosje spiering, dominee?” vroeg hij. “Vier duiten maar.”

De ogen van de schaatser vernauwden zich, zijn glimlach deden zijn rode lippen boven de puntbaard krullen. “Je kent me blijkbaar, visser,” zei hij. “Hier, dit is voor jou!” In zijn hand fonkelde een goudstuk. Hij wierp het Panzer toe en tegelijkertijd zette hij af. Hij flitste over het ijs en verdween in de nevel. Panzer ving het goudstuk op en knelde het in zijn hand. Het geld brandde als een kool vuur. Tranen sprongen in zijn ogen van de pijn. Het goudstuk viel op het ijs. Het was zo heet dat het wegzonk, dwars door de dikke laag ijs van zeven nachten. Panzer keek om zich heen, maar de schaatsenrijder was nergens meer te bekennen. In de verte hoorde hij hoe het geluid van de ijzers wegstierf. Panzer begreep dat hij de spieringen aan de duivel had verkocht, die hem met hels geld had betaald.

Bevroren IJ bij Amsterdam, Abraham Lion Zeelander, naar Albertus Brondgeest, 1799 – 1856. Collectie Rijksmuseum, objectnummer RP-P-1905-914.

Het uur des kwaads

In Uitdam zeiden de oude mensen altijd: “Wie vloekt en kaart, trapt de duivel op zijn staart”. Willem Hoek was echter een onverschillige jongeman die hen maar liet praten. Elke avond was hij met zijn vrienden aan het dobbelen en kaarten. “Zorg tenminste dat je op tijd thuis bent”, zei zijn vader, “want tussen twaalf en één valt het uur des kwaads, dan rijdt de duivel een rare schaats.“

Willem bond zijn schaatsen om. Maar voordat hij wegreed zei hij tegen zijn vader: “Al moest de duivel met mij oprijden, om twaalf uur ben ik binnen de stijlen van het hek.” Tijdens zijn favoriete kaartspel ‘pandoeren’ vergat hij zijn belofte. Zijn vrienden haalden hem telkens over om nog een rondje te spelen en het werd steeds later.

Detail van een volksprent, ‘Het spelen van jong en oud’, De Ruyter & Meijer, 1878. Collectie Rijksmuseum, objectnummer RP-P-OB-202.485.

“De duivel! Kwart voor twaalf!” riep Willem geschrokken. Snel reed hij weg uit Zuiderwoude. Het met sneeuw bedekte landschap werd verlicht door de maan. Nauwelijks had Willem een paar slagen gedaan, of hij hoorde dat iemand met hem opreed. Hij keek om maar zag niemand. Plotseling zag hij een schaduw die over het ijs naar hem toe leek te glijden. Willem boog zich voorover en reed zoals hij nog nooit gereden had, want hij wist dat zijn ziel en zaligheid van deze rit afhing.

Met de eerste slag van twaalven vlogen er over het Kleine Meer, een half uur lopen van Uitdam, twee schaduwen pijlsnel over het ijs. Met de laatste slag sprong Willem met schaatsen en al op de wal. Hij viel het voorhuis binnen en achter hem sloeg de deur dicht. Een stem, ijl als ijzel, riep van buiten: “Dat was net op tijd Willem Hoek, de volgende keer zal het je niet lukken.” Daarna heeft Willem voor de zekerheid nooit meer een kaart aangeraakt.

Landschap met schaatsers, Johannes Christiaan Janson, 1778 – 1823. Collectie Rijksmuseum, objectnummer RP-P-1886-A-10222.

Verzamelaar van volksverhalen

Het is overigens niet bekend of deze twee verhalen over de duivel daadwerkelijk zijn opgetekend door Gerrit Jacob Boekenoogen. Zoals het gaat met volksverhalen die mondeling worden doorgegeven zijn er dikwijls meerdere versies van één verhaal in omloop. Zo ging Panzer volgens een ander volksverhaal spiering kloppen op het ijs van de gracht van de Kloveniersburgwal en niet op die van het IJ. Op de Nederlandse Volksverhalenbank heeft de sage van de Uitdammer een tragischer einde. “Toen hoorde hij een stem: “Doordat je zoo hard gereden hebt, ben je me ditmaal ontkomen.” Hij is daar zoo van geschrokken, dat hij kort daarop gestorven is.”

Het is goed om ons ervan bewust te zijn dat bepaalde verhalen bekend en bewaard zijn gebleven door de gedrevenheid van volksverhaalverzamelaars. Voor het optekenen van de Noord-Hollandse volksverhalen in de negentiende eeuw speelde Gerrit Jacob Boekenoogen een belangrijke rol. Een van zijn advertenties stond in de Hoornsche courant van 28 januari 1894:

“Dit plan kan echter alleen slagen door de vriendelijke medewerking van zeer velen, en daarom doe ik een beroep op de bereidwilligheid van ieder, die, zich nog rijmen, spelen en sprookjes herinnert, of die in de gelegenheid is, ze in zijne omgéving te verzamelen. Het is hoog tijd, dat ze opgeteekend worden; over enkele jaren is wellicht veel verloren van wat nu nog bekend is. Ieder kan mij echter behulpzaam zijn bij mijne poging, om dat te voorkomen; en het zou mij zeer verheugen als er velen waren, die mij daarbij wilden helpen.”

Het is bekend dat Cornelis Bakker de verhalen van zijn patiënten erg realistisch beschreef, maar over de vertellers zelf komen we helaas weinig of niets te weten. Kijk voor meer volksverhalen op de Nederlandse VolksverhalenBank van het Meertens Instituut.

Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1930). Foto waarschijnlijk door Jan Goedeljee (d. 1905). Beeld: Wikimedia Commons.

Auteur: Judith van Amelsvoort

Bronnen:

Publicatiedatum: 23/03/2023

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.