Weerwolven in het Gooi

In het najaar van 1936 toonde de Bussumse bioscoop Flora Bio de sensatiefilm ‘De weerwolf van Londen’. Een filmbespreking in de Nieuwe Bussumsche Courant stelde de lezer gerust: ‘de “weerwolfziekte” (…) is een filmziekte, ze bestaat gelukkig niet’. Voor ons tegenwoordig een overbodige opmerking, maar in die tijd dachten inwoners van het bijgelovige Gooi daar soms nog heel anders over.

Eeuwenlang was het boerenland van het Gooi een magische wereld, die gonsde van de mysterieuze verhalen. Een wereld waarin spoken, heksen en dwaallichten rondwaarden om onschuldige inwoners op het verkeerde pad te brengen en waarin bijgeloof in geluks- en ongeluksbrengers welig tierde. Elk Goois dorp kende wel zijn eigen anekdotes over onzichtbare wezens en betoverde ontmoetingen. In het overwegend katholieke Gooi werd dit bijgeloof vaak in verband gebracht met duivelse krachten.

Tot de meest bekende verhalen behoren die over weerwolven: mensen, meestal mannen (‘weer’ gaat terug op de Latijnse en Germaanse woorden voor ‘man’), die in wolfsgedaante tijdens de donkere winternachten het land onveilig zouden maken. Weerwolflegendes komen vooral in Duitsland, België en het zuidoosten van Nederland veelvuldig voor, maar zijn ook tot in het Gooi doorgedrongen.

Jan van Ravenswaay, Vergezicht in het Gooiland, ca. 1830. Collectie Provinciale Atlas Noord-Holland, Noord-Hollands Archief.

Bloeddorstige moordenaars of onnozele stervelingen

Er bestaan uiteenlopende variaties op de volksverhalen over weerwolven, die per streek verschillen. In sommige verhalen zijn de weerwolven verdorven figuren, die door het sluiten van een pact met de duivel hun gruwelijke vorm hebben gekregen. Zij scheppen er een barbaars genoegen in om dood en verderf te zaaien. Andere verhalen presenteren de weerwolf juist als een slachtoffer van de omstandigheden, die niet anders kan dan aan zijn dierlijke aard toegeven. Sommige van hen waren er tevreden mee om zich slechts een eindje te laten ‘dragen’ op de schouders van hun angstige slachtoffer.

Natuurlijk wilde men zich tegen dit soort duivelse wezens beschermen. Over de meest doeltreffende wijze van bescherming liepen de meningen uiteen. In sommige streken geloofde men in het trekken van een streep tussen zichzelf en de weerwolf, waarbij men de volgende woorden sprak: ‘Als ge van God zijt, zoo nadert, als ge van den duivel zijt, komt dan niet over de streep…!’ In Noord-Duitsland vertrouwde men op een mes of een stuk staal, dat over de weerwolf heen geworpen moest worden om hem weer in zijn menselijke gedaante te krijgen. Ook het noemen van de doopnaam van de weerwolf zou een einde maken aan de betovering.

Een weerwolf op de rug van zijn slachtoffer. Houtsnede van Maurice Sand uit: George Sand, Legendes rustiques (Parijs, 1858).

Weerwolven voor de rechter

In het Gooi- en Eemland werd voor het eerst melding gemaakt van een weerwolf in 1595. Dat jaar hield het Hof van Utrecht heksenprocessen tegen een aantal inwoners van Amersfoort, die beschuldigd werden van weerwolverij. Een man genaamd Volkert Dirksz, afkomstig uit het dorp Hoogland, werd verdacht van het betoveren van paarden. Ook Volkerts zonen werden ondervraagd en de dertienjarige Elbert bekende dat hij met zijn vader en broer Hessel ’s nachts op een veld nabij Bunschoten in een wolf veranderd was. Samen met zijn broer had hij vee opgejaagd, zodat hun vader de dieren dood kon bijten. Elberts broer vertelde vervolgens dat hij door de duivel en een vrouw bezocht was, die daarna in de gedaante van wolven in het Eemland vee doodgebeten zouden hebben. Dit enigszins verwarde verhaal kon door een aantal getuigen bevestigd worden. Vader Volkert werd schuldig bevonden, door een beul gewurgd en tot slot verbrand.

Een maand later volgde een tweede weerwolfproces, ditmaal tegen de pachter Antonius Buycken. Nadat hij was gemarteld, bekende Antonius dat hij de duivel diende en in de gedaante van een wolf vee had verwond. Verhalen gebaseerd op deze processen waarden zo’n honderd jaar later nog steeds door het Gooi rond, zo blijkt uit aantekeningen van chroniqueur Lambert Rijckszoon Lustigh (ca. 1655-1727). Lustigh schreef rond 1700 over een weerwolf die het dorp Huizen onveilig maakte. Een dappere boer probeerde hem weg te jagen door een veenschoffel naar hem te gooien. In Amersfoort kon de weerwolf uiteindelijk gevangen en berecht worden, waarna hij op het galgenveld van de Amersfoortse Berg ‘tot pulver’ werd verbrand.

De galgenberg op de Amersfoortse Berg. Tekening door Jan de Beyer, 1749. Collectie Museum Flehite.

Een ‘ruigharigen wolf’ in het Bosch van Bredius

De volksverhalen bleken hardnekkig. Ook lang na de aanleg van de spoorlijn, de instroom van stedelingen en de introductie van het moderne leven bleven sommige Gooiers nog in weerwolven geloven. In 1891 verhaalde De Gooi- en Eemlander over een gerucht van een ‘grooten ruigharigen wolf’ in het Bosch van Bredius tussen Naarden en Laren: ‘Wie had (…) ooit kunnen gelooven dat die lieflijke plek het terrein zou worden, waarop een gluipende en sluipende moordenaar het den mensch zoo bang om het hart zou kunnen maken? En toch is het zoo!’

En hoewel weerwolven in De Bussumsche Courant van 1941 werden afgedaan als een ‘oud volksverhaal’, moest ook deze krant toegeven dat ‘het rechtstreeksche geloof in hen nog steeds niet [is] vergaan.’ In een verhaal uit Huizen, dat opgenomen is in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut, werd de weerwolf neergezet als een zonderlinge man. Een dorpsgenoot nam de man op een avond mee in zijn rijtuig, omdat ze naar dezelfde plaats moesten reizen. In het schaarse maanlicht zag de rijder dat er geen man, maar een weerwolf naast hem op de bok zat. Even later keek hij weer, maar toen zat de man er weer. De gedaanteverwisseling was blijkbaar nog niet helemaal voltooid, ‘want hij had de wolfsharen nog aan zijn tanden’.

Ansicht met waterpartij in het Bos van Bredius, 1910. Fotocollectie Bussum, Gemeentearchief Gooise Meren en Huizen.

Duivelse tovenarij

Uit andere anekdotes blijkt dat weerwolverij in het katholieke Gooi werd gezien als een vorm van tovenarij. ‘Weerwolven was nog erger dan toverij, veel en veel erger. ’t Was iets duivels’, vertelde de Naardense metaalbewerker Wilhelmus Theodorus Aloysius Koopmanschap in de jaren zestig. Politieagent Theodorus Franciscus Kamer, eveneens afkomstig uit Naarden, vulde aan: ‘’t Was afschuwelijk veel slimmer als toveren en dat konden ze vroeger ook maar wat goed.’ Weerwolven waren ‘barbaarse mensen’, aldus smid Bernardus Baar uit Nederhorst den Berg, die konden ‘heksen en wolven tegelijk’.

Over de daadwerkelijke verschijning van de weerwolf liepen de meningen uiteen. Sommigen beweerden dat weerwolven zich konden veranderen ‘in beesten, honden of slangen’, anderen hadden anekdotes over kerels zonder hoofd ‘die an ’t weerwolven woare’. Er zijn ook aanwijzingen dat de term ‘weerwolf’ gebruikt werd om een persoon te omschrijven die om de een of andere reden buiten de gemeenschap viel. ‘Een weerwolf was een onverschillig mins. Hie kon iets vreemd en hie was anders dan anderen’, aldus veldarbeider Dirk Smorenburg uit Soesterberg. Tegen ruige mannen met lang haar werd gezegd: ‘Je laikt wel een weerwolf’.

Een weerwolf verslindt zijn slachtoffer. Middeleeuwse afbeelding.

Maar gebruik van de term in het dagelijks leven deed zeker niet af aan de angst die eraan ten grondslag lag. Boer Bernardus van de Velde uit Kortenhoef omschreef dit gevoel in de jaren zestig als volgt: ‘bang dat ze er voor waren, bang, man, proat me doar niet van.’ Een reële angst was het niet in het randstedelijke Gooi, waar echte wolven al eeuwenlang verdwenen waren. Maar wel een angst die van oudsher diep geworteld zat in de arme bijgelovige plattelandssamenleving, waar boeren hun vee probeerden te beschermen tegen dreigingen van buiten. En waar het in de winternachten nog écht donker werd, zodat verhalen vertellen rond het haardvuur een van de weinige tijdsbestedingen was. Weerwolverij is gelukkig een ‘filmziekte’, zo besefte men zich al in 1936, maar ‘wie van griezelen houdt, kan er zijn hart ophalen.’

Tekst: Sarah Remmerts de Vries

Bronnen:

  • Heupers, Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en van de westelijke Veluwe. Deel 1, 3 (Amsterdam 1984).
  • B. de Haar, ‘Streektalen, broodnamen en volksverhalen’, Tussen Vecht en Eem 12 (1982) 254-260.
  • Willem de Blécourt, ‘The Werewolf, the Witch, and the Warlock: Aspects of Gender in the Early Modern Period’, in: Alison Rowland red., Witchcraft and Masculinities in Early Modern Europe (New York 2009).
  • Willem de Blécourt, ‘”I Would have eaten you too”: Werewolf Legends in the Flemish, Dutch and German Area’, Folklore 118 (2007) 23-43.
  • De Gooi- en Eemlander (14 februari 1891), Nieuwe Bussumsche Courant (26 september 1936) en De Bussumsche Courant (2 januari 1941) via gooienvechthistorisch.nl.
  • Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut.
  • Weblog Gooiland, ‘Weerwolven in Gooi en Eemland’.

Publicatiedatum: 13/01/2021

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.