7 vrouwelijke kunstenaars die je gezien moet hebben

Er zijn veel meer vrouwelijke kunstenaars in de Nederlandse kunstgeschiedenis te vinden dan tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw nog werd gedacht. Vele grootmeesters in de beeldende kunst van het vrouwelijke geslacht zijn overschaduwt door hun mannelijke tegenhangers. Hieronder een aantal succesvolle Noord-Hollandse kunstenaressen die uit deze schaduw tevoorschijn zijn gekomen en te bewonderen zijn in verscheidene Nederlandse en ook buitenlandse musea.

Judith Leyster (1609-1660)

Judith Leyster is één van de bekendste Nederlandse vrouwelijke schilders uit de zeventiende eeuw. Vanwege haar losse stijl van schilderen en de grote overeenkomsten tussen het werk van Frans Hals en haar vroege werken, is het goed mogelijk dat ze in de leer is geweest bij deze bekende Haarlemse schilder. Als een van de weinige vrouwelijke schilders liet Leyster zich inschrijven in het Haarlemse Sint-Lucasgilde, waarna ze in 1633 werd uitgeroepen tot eerste vrouwelijke meester-schilder. De kunstenares schilderde veelal figuurstukken met spelende kinderen, muzikanten of andere gezelschappen tegen een rustige achtergrond. Judith Leyster is onder andere te vinden in het Frans Hals Museum in Haarlem en het Rijksmuseum in Amsterdam.

Zelfportret Judith Leyster. Via Wikimedia.

Maria van Oosterwijck (1630-1693)

Deze succesvolle vrouwelijke kunstschilder uit de barokperiode werd geboren in Nootdorp vlakbij Delft, dat in de jaren dertig een bloeiend kunstklimaat kende. Maria van Oosterwijck brak door toen ze in 1666 naar Amsterdam verhuisde en als assistente van de schilder Willem van Aelst ging werken en richtte zich op het schilderen van bloem- en fruitstillevens, die ze vaak voor een behoorlijk prijs kwijt kon in de hogere kringen in Amsterdam. De kunstenares werkte net als andere schilders in de Hortus Botanicus Amsterdam om de zeldzame en kostbare bloemen te tekenen voor ze de bloemen thuis in olieverf op doek uitwerkte. De waardering voor haar met precisie geschilderde stillevens was ook in de hoogste Europese kringen zeer groot. Onder andere de Florentijnse prins Cosimo III de Medici, Keizer Leopold I, de Zonnekoning Lodewijk XIV, de keurvorst van Saksen, Willem III en zijn vrouw Maria Stuart kochten Oosterwijcks werk.

Maria van Oosterwijck, Stilleven met bloemen in een decoratieve vaas. Via Wikimedia, collectie Mauritshuis.

Rachel Ruysch (1664-1750)

Rachel Ruysch was net als Oosterwijck een vrouwelijk schilder die in de barokperiode werd geroemd om haar stillevens. Ze schilderde op jonge leeftijd verwoed vele planten en dieren, waarop haar ouders haar toestemming gaven in de leer te gaan bij stillevenschilder Willem van Aelst. Iets wat vrij ongebruikelijk was voor een meisje in die tijd. Ze legde zich toe op het schilderen van bosgrondjes en composities met bloemen, naar de geprepareerde bloemen uit de collectie van haar vader Frederik Ruysch (1638-1731), hoogleraar anatomie en plantkunde. Voor haar bloemstillevens ontving ze grote waardering van kapitaalkrachtige klanten, waaronder de keurvorst van de Palts. In 1699 kreeg ze als eerste vrouw ooit het lidmaatschap aangeboden van de ‘schilderconfrérie’ Pictura in Den Haag. In 1750 werd Ruysch vereerd met de bundel ‘Dichtlovers voor de uitmuntende schilderessen Mejufvrouwe Rachel Ruisch’, waarin gedichten stonden die op haar werk waren gemaakt; een uniek gebaar voor een Nederlandse kunstenaar.

Rachel Ruysch, Stilleven met bloemen op een marmeren tafelblad, 1716. Collectie Rijksmuseum.

Sara Troost (1732-1803)

Deze dochter van de bekende Nederlandse schilder Cornelis Troost (1696-1750) heeft net als haar vader een succesvolle carrière als schilder en tekenares gehad. Sara Troost maakte veel gouaches, waterverfschilderingen en met pastel uitgevoerde portretten. Ze schilderde veel naar de toneelvoorstellingen en genretaferelen van haar vader, waaronder de bekende Nelri-serie, en naar de door haar bewonderde genreschilder Adriaen van Ostade. Mede door haar naam en met steun van haar zwager, zakenman en kunstkenner Cornelis Ploos van Amstel (1726-1798), kreeg ze toegang tot de kunstverzamelingen van particulieren. Ze heeft waarschijnlijk veel verdiend met haar kunst. Het portret dat haar vader van haar heeft gemaakt is in het bezit van het Rijksmuseum.

Cornelis Troost, Portret van Sara Troost, 1742 – 1750. Collectie Rijksmuseum.

Elisabeth Johanna (Betsie) Koning (1816-1887)

De in Haarlem geboren gerenommeerde tekenares en schilderes van stillevens kreeg een ereplaats op de eerste kunstnijverheidstentoonstelling in Haarlem in 1825 toen ze slechts negen jaar oud was. Elisabeth Johanna Koning specialiseerde zich in het schilderen van stillevens met bloemen, vruchten en wild. Daarnaast heeft zij een aantal buitenlandse reizen gemaakt, waarover zij in uitvoerige reisverslagen schreef die zij ook zelf illustreerde. Haar werken verkocht ze onder andere aan het Teylers Museum, het Museum Van der Hoop en aan koning Willem II. In 1843 won de kunstenares een zilveren medaille in een wedstrijd van de Amsterdamse sociëteit Felix Meritis en een jaar later ontving ze een erelidmaatschap van het Haarlemse tekengenootschap Kunst Zij Ons Doel. In 1845 werd Koning vervolgens lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Konings zogenaamde ‘Indische portefeuille’, een collectie botanische tekeningen, wordt tot haar belangrijkste werk gerekend.

Elisabeth Johanna Koning, Amaryllis met hagedis en insecten, september 1859. Collectie Teylers Museum. Via Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie.

Thérèse Schwartze (1851-1918)

Thérèse Schwartze was een succesvolle Amsterdamse portretschilderes. Op haar vijftiende kreeg de vrouwelijke kunstschilder al opdrachten via haar vader, portretschilderschilder Johan Georg Schwartze. Dit was geen wonder, gezien ze als kind veel doorbracht in het atelier van haar vader. Ze is daarnaast in de leer geweest bij de gerenommeerde Duitse schilder Franz von Lenbach. Schwartze werd in de loop van haar carrière een zeer gevierd portrettist die zelden om opdrachten verlegen zat. Ze gebruikte veel pastelkrijt, waar ze snel mee kon werken. Haar vlotte stijl en heldere toonzetting vielen, ondanks wisselende kritieken, zeer in de smaak in de hogere kringen van Amsterdam. Ze exposeerde veel op ook andere plekken in Europa en in de Verenigde Staten. Leden van het Koninklijk Huis lieten zich door Schwartze portretteren en ze kreeg een aantal onderscheidingen, waaronder de Groote Gouden Medaille van Koning Willem II in 1881. De portretschilderes werd bovendien als eerste vrouw benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Thérèse Schwartze, Portret van Lizzy Ansingh, 1902. Collectie Rijksmuseum.

Henriëtte Ronner-Knip (1821-1909)

Henriëtte Ronner-Knip is een opvallende vrouwelijke kunstenares in dit rijtje stillevenschilderes en portret- en figuurschilderes. Niet alleen omdat de in Amsterdam geboren Knip een groot deel van haar leven in België heeft door gebracht, maar ook omdat zij zich specialiseerde in het schilderen van dieren. Ze is vooral bekend door haar schilderijen van katten, die door kunsthistorici lange tijd te schattig werden gevonden om serieus te nemen. De werken van Henriëtte Ronner-Knip werden tijdens haar leven echter zeer gewaardeerd en de kunstenares kon haar werk tegen hoge prijzen internationaal verkopen. In 1901 werd Knip geridderd in de Orde van Oranje Nassau en in 1998 kreeg ze een grote overzichtstentoonstelling in de Kunsthal in Rotterdam. Haar werk is nog altijd populair onder verzamelaars en levert nog steeds hoge bedragen op.

Henriëtte Ronner, Katjesspel, ca. 1860 – ca. 1878. Collectie Rijksmuseum.

Tekst: Liza Koppenrade

Bronnen:

Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. Geraadpleegd op 3 juni 2015.

Publicatiedatum: 03/06/2015